Geestelijke gezondheidszorg

Net zoals in de meeste geïndustrialiseerde landen is de sector van de geestelijke gezondheidszorg in België meerdere keren hervormd sinds het einde van de 20e eeuw. Het doel van deze hervormingen was om mensen met psychische problemen zoveel mogelijk te behandelen in hun eigen omgeving en sociale structuur. De focus werd dus op een toenemende integratie van de zorg in de leefomgeving gelegd en niet meer op psychiatrische instellingen (deïnstitutionalisering).

In België is de situatie van de geestelijke gezondheidszorg vrij complex, aangezien deze bevoegdheid is geregionaliseerd. Nu is het zo dat de federale overheid verantwoordelijk is voor de financiering van psychiaters en psychiatrische afdelingen in ziekenhuizen, terwijl de gemeenschappen en gewesten verantwoordelijk zijn voor de organisatie en financiering van poliklinische geestelijke gezondheidszorg. De meeste zelfstandige klinisch psychologen worden door geen van beide gedekt. Het gevolg van deze verdeling van bevoegdheden is dat er geen gestandaardiseerde gegevensbron is voor het volledige systeem voor geestelijke gezondheidszorg. Met name het gebrek aan een unieke identificatiecode voor patiënten maakt het niet mogelijk om patiënten te volgen binnen de geestelijke gezondheidszorg, in het bijzonder voor poliklinische zorg. Bijgevolg blijft het evalueren van de prestaties van de geestelijke gezondheidszorgsector heel lastig.

In dit verslag hebben we 11 indicatoren weerhouden die verband houden met geestelijke gezondheid. Deze geven echter geen volledig beeld van de prestaties van de geestelijke gezondheidszorg. Twee ervan zijn contextuele indicatoren (het aantal zelfmoorden in België en het aantal opnamedagen in een psychiatrische afdeling) en de andere zijn gebaseerd op bepaalde dimensies van ons conceptueel model:

  • toegankelijkheid, aan de hand van het aantal praktiserende psychiaters en de wachttijd voor een afspraak in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg;
  • kwaliteit van de zorg en in het bijzonder de gepastheid ervan, aan de hand van het aantal gedwongen opnames in de psychiatrie en het aantal bezoeken aan de spoedafdeling van ziekenhuizen vanwege geestelijke gezondheidsproblemen, maar ook aan de hand van een analyse van de voorschriften voor antidepressiva;
  • continuïteit, aan de hand van het aantal heropnames in ziekenhuizen in de 30 dagen die volgen op ontslag uit een psychiatrische afdeling.
Indicatoren van geestelijke gezondheidszorg
(ID) indicatorScoreBELJaarVlaWalBruBron

EU-15 gemiddelde

Gezondheidstoestand
MH-1 Overlijdens door zelfdoding
(/100 000 inwoners)
red empty 16,6 2015 16,0 19,8 10,2 (a) SPMA 10,2 (1)
Toegankelijkheid van zorg
MH-2 Praktiserende psychiaters
(/1 000 inwoners)
0,17 2016 - - - RIZIV 0,19 (1)
MH-3 Wachttijd > 1 maand voor 1e contact
in ambulant centrum voor ggz
(% van populatie met contact in ambulant
centrum voor ggz)
red deteriorating - 2017 44 - - VAZG -
Gepastheid van zorg
MH-4 Percentage onvrijwillige opnames
in psychiatrische ziekenhuisafdelingen
(/10 000 inwoners)
7,3 2016 7,1 6,3 10,3 MPG -
MH-5 Bezoeken aan spoedafdeling om
sociale of psychische reden
(% opnames in spoedafdeling van algemene ziekenhuizen)
orange stable 1,6 2016 1,7 1,5 1,4 MPG -

MH-11 
NEW 2019

Heropnames binnen 30 dagen in psychiatrische ziekenhuizen (in hetzelfde ziekenhuis) (%) orange empty 14,1 2016 14,7 11,1 11,1 (a) MZG -
Gepastheid van voorschrijfgedrag bij ambulante patiënten
MH-6 Gebruik van antidepressiva (totale DDD/1 000 inwoners/dag) 79,0 2016 71,8 98,6 62,3 Farmanet 70,2 (1)
MH-7 Gebruik van antidepressiva (% van volwassen populatie, tenminste een keer per jaar) 13,1 2016 11,9 16,2 11,2 Farmanet -
MH-8 Kortetermijnbehandeling (< 3 maanden) van antidepressiva (% van populatie onder antidepressiva) red improving 42,6 2016 43,2 41,3 43,7 IMA -
Veiligheid van voorschrijfgedrag bij ambulante patiënten
MH-9 Patiënten (65+ jaar) die antidepressiva met anticholinergische nevenwerkingen nemen (%)  red improving 12 2016 10 15 14 IMA -
Contextuele indicator
MH-10 Aantal hospitalisatiedagen in psychiatrische ziekenhuisafdelingen (/1 000 inwoners) 351 2016 381 293 261 MPG -

(a) onderschatting, (1) OESO Health Statistics 2018

Aantal zelfmoorden (MH-1)

Zelfmoord kan het resultaat zijn van een combinatie van een heleboel uiteenlopende psychologische, sociale en demografische factoren, zoals crisisperiodes als gevolg van ingrijpende veranderingen in persoonlijke relaties (relatiebreuken, rouw), maar ook alcohol- en drugsmisbruik, werkloosheid, depressie of andere geestelijke aandoeningen. Daarom wordt het zelfmoordcijfer vaak gebruikt als indirecte indicator voor de geestelijke gezondheid van een bevolking, maar omdat het een onstabiele indicator is die niet eenvoudig te meten is blijft deze indicator controversieel. Een vaak gehoord verwijt met betrekking tot deze indicator is dat er geen verband bestaat tussen zelfmoord en de kwaliteit van de geleverde zorg. Deze contextuele indicator moet dus in een ruimer kader worden geïnterpreteerd, in combinatie met andere indicatoren die verband houden met de geestelijke gezondheid. Toch is het duidelijk dat er ruimte is voor verbetering, bijvoorbeeld bij het opvolgen van patiënten.

RESULTATEN
  • Tussen 2000 en 2015 is het zelfmoordcijfer in België lichtjes gedaald: in 2000 ging het om 21,3 per 100.000 inwoners en in 2015 om 16,6.
  • De zelfmoordcijfers zijn hoger in Wallonië (19,8% in 2016) dan in Vlaanderen (16,0%) en in Brussel (10,2%) en dit cijfer blijft in de loop der jaren stabiel. We zien echter ook grote verschillen binnen de regio's (Figuur 1). Het verrassend lage cijfer in Brussel zou te wijten kunnen zijn aan gegevensartefacten.
  • Het zelfmoordcijfer is hoger in België dan in andere Europese landen.
Figuur 1 - Overlijdens door zelfdoding per 100 000 inw. (2000-2015)
Gegevensbron: Sciensano (SPMA: Standardized Procedures for Mortality Analysis – Belgium)
Note: De daling in Brussel is gedeeltelijk een artefact.

Figuur 2 - Overlijdens door zelfdoding per provincie (2015)
Brongegevens: Sciensano (SPMA: Standardized Procedures for Mortality Analysis – Belgium)
Note: De daling in Brussel is gedeeltelijk een artefact.

Overlijdens door zelfdoding per provincie (2015)
Figuur 3 - Voortijdige sterfte door zelfdoding bij mannen (1-74 jaar oud) (2003-2009)
Brongegevens: Renard et al., 2015
Voortijdige sterfte door zelfdoding bij mannen (1-74 jaar oud) (2003-2009)
Figuur 4 - Sterftecijfer door zelfdoding (per 100 000 inwoners): internationale vergelijking (2000-2015)
Brongegevens: OESO Health Statistics 2018
Sterftecijfer door zelfdoding (per 100 000 inwoners): internationale vergelijking (2000-2015)
Figuur 5 - Sterftecijfer door zelfdoding (per 100 000 inwoners): internationale vergelijking (2015)
Brongegevens: OESO Health Statistics 2018
Sterftecijfer door zelfdoding (per 100 000 inwoners): internationale vergelijking (2015)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Aantal praktiserende psychiaters (per 1000 inwoners) (MH-2)

Mensen met geestelijke gezondheidsproblemen kunnen hulp krijgen van verschillende professionals, maar de internationale indicatoren zijn vooral gericht op psychiaters. Dat is zo vanwege hun centrale rol in het systeem van de geestelijke gezondheidszorg, maar ook omdat er minder gegevens beschikbaar zijn over andere professionals, zoals psychologen.

Onder psychiaters verstaan we artsen die zich gespecialiseerd hebben in de psychiatrie. Ze kunnen ook een aanvullende opleiding hebben gevolgd in een subspecialisatie van de psychiatrie (zoals kinderpsychiatrie). Neuropsychiaters en neurologen zijn niet opgenomen.

Het aantal praktiserende psychiaters is een weerspiegeling van de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg.

RESULTATEN
  • In 2016 waren er 1958 praktiserende psychiaters in ons land, wat neerkomt op 0,17 psychiaters per 1000 inwoners. Deze dichtheid is stabiel sinds 2000.
  • De dichtheid van psychiaters is hoger in Brussel (0,33 / 1000 inwoners) dan in Vlaanderen (0,15 / 1000 inwoners) of Wallonië (0,16 / 1000 inwoners). Deze cijfers zijn echter gebaseerd op de woonplaats van de psychiaters, wat weinig informatie biedt over hun effectieve werklocatie.
  • Het aantal praktiserende psychiaters in België is lager dan het Europese gemiddelde (0,19 / 1000 inwoners in 2016).
Figuur 6 - Aantal praktiserende psychiaters per 1000 inwoners (2016)
Gegevensbron: RIZIV (gebaseerd op het woonadres van de psychiater)
Aantal praktiserende psychiaters per 1000 inwoners (2016)
Figuur 7 - Aantal praktiserende psychiaters per 1000 inwoners: internationale vergelijking (2000-2016)
Gegevensbron: OECD health statistics 2018
Aantal praktiserende psychiaters per 1000 inwoners: internationale vergelijking (2000-2016)
Figuur 8 - Aantal praktiserende psychiaters per 1000 inwoners: internationale vergelijking (2016)
Gegevensbron: OECD health statistics 2018
Aantal praktiserende psychiaters per 1000 inwoners: internationale vergelijking (2016)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Wachttijd voor een eerste afspraak bij een dienst voor geestelijke gezondheidszorg (MH-3)

Lange wachttijden zijn een teken aan de wand dat er een probleem is met de toegankelijkheid van de zorg. Wanneer het om geestelijke gezondheid gaat, kan een te lange wachttijd gevolgen hebben voor de fysieke toestand van de persoon en kan zelfs het risico op een ziekenhuisopname of zelfmoord toenemen. We weten ook dat hoe langer de wachttijd is, hoe minder patiënten naar de afspraak komen. Tijdige toegang tot geestelijke gezondheidszorg kan daarom worden beschouwd als een sleutelelement in de verbetering van het systeem van de geestelijke gezondheidszorg.

Zoals eerder uitgelegd, zijn er geen uniforme gegevensbronnen wat geestelijke gezondheidszorg betreft, aangezien deze bevoegdheid verdeeld is over het federaal en regionaal niveau. In dit verslag gebruiken we gegevens die voor Vlaanderen gepubliceerd zijn (Agentschap Zorg en Gezondheid).  De 20 diensten voor geestelijke gezondheidszorg die afhankelijk zijn van de Vlaamse overheid moeten twee keer per jaar een aantal gegevens indienen op basis van hun elektronische patiëntendossiers; wachttijden maken daar deel van uit.

RESULTATEN
  • Bijna de helft van de patiënten moet een maand of langer wachten voor hun eerste afspraak (44% in 2017) en dat percentage is mettertijd toegenomen (30% in 2009). (gegevens uitsluitend voor Vlaanderen)
  • Gemiddeld zijn de wachttijden het langst bij diensten voor geestelijke gezondheidszorg voor mentaal gehandicapten en voor kinderen en adolescenten; de kortste wachttijden zien we bij diensten voor geestelijke gezondheidszorg voor ouderen.
Figuur 9 - Wachttijd voor ambulante centra voor geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen, eerste contact (2013-2017)
Brongegevens: EPD 2013-2017 (Agentschap Zorg en Gezondheid)
Wachttijd voor ambulante centra voor geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen, eerste contact (2013-2017)
Figuur 10 - Wachttijd voor ambulante centra voor geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen, eerste contact (2013-2017) , per type of zorg (2017)
Brongegevens: EPD registration data, 2017 (Agentschap Zorg en Gezondheid)
Waiting time for first contact in ambulatory mental healthcare centres in Flanders, by type of care (2017)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Aantal gedwongen opnames in psychiatrische instellingen (MH-4)

Voor gedwongen opnames (of opnames ter observatie of vroegere collocaties) gelden specifieke voorwaarden, zoals vastgelegd in de wet van 1990: de persoon moet een psychische aandoening hebben, moet een gevaar vormen voor zichzelf of voor de maatschappij en er mag geen andere behandelingsmogelijkheid zijn, zoals een vrijwillige opname of een behandeling thuis.

Een belangrijke doelstelling van het systeem voor geestelijke gezondheidszorg is het bieden van behandelingen, begeleiding en bescherming die passen bij mensen die een ernstige psychische aandoening hebben en tegelijkertijd het aantal onnodige gedwongen opnames tot een minimum te beperken. Gedwongen opname is een indicatie van een crisisepisode, maar kan ook helpen te begrijpen in hoeverre het systeem van de geestelijke gezondheidszorg in staat is om complexere patiënten alternatieve vormen van zorg te bieden. We weten overigens dat het risico op gedwongen opname hoger is bij mensen die tot een etnische minderheid behoren.

Om psychiatrische patiënten beter te beschermen, hebben de meeste Europese landen hun wetten met betrekking tot de bescherming van geesteszieken hervormd en de criteria voor gedwongen opname herzien. Ondanks deze hervormingen zijn er verschillen tussen landen en tussen regio's als het gaat om de manier waarop deze modaliteit wordt gebruikt. In sommige West-Europese landen nemen de cijfers toe, zonder dat dit kan worden verklaard door een toegenomen aantal ernstige psychische problemen.

Een hoog aantal gedwongen opnames moet worden gezien als een teken van ontoereikende geestelijke gezondheidszorg.

RESULTATEN
  • Tussen 2002 en 2014 is het aantal gedwongen opnames per 10.000 inwoners in psychiatrische afdelingen gestegen van 4,85 tot 7,19.
  • Een gedwongen opname komt vaker voor bij mannen (9,25 / 10.000) dan bij vrouwen (5,21 / 10.000).
  • De verschillen tussen de regio's zijn ook belangrijk (cijfers uit 2014): 9,26 / 10.000 in Brussel; 7,28 / 10.000 in Vlaanderen; 5,90 / 10.000 in Wallonië.
Figuur 11 - Percentage onvrijwillige opnames in psychiatrische ziekenhuisafdelingen per 10 000 inw. (2000-2016)
Gegevensbron: FOD Volksgezondheid

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Gebruik van spoeddiensten voor psychische, sociale of psychologische problemen (MH-5)

Het gebruik van spoeddiensten voor redenen die verband houden met de geestelijke gezondheid en/of sociale kwesties wordt beschouwd als een indicator van slechte coördinatie van de zorg en het falen van de geestelijke gezondheidszorg in de gemeenschap. En inderdaad, als mensen die het moeilijk hebben toegang hebben tot poliklinische zorg en met een behandeling kunnen beginnen voordat er een crisissituatie ontstaat, zouden de spoeddiensten niet meer worden gebruikt als noodoplossing. Het overmatige gebruik van spoeddiensten voor mentale, sociale of psychologische problemen is ook een punt van zorg vanwege de verzadiging die het veroorzaakt bij deze diensten, met als gevolg een afname van de kwaliteit van de zorg en een verhoogd risico op medische fouten.

Het is noodzakelijk dat de spoeddiensten beschikken over gespecialiseerd personeel dat in staat is om psychologische en/of sociale crisissituaties het hoofd te bieden, of op zijn minst dat elke burger te allen tijde toegang heeft tot onmiddellijke geestelijke gezondheidszorg.

Een hoog aantal bezoeken aan de spoeddienst voor psychische en/of sociale problemen moet worden beschouwd als een teken van ontoereikende geestelijke gezondheidszorg.

RESULTATEN
  • Van de 3.506.831 opnames op de spoedafdeling in 2016 waren er 7374 voor een zelfmoordpoging (0,2%) en 55.164 voor sociale, mentale of psychiatrische redenen (1,6%). Deze percentages zijn relatief stabiel in de tijd (2012-2016).
  • In Wallonië is het aantal opnames voor zelfmoordpogingen relatief hoger (0,4%) dan in Brussel (0,1%) en Vlaanderen (0,1%), terwijl het aantal opnames voor sociale, mentale of psychische problemen hoger is in Vlaanderen (1,7%) dan in Brussel (1,6%) en Wallonië (1,4%).
Figuur 12 - Aandeel (%) van de bezoeken aan de spoeddiensten om sociale, psychische of psychische redenen of zelfmoordpogingen per arrondissement (2016)
Gegevensbron: Nationale feedback over het gebruik van spoeddiensten
Ontbrekende gegevens voor de arrondissementen Bastogne, Diksmuide, Philippeville, Virton en Waremme.

Aandeel (%) van de bezoeken aan de spoeddiensten om sociale, psychische of psychische redenen of zelfmoordpogingen per arrondissement (2016)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Voorschrijven en gebruik van antidepressiva (MH-6, MH-7, MH-8, MH-9)

Op basis van wereldwijde cijfers (WHO) wordt geschat dat tussen 4 en 10% van de bevolking op een bepaald moment in zijn of haar leven wordt getroffen door een depressie. Het gaat 1,5 tot 2,5 keer zo vaak om vrouwen dan om mannen. 

Overal in Europa zien we een toename van de voorschriften voor antidepressiva, maar de cijfers voor België zijn over het algemeen hoger dan het gemiddelde van de andere Europese landen. Waarom dat zo is, is niet helemaal duidelijk. Uit meerdere Belgische studies blijkt een ongepast gebruik (slechte indicatie, ongepaste duur, slechte keuze van geneesmiddel).

Antidepressiva zijn doeltreffende geneesmiddelen voor het behandelen van zware depressies, paniek- en angststoornissen en dwangstoornissen (OCD, Obsessive-Compulsive Disorders), maar ze zijn pas doeltreffend als ze gedurende ten minste 6 maanden worden gebruikt, idealiter in combinatie met psychotherapie. In theorie zijn ze niet aangewezen voor lichte depressies.

We hebben drie indicatoren weerhouden om de toepasselijkheid van het voorschrijven van antidepressiva te evalueren:

  • het totale volume voorgeschreven antidepressiva per 1000 inwoners per dag, uitgedrukt in Defined daily dose (DDD) (MH-6)
  • het percentage volwassenen die in het voorgaande jaar antidepressiva hebben genomen (MH-7)
  • het percentage behandelingen met antidepressiva van (te) korte duur (< 3 maanden) (MH-8)
  • het volume antidepressiva met anticholinerge werking die worden voorgeschreven aan patiënten die ouder zijn dan 65 (MH-9)

We moeten ook rekening houden met het feit dat antidepressiva ook worden voorgeschreven voor andere redenen dan depressie, zoals dwangstoornissen (OCD), angststoornissen, sociale fobie, posttraumatische stress of bepaalde vormen van chronische pijn.

RESULTATEN
Voorgeschreven volume antidepressiva per 1000 inwoners per dag (MH-6)
  • Het totale voorgeschreven volume per 1000 inwoners per dag is gestegen van 42 DDD in 2002 naar 79 DDD in 2016. Daarbij zijn aanzienlijke verschillen waargenomen tussen de regio's (hoger in Wallonië dan in Brussel en Vlaanderen).
  • Dezelfde opwaartse trend wordt in alle Europese landen waargenomen. België bevindt zich echter boven het Europese gemiddelde van 70 DDD per 1000 inwoners per dag.
Figuur 13 - Antidepressivaconsumptie by patiëntregio (DDD per 1000 inw. per dag, 2008-2016)
Gegevensbron: Pharmanet (INAMI-RIZIV)
Figuur 14 - Antidepressivaconsumptie by patiëntregio (DDD per 1000 inw. per dag), per arrondissement (2013)
Gegevensbron: Pharmanet (INAMI-RIZIV)
Antidepressivaconsumptie by patiëntregio (DDD per 1000 inw. per dag), per arrondissement (2013)
Figuur 15 - Antidepressivaconsumptie by patiëntregio: internationale vergelijking (DDD per 1000 inw. per dag, 2000-2017)
Gegevensbron: OECD health statistics 2018
Antidepressivaconsumptie by patiëntregio: internationale vergelijking (DDD per 1000 inw. per dag, 2000-2017)
Figuur 16 - Antidepressivaconsumptie by patiëntregio: internationale vergelijking (DDD per 1000 inw. per dag, 2016)
Gegevensbron: OECD health statistics 2018
Antidepressivaconsumptie by patiëntregio: internationale vergelijking (DDD per 1000 inw. per dag, 2016)
Percentage volwassenen die in het voorgaande jaar antidepressiva hebben genomen (MH-7)
  • Het percentage volwassenen die in het voorgaande jaar antidepressiva hebben genomen, is beduidend minder gestegen: van 12,3% in 2006 tot 13,1% in 2016. Er zijn echter wel grote verschillen tussen de regio's: 11,2% voor Brussel, 11,9% voor Vlaanderen en 16,2% voor Wallonië.
  • Dit percentage neemt duidelijk toe met de leeftijd, aangezien meer dan 20% van de volwassenen die antidepressiva nemen ouder dan 75 is. Het percentage is vooral hoog bij oudere mensen (65+) die langdurige zorg krijgen: 48,6% in woonzorgcentra en 37,5% bij thuiszorg versus 16,6% bij mensen die geen zorg nodig hebben. Antidepressiva hebben bovendien vaak een anticholinerge werking, met als gevolg een verhoogd risico op bijwerkingen bij oudere mensen (risico op vallen) – zie indicator ELD-10 (koppeling)
Percentage behandelingen met antidepressiva van (te) korte duur (MH-8)
  • Een groot aantal personen (42,6% in 2016) wordt gedurende een te korte periode met antidepressiva behandeld (< 3 maanden), maar het lijkt erop dat deze situatie zich weer aan het rechtzetten is, aangezien het cijfer in 2007 nog 49,3% bedroeg.
Volume antidepressiva met anticholinerge werking die worden voorgeschreven aan patiënten over 65 (MH-9)
  • Het voorschrijven van antidepressiva die bekendstaan om hun anticholinerge bijwerkingen (die valpartijen kunnen veroorzaken) aan oudere mensen stagneert op 12% voor het landelijke gemiddelde (Vlaanderen 10%, Wallonië 15%, Brussel 14%).
Figuur 17 - Percentage van de Belgische bevolking van ≥65 jaar voorgeschreven antidepressiva met anticholinerge effecten (>80 DDD/jaar) : evolutien (2011-2016)
Gegevensbron: Pharmanet (INAMI-RIZIV)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Aantal opnamedagen in een psychiatrische instelling (MH-10)

Net zoals in vele andere westerse landen zijn ook in België grondige hervormingen doorgevoerd in het domein van de geestelijke gezondheidszorg. Kort samengevat is het doel van deze hervormingen om te evolueren van een model dat is gebaseerd op grote geïsoleerde instellingen naar een model waarbij de zorg zo dicht mogelijk bij de natuurlijke leefomgeving van de patiënt wordt verleend. We kunnen ons dus verwachten aan een neerwaartse trend in het aantal opnamedagen in psychiatrische instellingen.

Deze contextuele indicator maakt het mogelijk om deze evolutie te identificeren.

RESULTATEN
  • Ondanks de inspanningen in het kader van de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg om de zorg zo dicht mogelijk bij de natuurlijke omgeving aan te bieden, is het aantal opnamedagen in psychiatrische instellingen tussen 2000 en 2016 gestegen van 305 tot 351 per 1000 inwoners.
  • De verschillen tussen de regio's zijn duidelijk, met een sterke stijging in Vlaanderen (in 2016 was het cijfer 19% hoger dan in 2000), een lichte stijging in Wallonië (+ 7%) en een afname in Brussel (-11%).
Figuur 18 - 30 dagen heropnamepercentage in psychiatrische ziekenhuizen of in psychiatrische diensten in het algemeen ziekenhuis, per patiëntenregio (2000-2016)
Gegevensbron: RPM – MPG

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Aantal ongeplande heropnames voor geestelijke gezondheidsproblemen (MH-11)

Het aantal heropnames binnen 30 dagen na een eerdere opname in een psychiatrische instelling wordt vaak gebruikt als een indirecte indicator voor het aantal terugvallen of complicaties na een verblijf in een psychiatrische instelling. Het kan wijzen op vroegtijdig ontslag, een gebrek aan coördinatie met poliklinische zorg of een gebrek aan continuïteit van de zorg. Aangezien België echter geen unieke identificatiecode voor patiënten gebruikt, wordt een patiënt die ontslagen wordt uit een psychiatrische instelling (of afdeling) en opnieuw in een andere psychiatrische instelling (of afdeling) wordt opgenomen, niet beschouwd als een heropname.

Het is dus een indicator voor de continuïteit van de geestelijke gezondheidszorgverlening.

RESULTATEN
  • Het aantal heropnames binnen 30 dagen voor een psychisch probleem bedraagt 14,1% (cijfers uit 2016), wat vergelijkbaar is met soortgelijke landen.
  • In Vlaanderen ligt dit percentage hoger (14,7%) dan in Wallonië (11,1%) en Brussel (11,1%).
Figuur 19 - 30 dagen heropnamepercentage in psychiatrische ziekenhuizen of in psychiatrische diensten in het algemeen ziekenhuis, per patiëntenregio (2010-2016)
Gegevensbron: MPG
Figuur 20 - Unplanned readmission rate for adults in mental healthcare: international comparison
Bron: NHS Benchmarking Network 2018
NZE: Nieuw-Zeeland, AUS: Australië, SCO: Schotland, WAL: Wales, ENG: Engeland, NLD: Nederland, NIR: Noord-Ierland.

Unplanned readmission rate for adults in mental healthcare: international comparison

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten