Fysieke activiteit

1. Kernboodschappen

In België is 62% van de volwassenen (18-64 jaar) tenminste “minimaal fysiek actief”, volgens de IPAQ-criteria. Mannen zijn meer fysiek actief dan vrouwen. Het percentage actieve volwassenen neemt toe met de leeftijd. Mensen in het Waalse gewest zijn minder fysiek actief dan de twee andere gewesten ongeacht het geslacht. Vrouwen uit het Brussels hoofdstedelijk gewest zijn vaker fysiek actief dan die uit de andere gewesten. Er werden geen sociaaleconomische verschillen waargenomen in het percentage van de bevolking dat tenminste “minimaal fysiek actief” is.
Het percentage van de bevolking waarbij de fysieke activiteit voldoende is om een positieve impact te hebben op de gezondheid is zeer laag en behelst slechts 28% van de populatie (18-64 jaar). Mannen beoefenen twee keer meer gezondheidsbevorderende fysieke activiteit dan vrouwen. De regionale verschillen zijn klein, met een lichtjes lager niveau van gezondheidsbevorderende fysieke activiteit in Wallonië.

2. Achtergrond

Een tekort aan lichaamsbeweging is een van de belangrijkste risicofactoren op het vlak van ziekte en sterfte, en dit voor een reeks van chronische ziekten zoals cardiovasculaire ziekten, kanker en diabetes. Regelmatige fysieke activiteit boven een bepaalde grenswaarde kan daarenboven de gezondheid significant bevorderen (we spreken dan van “gezondheidsbevorderende fysieke activiteit”). In België wordt aanbevolen om minstens 30 minuten per dag te wijden aan fysieke activiteit boven een bepaalde grenswaarde en dit minstens 5 dagen per week of om minstens 10,000 stappen per dag te wandelen [2].

Er is momenteel nog geen consensus over de methode om het niveau van fysieke activiteit te schatten op basis van zelfgerapporteerde gegevens: het gebruik van verschillende instrumenten en bovendien van verschillende drempelwaarden voor de indeling van de activiteitenniveaus maakt het zeer moeilijk om de resultaten van en tussen landen te vergelijken. In de Belgische gezondheidsenquête (HIS) wordt de fysieke activiteit gemeten met een korte versie van de International Physical Activity Questionnaire (IPAQ) [1]; de vragen omvatten alle soorten activiteit en meten hun intensiteit. In de Europese HIS van 2014 werd een andere vragenlijst (EHISPAQ) gebruikt. De vergelijking van de resultaten van België met de andere EU-lidstaten is tot op heden dan ook niet mogelijk.

In dit rapport hebben we de indicatoren gebruikt zoals gedefinieerd door IPAQ en de waarden berekend op basis van de HIS-enquêtegegevens:

3. Percentage van de bevolking met tenminste een minimale fysieke activiteit

België

In België zijn mannen fysiek actiever dan vrouwen: 69% van de mannen en 56% en de vrouwen waren tenminste minimaal fysiek actief. Met andere woorden 31% van de mannen en 44% van de vrouwen is dus onvoldoende fysiek actief.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage volwassen mannen (18-64) minstens minimaal fysiek actief en met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit*, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]
(*) De som van het aantal mensen dat minimaal fysiek actief is en het aantal mensen met gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging is gelijk aan het aantal mensen dat minstens minimaal fysiek actief is.

Percentage volwassen vrouwen(18-64) minstens minimaal fysiek actief en met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit*, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]
(*) De som van het aantal mensen dat minimaal fysiek actief is en het aantal mensen met gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging is gelijk aan het aantal mensen dat minstens minimaal fysiek actief is.

Het percentage van de bevolking dat ten minste minimaal fysiek actief is, is in de periode 2001-2013 weinig veranderd.

Bij zowel mannen als vrouwen, neemt het percentage van de bevolking dat tenminste minimaal fysiek actief is, af met de leeftijd:

  • Bij mannen neemt het af van 85% in de groep 15-24 jaar naar 61% in de groep 55-64 jaar.
  • Bij vrouwen neemt het af van 70% in de groep 15-24 jaar naar 43% in de groep 55-64 jaar (hierbij zien we wel een uitzondering in de groep van 45-54 jaar bij dewelke een lichte stijging werd waargenomen).
Percentage volwassenen (18–64) ten minste minimaal fysiek actief, volgens geslacht en leeftijdsgroep, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

Trends en regionale verschillen

In 2013 was het percentage mannen dat tenminste minimaal fysiek actief is, hoger in Brussel (74%) en in Vlaanderen (73%) dan in Wallonië (61%). De geografische verschillen waren meer uitgesproken bij vrouwen met een significant grotere proportie vrouwen die minstens minimaal actief zijn in Brussel (71%) en Vlaanderen (60%) dan in Wallonië (46%).

Sinds 2001 zijn mensen in Brussel fysiek actiever dan in de andere regio’s. Dit geldt voornamelijk voor vrouwen. Het percentage van de bevolking dat tenminste minimaal fysiek actief is, nam af in Wallonië ongeacht het geslacht, terwijl deze in de andere regio’s is toegenomen. Het percentage van mannen dat tenminste minimaal fysiek actief is, was in 2001 en 2004 het laagst in Vlaanderen doch deze is nadien sterk gestegen tot eenzelfde niveau als Brussel in 2008. Bij vrouwen bleven de regionale verschillen nagenoeg gelijk in de tijd.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage volwassen mannen (18-64) minstens minimaal fysiek actief is, België en volgens regio, 2001-2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

Percentage volwassen vrouwen (18-64) minstens minimaal fysiek actief is, België en volgens regio, 2001-2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

Verschillen volgens opleidingsniveau

In tegenstelling tot andere risicofactoren voor de gezondheid, werd noch voor mannen noch voor vrouwen, een sociaaleconomische gradiënt waargenomen voor fysieke activiteit.

Percentage minstens minimaal fysiek actieve volwassenen (18-64), volgens geslacht en opleidingsniveau, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

4. Percentage van de bevolking met een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit

België

In België heeft 29% van de bevolking voldoende lichaamsbeweging om een positieve impact op de gezondheid te hebben. In 2013, beoefenden mannen (39%) twee keer zo vaak een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit dan vrouwen (21%) (geslachtsverhouding is 1.9).

Het percentage mannen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefenen bleef gedurende de periode van 2001-2013 net onder 40%. Bij vrouwen is het percentage significant gedaald tussen 2001 (29%) en 2013 (21%).

Trends en regionale verschillen

In 2013 was het percentage mannen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefenen net onder de 40% en nagenoeg gelijk in de drie regio’s. Bij vrouwen daarentegen was het percentage in Brussel (25%) en in Vlaanderen (22%) hoger dan in Wallonië (17%).

Bij mannen convergeren de percentages van de drie regio’s van mensen die een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit uitvoeren, wat resulteert in een vergelijkbaar niveau in 2013. Bij vrouwen daarentegen zijn de regionale verschillen in 2013 over het algemeen groter dan in de voorgaande jaren.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage volwassen mannen (18–64) met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, België en volgens regio, 2001–2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

Percentage volwassen vrouwen (18–64) met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, België en volgens regio, 2001–2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

De geslachtsverhouding voor gezondheidsbevorderende fysieke activiteit was het hoogste in Wallonië (2.2), wat betekent dat de verschillen tussen mannen en vrouwen hier het meest uitgesproken waren. De geslachtsverhouding was het laagst voor het Brussel (1.5).

Geslachtsverhouding (mannen/vrouwen) bij volwassenen met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, volgens regio, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

Verschillen volgens opleidingsniveau

De gebruikelijke sociaaleconomische gradiënt werd niet waargenomen voor gezondheidsbevorderende fysieke activiteit. Enkel bij mannen met een secondaire opleiding, is het percentage mannen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefenen iets hoger, maar dit verschil is niet significant.

Het percentage vrouwen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefent ligt voor alle opleidingsniveaus rond de 18%.

Percentage van de bevolking (18-64 jaar) met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, volgens geslacht en opleidingsniveau, 2013, België
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

Metabolic Equivalent of Task (MET)
Het “metabolisch equivalent of task” (MET) wordt algemeen gebruikt als maatstaf voor de intensiteit van fysieke activiteit. Het MET is de verhouding van het actief metabolisme van een persoon tot zijn metabolisme in rust. Het is de hoeveelheid energie verbruikt in functie van het soort sport en de snelheid waarmee deze sport beoefend wordt. De MET-minuten worden bekomen door de MET-waarde te vermenigvuldigen met het aantal minuten gedurende de welke de activiteit wordt beoefend.
Percentage van de bevolking tenminste minimaal fysieke actief
Volgens de IPAQ-grenswaarde is de bevolking die minimaal fysiek actief is het deel van de bevolking dat aan één van volgende criteria voldoet:
• 3 dagen of meer intensieve activiteit gedurende minstens 20 minuten per dag, OF
• 5 dagen of meer matige training of wandelen gedurende minstens 30 minuten per dag, OF
• 5 dagen of meer een combinatie van wandelen, matig intensieve of intensieve activiteit waarbij een minimum van minstens 600 MET-min/week aan fysieke activiteit bereikt wordt..
Percentage van de bevolking met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit
Volgens de IPAQ-grenswaarde is het percentage van de bevolking met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, het percentage van de bevolking dat aan één van volgende twee criteria voldoet:
• Intensieve activiteit gedurende minstens drie dagen met een totaal van minimum 1500 MET-minuten/week, OF
• 7 dagen per week een combinatie van wandelen, matig intensieve activiteit of intensieve activiteit met een totaal van minstens 3000 MET-minuten/week.

Referenties

  1. International Physical Activity Questionnaire. www.ipaq.ki.se
  2. Vlaams Instituut voor Gezond Leven. https://www.gezondleven.be/projecten/10-000-stappen
  3. Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013. https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/PA_NL_2013.pdf
  4. Metabolic Equivalent of Task (MET). http://www.who.int/dietphysicalactivity/physical_activity_intensity/en/
  5. IPAQ threshold. https://sites.google.com/site/theipaq/scoring-protocol