Ongelijkheden in sterfte

1. Kernboodschappen

In de periode 2015-2019 constateerden we een sterke inkomensgradiënt in het sterftecijfer; ook voor andere socio-economische indicatoren stelden we dit vast.
Tijdens de eerste golf van de COVID-19-crisis:

  • bleef voor personen tussen 40 en 64 jaar de sterfte in elke inkomensgroep stabiel waardoor er geen veranderingen waargenomen werd in de sterfteongelijkheid.
  • steeg het sterftecijfer bij de 65-plussers in alle inkomensgroepen, de stijging in sterfte was echter het grootste bij de laagste inkomensgroep. Dit heeft geleid tot een toename van de inkomensongelijkheid bij personen van 65 jaar en ouder.

De bijdrage van specifieke aandoeningen aan ongelijkheden in vroegtijdige sterfte (onder de leeftijd van 75 jaar) bij mannen was het grootst voor longkanker, ischemische hartziekten, zelfmoord en chronisch obstructieve longlijden (COPD). Bij vrouwen was de bijdrage het grootst voor ischemische hartaandoeningen, longkanker, cerebrovasculaire aandoeningen en COPD.

2. Achtergrond

Sociaaleconomische (SE) ongelijkheden in gezondheid reflecteren systematische verschillen in de gezondheid tussen SE groepen, meestal in het nadeel van de minder bevoorrechte SE groep. In geïndustrialiseerde landen werden er consistent ongelijkheden vastgesteld in gezondheid voor een waaier aan gezondheids-thema’s zoals gezondheidsdeterminanten en mortaliteit [1,2]. Het aanpakken van ongelijkheden is een prioriteit voor zowel de Wereldgezondheidsorganisatie [3], de Europese Unie [4], als België [5–7]. Om de doelstelling van volledige gelijkheid te behalen, is het belangrijk om ongelijkheden op te volgen [8,9].

Sociaaleconomische ongelijkheden kunnen worden berekend aan de hand van verschillende SE-indicatoren, zoals het inkomensniveau, het opleidingsniveau of het beroep, of doormiddel van een samengestelde score die verschillende SE-indicatoren combineert. Het uitdrukken van SE-ongelijkheden gebeurt in absolute verschillen (hier: het verschil in sterftecijfers tussen de minst en de meest bevoorrechte groepen) of in relatieve verschillen (hier: de verhouding tussen de sterftecijfers van de minst bevoorrechte groepen ten opzichte van de meest bevoorrechte groepen). In deze informatiefiche beschrijven we de methodologische details hieromtrent.

Naast ongelijkheden in de algemene sterftecijfers per sociaaleconomische groep hebben wij ook ongelijkheden in oversterftecijfers onderzocht. De oversterfte tijdens de COVID-19-crisis in vergelijking met het gemiddelde sterftecijfer over de voorafgaande 5 jaar als referentie kan worden uitgedrukt in absolute termen (het verschil in sterftecijfers tussen de COVID-19-periode en de referentieperiode, in dit geval 2015-2019) of in relatieve termen met een "P-score" (gedefinieerd als de oversterftecijfers gedeeld door het referentiesterftecijfer). Verschillende studies hebben recente ongelijkheden in algemene sterfte door alle oorzaken beschreven [10-12]. De besproken resultaten zijn grotendeels afkomstig uit de studie van Decoster et al [11] en belichten de veranderingen van de inkomensongelijkheid in sterfte tijdens de COVID-19-crisis. De ongelijkheden in specifieke sterfte (door een bepaalde aandoening) zijn gebaseerd op studies [13,14].

3. Resultaten

Ongelijkheden in sterfte door alle oorzaken

Inkomensongelijkheden
Gedurende de periode 2015-2019

In de pre-COVID-19-periode (2015-2019) konden we reeds een sterke gradiënt in sterfte op basis van inkomen vaststellen [11].

Voor mannen tussen 40 en 64 jaar bereikte de absolute ongelijkheid (Slope Index of Inequality = SII), 185 sterftes per 100.000 persoonsjaren (100.000 persoonjaren komt overeen met het opvolgen van 1000 personen gedurende een periode van 100 jaar). Dit betekent dat het sterftecijfer bij de laagste inkomensgroep 185 sterftes (per 100.000 persoonsjaren) hoger lag dan het sterftecijfer bij de hoogste inkomensgroep. De relatieve ongelijkheid, gemeten met de relatieve index van ongelijkheid (Relative Index of Inequality = RII), bedroeg 5,3. Dit houdt in dat het sterftecijfer in deze leeftijdsgroep 5,3 keer hoger was bij de minst bevoorrechte groep ten opzichte van de meest bevoorrechte groep. Ook bij vrouwen van 40-64 jaar blijven de ongelijkheden groot, hoewel ze iets kleiner zijn in vergelijking met mannen, met een SII van 93 sterftes per 100.000 persoonjaren en een RII van 3,9.

Voor mannen van 65 jaar en ouder bedroeg de SII 596 sterftes per 100.000 persoonsjaren met een RII van 1,76. Voor vrouwen van 65 jaar en ouder was de SII 499 sterftes per 100.000 persoonjaren met een RII van 2,05.

Gedurende de eerste golf van de COVID-19-crisis (maart-mei 2020)

Het effect van de eerste golf van COVID-19 op ongelijkheden in sterfte hangt af van de onderzochte leeftijdsgroepen. In de eerste COVID-19-golf zijn bij mannen en vrouwen tussen 40 en 64 jaar uit alle inkomensgroepen de sterftecijfers niet veranderd in vergelijking met de referentieperiode. De ongelijkheden zijn dan ook niet gewijzigd.

Daarentegen zijn tijdens de COVID-19-maanden de sterftecijfers voor mannen en vrouwen van 65 jaar en ouder uit alle inkomensgroepen wel significant gestegen. Deze oversterfte was ongelijk verdeeld: in absolute cijfers, steeg de sterfte meer in de laagste inkomensgroepen (oversterfte van +350 per 100.000 persoonsjaren) in vergelijking met de hoogste inkomensgroepen (oversterfte van +150 per 100.000 persoonsjaren). Tegelijkertijd was de relatieve oversterfte (d.w.z. de oversterfte in het bestudeerde jaar gedeeld door de referentiesterfte of de "P-score") vrij gelijkaardig bij alle inkomensniveaus. Er kon dus geen significante gradiënt worden waargenomen. Dit zwakkere effect van ongelijke sterfteveranderingen op de relatieve dan op de absolute cijfers wordt verwacht wanneer de sterfte toeneemt: de proportionele verandering wordt immers minder beïnvloed door een toename van de sterfte in groepen met een hoog sterftecijfer in vergelijking met groepen met een lager sterftecijfer.

Dit leidde tot een stijging van de absolute verschillen in sterftecijfers (op basis van de SII), waarbij de SII 791 en 672 sterftes per 100.000 persoonsjaren bedroeg bij respectievelijk mannen en vrouwen van 65+ (versus 596 en 499 tijdens de referentie periode). De stijging van de relatieve verschillen in sterfte (op basis van de RII) was minder uitgespreken en ging van 1,76 naar 1,86 bij mannen en van 2,05 naar 2,31 bij vrouwen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Sterftecijfers volgens inkomensdeciel bij mannen van 65 jaar en ouder, periode 2015-2019 versus de eerste golf van de COVID-19-crisis, België
Bron: Decoster et al. [11] 

Sterftecijfers volgens inkomensdeciel bij vrouwen van 65 jaar en ouder, periode 2015-2019 versus de eerste golf van de COVID-19-crisis, België
Bron: Decoster et al. [11] 

  • Mannen
  • Vrouwen

Absolute oversterfte volgens inkomensdeciel bij mannen van 65 jaar en ouder, periode 2015-2019 versus de eerste golf van de COVID-19-crisis, België
Bron: Decoster et al. [11] 

Absolute oversterfte volgens inkomensdeciel bij vrouwen van 65 jaar en ouder, periode 2015-2019 versus de eerste golf van de COVID-19-crisis, België
Bron: Decoster et al. [11] 

  • Mannen
  • Vrouwen

Relatieve oversterfte (P-score) volgens inkomensdeciel bij mannen van 65 jaar en ouder, periode 2015-2019 versus de eerste golf van de COVID-19-crisis, België
Bron: Decoster et al. [11] 

Relatieve oversterfte (P-score) volgens inkomensdeciel bij vrouwen van 65 jaar en ouder, periode 2015-2019 versus de eerste golf van de COVID-19-crisis, België
Bron: Decoster et al. [11] 

Andere socio-economische indicatoren

In dit deel beschrijven we de resultaten voor de ongelijkheden in algemene sterfte door alle oorzaken tijdens de eerste golf van de COVID-19-crisis in vergelijking met de voorgaande jaren volgens andere SE-indicatoren.

Voor de periode 2011-2015 werden de ongelijkheden in sterfte door alle oorzaken voor verschillende SE-indicatoren berekend door Aerden et al. en samengevat als ongelijkheden in levensverwachting [10].

Veranderingen in ongelijkheden volgens opleidingsniveau, eerste golf van de COVID-19-crisis (maart-mei 2020)

Volgens Decoster et al. [11] zijn de opleidingsongelijkheden in sterfte bij mensen jonger dan 65 jaar, evenals de inkomensongelijkheden, tijdens de COVID-19-crisis onveranderd gebleven.

Voor de 65-plussers is het verschil in sterfte op basis van opleiding tijdens de COVID-19-crisis sterker geworden en was de toename in ongelijkheid zelfs meer uitgesproken dan de ongelijkheid vastgesteld op basis van het inkomen. De toename van de ongelijkheid op basis van opleidingsniveau werd zowel voor de absolute als voor de relatieve ongelijkheden geconstateerd.

Veranderingen in ongelijkheden volgens een multidimensionale indicator, eerste twee golven van de COVID-19-crisis (respectievelijk maart-mei 2020 & october-november 2020)

Bourguignon et al [12] onderzocht het verband tussen de oversterfte bij 80-plussers en een samengestelde SE indicator in de eerste twee golven van de COVID-19-crisis. Ze kwam tot een andere conclusie voor de 80-plussers dan voor de jongere leeftijdsgroepen, met name een grotere toename van het sterftecijfer in de meest bevoorrechte groep in vergelijking met de minst bevoorrechte groep. Deze waarneming zou deels het resultaat kunnen zijn van een selectie-effect voor gezondheid, waarbij personen in de laagste SE-groep die een hoge leeftijd hebben bereikt, minder kwetsbaar zijn. Hierdoor lijkt er een vermindering of zelfs een omkering van de gezondheidsongelijkheden te ontstaan. Personen van wie de SE-status niet bepaald kan worden, hebben eveneens het hoogste sterftecijfer, wat er toe leidt dat het vertekend effect vergroot, aangezien zij waarschijnlijk tot de minst bevoorrechte groep behoren.

Ongelijkheden in specifieke mortaliteit

Gedurende de periode 2011-2015

Een studie van Eggerickx et al. [14] geeft de ongelijkheden volgens groepen van doodsoorzaken (Causes of death = COD) en leeftijd in de periode 2011-2015 weer, uitgedrukt als de verhouding van de kans om te overlijden in de verschillende SE-groepen (die groepen worden afgeleid uit een samengestelde SE-score die in kwartielen is verdeeld) ten opzichte van de hoogste SE-groep. Dit is een relatieve maatstaf voor ongelijkheid.

Voor elke COD-groep en op elke leeftijd wordt een sociale gradiënt in het sterfterisico waargenomen: hoe hoger de SE-groep, hoe lager het risico op sterfte. De relatieve SE-ongelijkheden per COD-groep waren het grootst voor ziekten die verband houden met het ademhalingsstelsel en de bloedsomloop.

De relatieve SE-ongelijkheden nemen in sterkte af met de leeftijd. Een gezondheidsselectie-effect – waarbij verondersteld wordt dat personen in de laagste SE-groep die een hogere leeftijd hebben bereikt minder kwetsbaar zijn, waardoor de sterfteongelijkheid afneemt – zou hier eveneens een rol kunnen spelen. Het verschil in absolute en relatieve ongelijkheid kan deels verklaard worden doordat er op jonge leeftijd weinig sterftes zijn in de minst en meest bevoorrechte SE-groep, waardoor de absolute ongelijkheid steeds klein zal zijn, terwijl de relatieve ongelijkheid groot kan zijn.

Bijdrage van specifieke doodsoorzaken aan de ongelijkheid in vroegtijdige sterfte, periode 2001-2006

Een eerdere studie van Renard et al. [13] onderzocht de bijdrage van specifieke doodsoorzaken aan de totale ongelijkheid in vroegtijdige sterfte op een leeftijd jonger dan 75 jaar op bevolkingsniveau. Bij mannen was de bijdrage het grootst voor longkanker, coronaire hartziekten, zelfdoding en chronische obstructieve longlijden (Chronic Obstructive Pulmonary Disease=COPD); bij vrouwen was de bijdrage van coronaire hartziekten, longkanker, cerebrovasculaire ziekten en COPD het grootst. Deze studie geeft aan voor welke doodsoorzaken een vermindering van de ongelijkheid de gehele bevolking het meest ten goede zou komen door het algemene niveau van vroegtijdige sterfte te verlagen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Rangschikking van doodsoorzaken volgens hun bijdrage aan ongelijkheden in vroegtijdige sterfte bij mannen, gemeten als toerekenbare fracties voor de bevolking, België, 2001
Bron: Eigen berekeningen op basis van de volkstelling 2001 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar

Rangschikking van doodsoorzaken volgens hun bijdrage aan ongelijkheden in vroegtijdige sterfte bij mannen, gemeten als toerekenbare fracties voor de bevolking, België, 2001
Bron: Eigen berekeningen op basis van de volkstelling 2001 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar

4. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Referenties

  1. Mackenbach J. Health inequalities: Europe in profile. Expert Report commissioned by the EU. Department of Health Publications; 2006.
  2. Feinstein JS. The relationship between socioeconomic status and health : A review of the literature. The Milkbank Quarterly. 1993.
  3. WHO Commission on Social Determinants on Health. Closing the gap in a generation: health equity through action on the social determinants of health. Geneva: WHO; 2008.
  4. Executive Agency for Health and Consumer. Second Programme of Community Action in the Field of Health 2008-2013. European Commission; 2007.
  5. Vlaamse overheid. Vlaamse Actieplan Geestelijke Gezondheid, Strategisch plan 2017-2019. 2017.
  6. Gouvernement wallon. Plan prévention et promotion de la santé en Wallonie. Partie 1: définition des priorités en santé. Namur; 2017.
  7. Arrêté royal du 18 juillet 2013 portant fixation de la vision stratégique fédérale à long terme de développement durable: http://www.etaamb.be/fr/arrete-royal-du-18-juillet-2013_n2013011468.html. Moniteur Belge. 2013 Oct 8;
  8. Braveman PA. Monitoring equity in health and healthcare: a conceptual framework. JHealth PopulNutr. 2003.
  9. Maeseneer JD, Willems S. Terugdringen Sociale Gezondheidskloof: van concept naar politieke implementatie. Gent: Ghent University; 2021.
  10. Aerden KV, Damiens J, Moortel DD, Eggerickx T, Gourbin C, Huegaerts K, et al. Causes of health and mortality inequalities in Belgium: multiple dimensions, multiple causes. 
  11. Decoster A, Minten T, Spinnewijn J. The Income Gradient in Mortality during the Covid-19 Crisis: Evidence from Belgium. J Econ Inequal. 2021.
  12. Bourguignon M, Damiens J, Doignon Y, Eggerickx T, Fontaine S, Lusyne P, et al. Variations spatiales et sociodémographiques de mortalité de 2020-2021 en Belgique. L’effet de la pandémie Covid-19, Document de travail 27. Louvain-la-Neuve: Centre de recherche en démographie; 2021.
  13. Renard F, Tafforeau J, Deboosere P. Premature mortality in Belgium in 1993-2009: leading causes and 15 years changes. 2014. doi: 10.1186/2049-3258-72-34
  14. Eggerickx T, Sanderson J-P, Vandeschrick C. Mortality in Belgium from nineteenth century to today: Quetelet Journal. 2020.