Zorg voor ouderen

    In 2018 waren in België meer dan twee miljoen mensen 65 jaar of ouder, wat overeenkomt met 19% van de bevolking. Volgens het Federaal Planbureau zal dit percentage toenemen tot 21% in 2025 en 26% in 2050. Als gevolg van de vergrijzing stijgt de nood aan langdurige zorg voor ouderen, hetzij thuis, hetzij in een woonzorgcentrum (WZC, de nieuwe benaming voor een rustoord voor bejaarden (ROB) of een rust- en verzorgingstehuis (RVT)). Langdurige zorg kan worden verleend door professionals (we spreken in dit geval van formele zorg) of door familie of naasten (hier spreken we van mantelzorg of informele zorg). Binnen de formele zorg onderscheiden we thuiszorg door verpleegkundigen en zorg in een woonzorgcentrum.

    We nemen ouderenzorg onder de loep op basis van 4 dimensies:

    • de toegankelijkheid van langdurige zorg, aan de hand van de evolutie van het percentage ouderen die langdurige zorg krijgen, in een woonzorgcentrum (ELD-1) of thuis (ELD-2), het aantal mantelzorgers (ELD-3), het aantal bedden voor langdurige zorg (ELD-4) en het optimale gebruik van deze bedden (ELD-5);
    • de toegankelijkheid van acute zorg, aan de hand van het aantal geriaters (ELD-6);
    • de veiligheid van de zorg, aan de hand van de evolutie van het aantal valpartijen (ELD-7), doorligwonden (decubitus) (ELD-8) en infecties met resistente stafylokokken in woonzorgcentra (ELD-9) en het aantal personen die geneesmiddelen met anticholinerge werking worden voorgeschreven (ELD-10);
    • de gepastheid van de zorg, aan de hand van het aantal personen die antipsychotica worden voorgeschreven; we maken hiervoor de vergelijking tussen patiënten die thuis en in een woonzorgcentrum verblijven (ELD-11 en ELD-12).

      In de andere hoofdstukken worden ook volgende indicatoren geanalyseerd, specifiek voor ouderen:

      Percentage van de bevolking (65+) dat langdurige zorg krijgt in een ROB/RVT of thuis (ELD-1 en ELD-2) 

      Net zoals in vele andere Europese landen is het beleid voor langdurige zorg in België er al lang op gericht om thuiszorg verder uit te breiden en zo de opname van ouderen in woonzorgcentra zo veel mogelijk uit te stellen.  

      Binnen het gezondheidszorgsysteem onderscheid gemaakt tussen twee soorten woonzorgcentra voor ouderen: enerzijds zijn er de rustoorden voor bejaarden (ROB), waar verpleging en hygiënezorg wordt voorzien voor ouderen met slechts geringe of matige beperkingen in hun dagelijkse activiteiten en/of cognitieve vermogens, en anderzijds zijn er de rust- en verzorgingstehuizen (RVT), voor sterk afhankelijke personen die geen permanente ziekenhuiszorg nodig hebben. Alle RVT's zijn verbonden aan een ziekenhuis. Om aan de groeiende behoefte aan zorg in een woonzorgcentrum te voldoen, zijn in het verleden een groot aantal ROB-bedden omgevormd tot RVT-bed.

      Voor het bepalen van het niveau van zorg voor financiering door de ziekteverzekering worden voor thuiszorg en voor zorg in ROB/RVT dezelfde criteria gebruikt. De financiering hangt af van de mate van afhankelijkheid van de persoon bij zijn of haar dagelijkse activiteiten en van zijn of haar mogelijke desoriëntatie in tijd of ruimte.

      RESULTATEN
      • 13,6% van de bevolking die 65 of ouder is krijgt langdurige formele zorg:
        • 8,5% verblijft in een ROB/RVT;
        • 5,1% krijgt thuiszorg.
      • Deze resultaten verschillen echter sterk afhankelijk van de leeftijd:
        • in de leeftijdscategorie 65-69 jaar verblijft 1% in een woonzorgcentrum en krijgt 1,5% thuiszorg;
        • in de leeftijdscategorie 90 en ouder is het percentage dat verblijft in een woonzorgcentrum hoger dan 40% en het percentage dat thuiszorg krijgt bedraagt 14%.
      • Vrouwen krijgen vaker langdurige formele zorg dan mannen (11% van de vrouwen verblijft in woonzorgcentrum versus 5,2% van de mannen; 6% van de vrouwen krijgt thuiszorg versus 4% van de mannen).
      • De sociaal-economische status speelt ook een rol:
        • 16,2% van de bevolking met een verhoogde tegemoetkoming verblijft in woonzorgcentrum versus 5,3% van de bevolking zonder verhoogde tegemoetkoming;
        • 9,3% van de bevolking met een verhoogde tegemoetkoming krijgt thuiszorg versus 3,4% van de bevolking zonder verhoogde tegemoetkoming;
      • Het percentage van ouderen in een woonzorgcentrum is hoger in Brussel (10,3%) en in Wallonië (9%) dan in Vlaanderen (8%). Voor thuiszorg nemen we het omgekeerde waar: 3,3% in Brussel, 4,8% in Wallonië en 5,5% in Vlaanderen (Figuur 2). Het percentage voor thuiszorg varieert eveneens heel erg tussen de provincies, met 3,3% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in de provincies Luik en Luxemburg, 6,7% in Henegouwen en 8,8% in Limburg.
      • In de OESO-landen krijgt gemiddeld 13% van de mensen die ouder zijn dan 65 langdurige zorg, in een woonzorgcentrum of thuis.
      Figuur 1- Percentage van de bevolking 65+ in WZC, per gewest, 2013-2016
      Bron: IMA
      Figuur 2- Percentage van de bevolking 65+ die thuisverpleging krijgt, per gewest, 2013-2016
      Bron: IMA

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Informele helpers (ELD-3)

      Informele zorgers (of mantelzorgers) vormen een belangrijke component van langdurige zorg. Het gaat doorgaans om de echtgeno(o)t(e) of kinderen die zorg bieden aan een oudere die afhankelijk is in zijn of haar dagelijkse activiteiten.

      In het kader van het gezondheidsbeleid wordt  informele zorg vaak beschouwd als een manier om de plaatsing van een oudere persoon in een woonzorgcentrum uit te stellen of te vermijden en zo de kosten  die daaraan verbonden zijn te vermijden. We mogen echter niet vergeten dat informele zorg ook een (indirecte) kost heeft aangezien deze personen minder beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en er een verhoogde prevalentie van mentale gezondheidsproblemen is bij de helpers. Een beleid dat mantelzorgers ondersteunt door middel van beloning, wettelijke en sociale rechten en/of opleidingsmogelijkheden kan de komende decennia een positieve impact hebben op het aanbod en de kwaliteit van de zorg voor ouderen (zie KCE-verslag 223). Het mantelzorgverlof is een maatregel die is ingesteld om mogelijke problemen te voorkomen.

      RESULTATEN
      • Uit gegevens uit de enquête SHARE (2015) blijkt dat België een hoog percentage (20%) vijftigplussers telt die aangeven mantelzorger te zijn (9% helpt dagelijks en 11% wekelijks). Dat cijfer is een van de hoogste in vergelijking met andere Europese landen.
      Figuur 3- Percentage van de bevolking 50+ die rapporteert informele zorg te verlenen op dagelijkse of wekelijkse basis (2015 of dichtste jaar ifv beschikbaarheid)
      Bron: OECD

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Aantal bedden voor langdurige zorg in woonzorgcentra en optimaal gebruik van deze bedden (ELD-4 en ELD-5)

      Naarmate de bevolking ouder wordt, neemt ook de behoefte voor langdurige zorg toe. Niet alleen thuis, maar ook in woonzorgcentra. Volgens een voorspellingsmodel dat in 2011 door het Federaal Planbureau en het KCE is opgesteld, zullen er in 2025 149.000 tot 177.000 bedden nodig zijn. Na 2025 zal de toename van de behoeften waarschijnlijk nog toenemen. De nood aan bedden zou gedeeltelijk kunnen worden verlaagd door een toename in de thuiszorg en informele zorg en door bij het toewijzen van de bedden prioriteit te geven aan ouderen die de meest intensieve zorg nodig hebben. We kunnen ons met name de vraag stellen of voor ouderen die onafhankelijk of licht zorgafhankelijk zijn (categorie O en A op de schaal van Katz) een woonzorgcentrum de meest geschikte optie is. Voor deze personen zouden alternatieve oplossingen kunnen worden voorgesteld. Om het percentage ouderen in categorie O of A op de schaal van Katz die in een ROB of RVT verblijven op te volgen, hebben we een nieuwe indicator (ELD-5) toegevoegd. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat meer dan een derde van de ouderen die in een ROB of RVT in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verblijven nog een zekere autonomie hebben.

      De mate van afhankelijkheid van de personen die in een ROB/RVT zijn geplaatst, wordt gemeten met behulp van de schaal van Katz:
      - categorie O betreft personen die fysiek volledig onafhankelijk zijn EN geen cognitieve problemen vertonen;
      - categorie A betreft personen die fysiek afhankelijk zijn om zich te wassen en aan te kleden OF personen die psychisch afhankelijk zijn, gedesoriënteerd zijn in tijd of ruimte, maar fysiek volledig onafhankelijk zijn.

      RESULTATEN 
      Aantal bedden voor langdurige zorg in woonzorgcentra (ELD-4)
      • Er zijn 144 000 bedden voor langdurige zorg in woonzorgcentra, wat overeenkomt met 68 bedden per 1 000 personen van 65 of ouder (2018). Dat is een relatief hoog cijfer in vergelijking met andere OESO-landen.
      • Op basis van een door het Federaal Planbureau en het KCE ontwikkeld voorspellingsmodel zullen er naar verwachting 149 000 tot 177 000 bedden nodig zijn in 2025.
      • Er zijn grote verschillen tussen de regio's: 61 bedden per 1 000 personen van 65 en ouder in Vlaanderen, 74 in Wallonië en 99 in Brussel. Als we de Duitstalige Gemeenschap afzonderlijk bekijken, is de dichtheid daar beduidend lager, met 50 bedden per 1 000 personen van 65 en ouder.
      Tabel 1: Aantal bedden in woonzorgcentra, per regio/gemeenschap
      Bron: RIZIV

      Regio              

      Verzorgingste-
      huizen    

      Bejaarden-
      tehuizen

       Coma-
      bedden

      Totale aantal bedden

      Bedden/1 000 personen 65+

      Bedden/1 000 personen 75+

      Vlaanderen

      45 441

      34 515

      80

      80 036

      61

      127

      Wallonie*

      22 922

      25 733

      65

      48 720

      74

      163

      Brussel

      6 067

      9 566

      10

      15 643

      99

      203

      Total

      74 430

      69 814

      155

      144 399

      68

      143

                   
      Duitstalige Gemeenschap 464 269 0 733 50 98

      * Wallonië: Inclusief Duitstalige Gemeenschap

      Figuur 4- Aantal langdurige zorg bedden in residentiële instellingen per 1 000 inwoners 65+ (2015 of dichtste jaar ifv beschikbaarheid)
      Bron: OECD

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Percentage ouderen in categorie O of A op de schaal van Katz die in een ROB of RVT verblijven (ELD-5)
      • Tussen 2011 en 2018 is het percentage patiënten in categorie O of A afgenomen, van 32% in 2011 naar 25% in 2018.
      • Tussen de regio's zijn er aanzienlijke verschillen: 20% in Vlaanderen, 31% in Wallonië en 34% in Brussel. Als de Duitstalige Gemeenschap afzonderlijk wordt bekeken, haalt ze een cijfer van 27,6%. 
      Figuur 5- Graad van afhankelijkheid van bewoners van WZC per gewest (2018)
      Bron: RIZIV

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Aantal praktiserende geriaters (ELD-6)   

      De vergrijzing van de bevolking weegt niet alleen door op de langdurige zorg voor ouderen maar ook op de acute zorg. Aangezien er een tekort is aan geriaters in ons land, zijn er een aantal maatregelen getroffen om meer geneeskundestudenten te overtuigen voor deze specialisatie te kiezen. Zo heeft de Hoge Raad van Artsen-Specialisten en Huisartsen een hervorming van de specialisatie in de interne geneeskunde voorgesteld. De studies beginnen nu met een gemeenschappelijk driejarig kerncurriculum waarin elke student de kans krijgt om zich vertrouwd te maken met geriatrie. Pas aan het einde van deze 3 jaar moet de student zijn of haar keuze voor een subspecialisatie maken. Het doel van deze nieuwe aanpak is meer jonge artsen aan te moedigen zich te specialiseren in geriatrie. Bovendien zijn er nieuwe RIZIV-codes aangemaakt om de vergoeding van geriaters te verbeteren.

      Aan de hand van deze indicator kunnen we de effecten van de hervormingen opvolgen.

      RESULTATEN
      • In 2016 waren 331 geriaters bevoegd om te praktiseren, wat neerkomt op een toename met 13 geriaters ten opzichte van 2015.
      • Deze toename is lager dan het quotum van de Planningscommissie, die aanbeveelt om jaarlijks 29 studenten toe te laten tot de opleiding geriatrie (16 in de Vlaamse Gemeenschap, 13 in de Franse Gemeenschap).
      • Met 0.3 geriaters per 10 000 inwoners van 65+ scoort België lager dan elk van de G-7 landen. In de G-7 varieert de dichtheid van 0.4 in Canada tot 2.4 in het Verenigd Koninkrijk.
      Figuur 6- Aantal geriaters
      Bron: RIZIV

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Prevalentie van valpartijen in woonzorgcentra (ELD-7)   

      Naar schatting leidt één valpartij op de tien bij ouderen tot een heupfractuur of een ander ernstig letsel, wat dan vaak weer leidt tot een functionele beperking. Valpartijen zijn ook een belangrijke oorzaak van overlijden (28%) bij ouderen (60 jaar en ouder), in het bijzonder bij vrouwen. Bovendien hebben personen die al een keer zijn gevallen een verhoogd risico om opnieuw te vallen. Het herstel na een valpartij is sterk verbonden aan de functionele status van de persoon voorafgaand aan de valpartij. Valpartijen zorgen ook voor een aanzienlijke maatschappelijke kost, met een toename van het aantal opnamedagen in het ziekenhuis en de medische kosten. Het is dus essentieel dat we valpartijen bij ouderen zo veel mogelijk proberen te voorkomen.

      Aan de hand van deze indicator wordt het percentage bewoners van een woonzorgcentrum (ROB/RVT) gemeten die in de voorgaande maand zijn gevallen. Deze gegevens zijn momenteel alleen beschikbaar voor Vlaanderen, via het Vlaams Indicatorenproject Woonzorgcentra. De gegevens uit de nationale gezondheidsenquête zullen worden toegevoegd zodra ze beschikbaar zijn (eind 2019). Voor de toekomst verwachten we dat ook BelRAI hierover gegevens zal opleveren, wanneer dit evaluatie-instrument op nationaal niveau is uitgerold.

      RESULTATEN
      • In 2017 bedroeg het mediane cijfer voor het percentage bewoners van woonzorgcentra die in de voorgaande maand waren gevallen 12% in Vlaanderen.
      • Dit cijfer is vergelijkbaar met dat van 2016, maar aangezien deze indicator pas sinds twee jaar wordt geregistreerd, zijn er te weinig gegevens om een trend waar te nemen.

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Doorligwonden (decubitus) in woonzorgcentra (ELD-8)  

      Doorligwonden (decubitus) bij een patiënt (in het ziekenhuis of in een woonzorgcentrum) heeft een heel negatieve impact op zijn of haar gezondheidstoestand. Verpleegkundige zorg van een hoge kwaliteit kan deze complicatie voorkomen (of minstens beperken).
      Het ontstaan van doorligwonden maakt deel van de indicatorenset voor kwaliteit in het Vlaams Indicatorenproject Woonzorgcentra.  

      Aan de hand van deze indicator wordt het percentage bewoners van woonzorgcentra die op een bepaalde dag een doorligwond hebben (ernstgraad 2, 3 of 4) gemeten. Momenteel beschikken we alleen over gegevens met betrekking tot woonzorgcentra in Vlaanderen.

      RESULTATEN
        • Uit de Vlaamse gegevens (Vlaams Indicatorenproject Woonzorgcentra) blijkt dat 2,0% van de bewoners van woonzorgcentra een doorligwond van categorie 2, 3 of 4 hebben.
        • 1,3% van de doorligwonden zijn ontstaan tijdens het verblijf in het woonzorgcentrum (de overige waren er van tevoren al).
        • Dit cijfer is iets lager dan in 2016, maar aangezien deze indicator pas sinds twee jaar wordt geregistreerd, zijn er te weinig gegevens om een trend waar te nemen.

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Aanwezigheid van multiresistente stafylokokken in de langdurige zorg (ELD-9)   

      Wanneer een oudere persoon in het ziekenhuis wordt opgenomen, komt het niet zelden voor dat bij hem of haar een infectie met stafylokokken wordt vastgesteld die resistent is voor meticilline (MRSA - Methicillin-Resistant Staphylococcus Aureus). Dit komt met name vaak voor wanneer deze persoon uit een RVT komt. Daarom is het belangrijk dat we de omvang en de evolutie van deze bacterie binnen de RVT's opvolgen. Zo kunnen we het beleid voor de preventie en beheersing van deze multiresistente bacterie in Belgische ziekenhuizen en woonzorgcentra beter afstemmen.

      Aan de hand van deze indicator wordt het percentage personen met MRSA gemeten in een steekproef van Belgische RVT's. Tot op heden zijn er drie meetcampagnes uitgevoerd in België: in 2005 (60 RVT's), 2011 (60 RVT's) en 2015 (29 RVT's).

      RESULTATEN
          • De gemiddelde gewogen prevalentie van MRSA bij bewoners van RVT's bedroeg 9,0% in 2015.
          • Tussen de verschillende RVT's zijn er grote verschillen, gaande van 0% tot 21,6%.
          • Als we de resultaten van de drie enquêtes vergelijken, zien we een gestage afname van de prevalentie van deze bacterie in de RVT's, van 19% in 2005 tot 12,2% in 2011 en 9,0% in 2015. Deze afname verloopt parallel met de afname van de incidentie van infecties met MRSA in de ziekenhuizen.
          • De aanwezigheid van MRSA is niet specifiek gecorreleerd met het type RVT (publiek, privaat zonder winstoogmerk, commercieel privaat), de omvang ervan of het percentage zorgbedden.

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Voorschrijven van geneesmiddelen met anticholinerge werking (ELD-10) 

      Oudere mensen zijn gevoeliger voor bepaalde geneesmiddelen dan jongere mensen, waardoor ze sneller last kunnen krijgen van bijwerkingen. Dat is in het bijzonder het geval bij de zogeheten 'anticholinergica', die oudere patiënten kunnen blootstellen aan het risico op hoge bloeddruk, valpartijen, mentale verwarring en urineretentie. Daarnaast kunnen ze ook een droge mond, constipatie of gezichtsstoornissen veroorzaken.  

      In deze geneesmiddelencategorie vinden we bepaalde antidepressiva (zoals tricyclische antidepressiva, maar ook bepaalde SSRI's), alsook neuroleptica die worden gebruikt bij onrust of dementie, geneesmiddelen tegen de ziekte van Parkinson, geneesmiddelen die worden gebruikt bij blaasproblemen, astma en chronische bronchitis (COPD), maagzweren en nog andere, minder vaak gebruikte geneesmiddelen.

      Aan de hand van deze indicator wordt het percentage oudere mensen (65+) gemeten die een voorschrift hebben gekregen voor anticholinergica (voor meer dan 80 dagelijkse doses (DDD) per jaar, wat wijst op een chronisch gebruik). We zoomen ook in op antidepressiva met anticholinerge werking.

      RESULTATEN
          • In 2016 had 22% van de 65-plussers anticholinergica gekregen; in meer dan de helft van de gevallen (12%) ging het om antidepressiva (Figuur 7).
          • Deze geneesmiddelen worden vaker voorschreven aan vrouwen (25%) dan aan mannen (17%).
          • De voorschriften nemen ook toe met de leeftijd: van 19% in de categorie 65-74 jaar tot 29% in de categorie ouder dan 85 jaar.
          • Het probleem lijkt vaker voor te komen in woonzorgcentra: 52% van de bewoners van ROB's/RVT's die ouder zijn dan 75, krijgen anticholinergica. Bij mensen die ouder zijn dan 75 en thuis wonen blijft dit beperkt tot 22% (Figuur 8).
          • Anticholinergica worden vaker voorgeschreven in Wallonië (26%) en Brussel (24%) dan in Vlaanderen (20%) (Figuur 9).
          • Voor deze indicator is geen enkele verbetering waargenomen sinds 2011.
      Figuur 7- Percentage van de bevolking 65+ die anticholinergische geneesmiddelen of antidepressiva met anticholinergische effecten wordt voorgeschreven (>80 DDD)
      Bron: EPS
       
      Figuur 8- Percentage van de bevolking 75+ die anticholinergische geneesmiddelen of antidepressiva met anticholinergische effecten wordt voorgeschreven (>80 DDD) in WZC versus thuis (2016)
      Bron: EPS
       
      Figuur 9- Percentage van de bevolking 75+ die anticholinergische geneesmiddelen of antidepressiva met anticholinergische effecten wordt voorgeschreven (>80 DDD) per gewest and provincie (2016)
      Bron: EPS

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

      Voorschrijven van neuroleptica in ROB's/RVT'(ELD-11) en ambulant (ELD-12)

      Sommige ouderen met dementie vertonen gedragsproblemen, zoals agressiviteit, waardoor het moeilijk wordt hen te verzorgen. In dat geval wordt soms overgegaan tot het gebruik van neuroleptica (antipsychotica) om hen te kalmeren. Maar deze geneesmiddelen moeten zo veel mogelijk worden vermeden bij oudere mensen, aangezien ze het risico op een beroerte en plotseling overlijden vergroten. Er wordt aanbevolen neuroleptica pas als laatste optie te gebruiken, als het gedrag van de persoon een gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen. Als deze geneesmiddelen worden gebruikt, moet de behandeling zo kort mogelijk zijn en de dosis zo laag mogelijk.

      Aan de hand van deze indicator wordt het percentage ouderen gemeten die neuroleptica voorgeschreven krijgen.

      RESULTATEN
          • In 2016 zijn neuroleptica voorgeschreven aan 6% van de bevolking die ouder is dan 65.
          • Ze worden vaker voorgeschreven naarmate de leeftijd stijgt: 4% voor de groep mensen van 65-74 jaar oud en 11% voor de groep mensen die ouder zijn dan 85 (Figuur 10).
          • Het probleem is met name zorgwekkend in de ROB's/RVT's, waar 32% van de bewoners die ouder zijn dan 75 neuroleptica krijgen (Figuur 11).
          • Er zijn belangrijke geografische verschillen, van 4% in de provincie Antwerpen tot 8% in de provincies Limburg en Luik (Figuur 12).
          • Uit gegevens van de OESO blijkt dat neuroleptica relatief vaak worden voorgeschreven aan oudere mensen in België. In Zweden en in Nederland ligt het percentage voorschriften twee keer lager dan in België (Figuur 13). Er is echter wel een lichte daling in België sinds 2011. 
      Figuur 10 - Percentage van de bevolking 65+ die antipscyhotica wordt voorgeschreven (>0 DDD) per leeftijdsgroep (2016)
      Bron: EPS
      Figuur 11 - Percentage van de bevolking 75+ die antipscyhotica wordt voorgeschreven, in WZC versus thuis (2016)
      Bron: EPS
      Figuur 12- Percentage van de bevolking 65+ die antipscyhotica wordt voorgeschreven (>0 DDD) per gewest en provincie (2016)
      Bron: EPS
      Figuur 13- Percentage van de bevolking 65+ die antipsychotica wordt voorgeschreven (>0 DDD): OECD data (2015 of dichtste jaar ifv beschikbaarheid)
      Bron: OECD

      Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten