Ongelijkheden in Gezondheid

1. Kernboodschappen

In België worden, net als in alle EU-landen, belangrijke sociaaleconomische ongelijkheden waargenomen in het hele spectrum van gezondheidsindicatoren, gaande van de gezondheidsdeterminanten tot de gezondheids- en ziektestatus, en uiteindelijk de sterfte. Dit rapport toont een overzicht van de omvang van deze ongelijkheden door het opleidingsniveau te gebruiken als proxy voor de sociaaleconomische positie. Verscheidene van de sociaaleconomische ongelijkheden zijn in de loop van de tijd toegenomen.
Mensen met een hogere sociaaleconomische status (SES) leven langer. De kloof in levensverwachting (op 25-jarige leeftijd) tussen het hoogste en laagste opleidingsniveau is 6,1 jaar voor mannen en 4,6 jaar voor vrouwen. Mensen met een hogere SES leven ook langer in goede gezondheid. De kloof in levensverwachting zonder beperkingen tussen het hoogste en laagste opleidingsniveau is 10,5 jaar voor mannen en 13,4 jaar voor vrouwen. De verschillen in levensverwachting zonder beperkingen zijn in de loop van de tijd toegenomen.
Mensen met een lagere SES hebben een hoger vroegtijdig sterftecijfer. Mannen en vrouwen met het laagste opleidingsniveau hebben respectievelijk 1,9 en 1,6 keer meer kans om te overlijden vóór 75 jaar dan mannen en vrouwen met het hoogste opleidingsniveau.
Ten slotte rapporteren mensen met een hogere SES over het algemeen betere gezondheid en gezonder gedrag. De laagst opgeleiden beoordelen bijna 3 keer vaker hun gezondheid als minder dan goed, in vergelijking met de hoogst opgeleiden. De laagst opgeleiden rapporteren ook 1,5 tot 2 keer vaker aan chronische aandoeningen te leiden dan mensen met het hoogste opleidingsniveau. Ze rapporteren ook een veel hogere prevalentie van roken en obesitas en slechtere voedingsgewoonten, zoals onvoldoende consumptie van fruit en groenten en een hoger verbruik van gesuikerde dranken.

2. Achtergrond

Sociaaleconomische (SE) ongelijkheden in gezondheid verwijzen naar systematische gezondheidsverschillen tussen SE-groepen, meestal ten nadele van de groepen die lager op de sociale ladder staan. SE ongelijkheden in gezondheid worden consequent waargenomen in geïndustrialiseerde samenlevingen voor het hele spectrum van gezondheidsindicatoren, gaande van gezondheidsdeterminanten tot mortaliteit [1;2]. Het aanpakken van gezondheidsongelijkheden is een prioriteit voor de Wereldgezondheidsorganisatie [3], de Europese Unie [4] en voor België [5-7]. Om de vooruitgang bij het verminderen van gezondheidsongelijkheden te evalueren, is het belangrijk om deze te meten en op te volgen [8].

In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de indicatoren uit het Health Status Report waarin ongelijkheden daadwerkelijk zijn waargenomen. Hierbij werd gebruik gemaakt van gegevens van de Gezondheidsenquêtes van 1997 tot 2013, de Voedselconsumptiepeiling van 2014, en de volkstellingen van 2001 en 2011 gekoppeld aan sterftegegevens.

Voorafgaand aan de meting van ongelijkheden moet een indicator van de sociaaleconomische positie worden gekozen. In dit rapport werd het opleidingsniveau gebruikt als sociaaleconomische variabele. Afhankelijk van de gezondheidsindicator die wordt bestudeerd en de beschikbaarheid van de gegevens, werd opleidingsniveau onderverdeeld in 3 of 4 niveaus. Voor de indicatoren uit de Gezondheidsenquête werden opleidinsniveaus gegroepeerd in 4 categorieën: basisonderwijs of lager, lager secundair onderwijs, hoger secundair onderwijs, en hoger onderwijs. Voor (gezonde) levensverwachting en sterftecijfers werden opleidinsniveaus gegroepeerd in 3 categorieën, waarbij de twee laagste onderwijsniveaus samen werden gebracht.

De berekening van gezondheidsongelijkheden vereist 2 stappen: ten eerste, de verdeling van de gezondheidsindicator voor elk niveau van de SE positie. Deze uitsplitsingen zijn weergegeven op elke specifieke indicatorpagina. De tweede stap is het meten van de omvang van de ongelijkheid, wat het doel is van dit hoofdstuk. Hier doen we dus meer dan alleen de gezondheidsindicatoren weer te geven volgens opleidingsniveau: we berekenen de omvang van de ongelijkheden door verschillende maatstaven van ongelijkheid te gebruiken (zie ook de sectie 'Meer informatie' onderaan de pagina). Afhankelijk van de aard van de gezondheidsindicator, werden de volgende ongelijkheidsmaatstaven berekend:

  • Voor (gezonde) levensverwachting:
    • Het absolute verschil in jaren tussen de hoogste en laagste opleidingsniveaus.
    • De samengestelde ongelijkheidsindex (composite index of inequality), absoluut (CIIabs): deze meet de absolute verschillen in jaren uit over de volledige bevolking heen; dit komt overeen met het aantal jaren dat gewonnen zou kunnen worden, op populatieniveau, mocht er geen ongelijkheid zijn en iedereen de (gezonde) levensverwachting van de hoogst opgeleide groep hebben.
  • Voor sterftecijfers en de indicatoren afkomstig van de Gezondheidsenquête en Voedselconsumptiepeiling:
    • Het absolute verschil in voor leeftijd gecorrigeerde cijfers tussen de hoogste en laagste opleidingsniveaus.
    • Het relatieve verschil in voor leeftijd gecorrigeerde cijfers tussen de hoogste en laagste opleidingsniveaus.
    • De toerekenbare fractie voor de bevolking (population attributable fraction, PAF): deze meet wat er, in percentage van de gemiddelde waarde, gewonnen zou kunnen worden als iedereen het gezondheidsniveau van de hoogst opgeleide groep zou hebben.

Bij conventie worden de relatieve ongelijkheden uitgedrukt in termen van de ongewenste gezondheidstoestand [9]. Zo wordt subjectieve gezondheid bijvoorbeeld uitgedrukt als het percentage personen dat hun gezondheid als minder dan goed beoordeelt.

In dit hoofdstuk wordt de nadruk gelegd op gezondheidsindicatoren met aanzienlijke ongelijkheden. Daarom selecteerden we, naast de verschillen in levensverwachting en gezondheidsverwachting, waarvoor de absolute verschillen groot waren maar niet de relatieve, voor indicatoren uitgedrukt als een percentage, degenen met een relatief verschil van ten minste 1,4; dit komt overeen met een relatieve overmaat van slechte gezondheid of ongezonde leefstijl van ten minste 40% in het laagste opleidingsnieau in vergelijking met het hoogste opleidingsniveau. De indicatoren waarvoor de waarden hier niet worden weergegeven, hebben bijgevolg kleinere of geen relatieve ongelijkheden.

De evoluties in ongelijkheden worden alleen weergegeven wanneer een significante verandering werd waargenomen.

3. Ongelijkheden in levensverwachting, gezonde levensverwachting, en levenskwaliteit

Voor de levensverwachting op de leeftijd van 25, gebaseerd op de meest recente volkstelling (2011), zijn er absolute verschillen van 6,1 en 4,6 jaar waargenomen tussen het laagste en het hoogste opleidingsniveau, respectievelijk bij mannen en vrouwen [10]. De CIIabs is 3,4 jaar voor mannen en 2,4 jaar voor vrouwen (potentiële winst voor de hele bevolking als er geen ongelijkheid was). Voor de levensverwachting zonder beperkingen op de leeftijd van 25 is het absolute verschil nog hoger, namelijk 10,5 jaar voor mannen en 13,4 jaar voor vrouwen. Relatieve maatstaven van ongelijkheid voor (gezonde) levensverwachting zijn vrij klein, omdat ze betrekking hebben op grote noemers.

Tussen 2001 en 2011 werd een matige toename van de absolute verschillen in levensverwachting waargenomen (respectievelijk + 17% en 22% bij mannen en vrouwen) en een grote toename van de absolute verschillen in de gezonde levensverwachting (+ 61% en 45% bij mannen en vrouwen). Op basis van de CIIabs, die rekening houdt met de verschillen in de samenstelling van de populaties over de tijd, wordt een kleine toename waargenomen in de absolute ongelijkheden in levensverwachting bij mannen (+ 7%), maar niet bij vrouwen. De situatie is anders voor de gezondheide levensverwachting, waarbij de ongelijkheidindex op bevolkingsniveau duidelijk toenam bij zowel mannen (+ 73%) als vrouwen (+ 20%).

Zeer grote ongelijkheden worden waargenomen voor subjectieve gezondheid (in 2013), met een prevalentie van mensen die hun gezondheid waarderen als minder dan goed, die bijna 3 keer zo hoog is bij de laagst versus hoogst opgeleide mensen, en met absolute ongelijkheden van 25 procentpunten. De PAF bereikt 31% (wat de potentiële ruimte voor verbetering op populatieniveau weergeeft). Voor deze indicator werd geen belangrijke ongelijkheidstrend waargenomen. De EQ-5D-score van gezondheidsgerelateerde levenskwaliteit geeft ook grote sociaaleconomische verschillen aan, met een absoluut verschil van 17,6 op een schaal van 100, tussen de laagste en de hoogste opleidingsniveaus.

Sociaaleconomische ongelijkheden in levensverwachting, gezonde levensverwachting, en subjectieve gezondheid, België, 2011/2013
Bronnen: (a) Eigen berekeningen op basis van de volkstelling 2011 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar, met 3 opleidingsniveaus; (b) Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête 2013, met 4 opleidingsniveaus

  Geslacht Laagste opleidings-niveau Hoogste opleidings-niveau Absoluut verschil
Relatief verschil
CIIabs PAF
Levensverwachting op 25-jarige leeftijd(a) Mannen 51.7 57.8 -6.1 - 3.4 -
Vrouwen 57.3 61.9 -4.6 - 2.4 -
Levensverwachting zonder beperkingen op 25-jarige leeftijd(a) Mannen 37.0 47.5 -10.5 - 6.0 -
Vrouwen 35.5 49.0 -13.4 - 7.2 -
Slechte subjectieve gezondheid (% bevolking ≥ 15 jr)(b) Beide 38.7% 13.5% 25.2% 2.87 - 31.1%
 
Evolutie van de absolute verschillen tussen laagste en hoogste opleidingsniveaus voor levensverwachting en levensverwachting zonder beperkingen, volgens geslacht, België, 2001-2011
Bron: Eigen berekeningen op basis van de volkstellingen 2001 en 2011 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar
Evolutie van de absolute verschillen over de gehele bevolking heen voor levensverwachting en levensverwachting zonder beperkingen, volgens geslacht, België, 2001-2011
Bron: Eigen berekeningen op basis van, enerzijds, de volkstellingen 2001 en 2011 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar; en, anderzijds, de Belgische Gezondheidsenquëtes 2001-2013

4. Ongelijkheden in vroegtijdige sterfte

Mannen met het laagste opleidingsniveau hebben 1,9 keer meer kans om te overlijden vóór de leeftijd van 75 jaar dan mannen met het hoogste opleidingsniveau (na correctie voor leeftijd). Vrouwen met het laagste opleidingsniveau hebben 1,6 keer meer kans om vroegtijdig te overlijden dan vrouwen met het hoogste opleidingsniveau. Absolute verschillen zijn ook erg groot, namelijk 279 en 114 per 100.000 sterfgevallen bij mannen en vrouwen, respectievelijk. De toerekenbare fractie voor de bevolking (PAF) is hoog (respectievelijk 38% en 29% voor mannen en vrouwen), wat betekent dat de vroegtijdige sterfte van de hele populatie met 38% zou dalen bij mannen, als alle mensen een vroegtijdig sterftecijfer hadden dat zo laag was als dat van de mannen met het hoogste opleidingsniveau. De belangrijkste bijdragen aan de ongelijkheid op bevolkingsniveau in vroegtijdige sterfte werden geleverd door longkanker, coronaire hartziekten, zelfmoord en chronische obstructieve longziekten (COPD) bij mannen, en door coronaire hartziekte, longkanker, cerebrovasculaire aandoeningen en COPD bij vrouwen [11]. Dit zijn met andere woorden de doodsoorzaken waarvoor de vermindering van ongelijkheden het meest de algemene bevolking ten goede zou komen, hetgeen beleidsprioriteiten kan suggereren in de strijd tegen ongelijkheden.

Sociaaleconomische ongelijkheden in vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar), België, 2001
Bron: Eigen berekeningen op basis van de volkstelling 2001 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar

  Geslacht Laagste opleidings-niveau Hoogste opleidings-niveau Absoluut verschil Relatief verschil PAF
Vroegtijdige sterfte, alle oorzaken (voor leeftijd gecorrigeerd sterftecfijfer per 100.000) Mannen 595.3 316.4 278.9 1.88 38.1%
Vrouwen 304.8 191.3 113.5 1.59 29.2%
 
  • Mannen
  • Vrouwen

Rangschikking van doodsoorzaken volgens hun bijdrage aan ongelijkheden in vroegtijdige sterfte bij mannen, gemeten als toerekenbare fracties voor de bevolking, België, 2001
Bron: Eigen berekeningen op basis van de volkstelling 2001 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar

Rangschikking van doodsoorzaken volgens hun bijdrage aan ongelijkheden in vroegtijdige sterfte bij vrouwen, gemeten als toerekenbare fracties voor de bevolking, België, 2001
Bron: Eigen berekeningen op basis van de volkstelling 2001 gekoppeld aan het Rijksregister voor een opvolging van sterfte over een periode van 5 jaar

5. Ongelijkheden in ziekte

Relatieve ongelijkheden zijn vrij groot voor alle opgenomen indicatoren van niet-overdraagbare aandoeningen, met relatieve verschillen tussen de 1,5 en 2. De hoogste relatieve verschillen worden waargenomen voor de zelfgerapporteerde prevalentie van multimorbiditeit (1,9) en diabetes (1.8). De grootste toerekenbare fracties voor de bevolking (PAF) worden waargenomen voor diabetes en schildklierlijden. Belangrijke absolute ongelijkheden worden waargenomen voor het aandeel van mensen die rapporteren dat ze lijden aan ten minste één chronische ziekte, voor multimorbiditeit, en artrose (tussen de 9 en de 13 procentpunten).

Voor de drie onderzochte geestelijke gezondheidsproblemen (depressie, angststoornissen en slaapproblemen) zijn de relatieve ongelijkheden zo mogelijk nog groter, met relatieve verschillen rond de 3 voor depressie en angststoornissen. De ongelijkheid in het gebruik van slaap- of kalmeringsmiddelen is ook vrij groot. Voor alle drie de aandoeningen zijn de absolute ongelijkheden ook groot en bereiken ze 15 procentpunten.

De absolute ongelijkheden voor alle drie de geestelijke gezondheidsproblemen zin toegenomen, terwijl de relatieve ongelijkheden alleen voor angststoornissen zijn toegenomen. Dit betekent dat voor depressie en slaapproblemen de absolute prevalentie meer is gestegen bij de laagopgeleiden dan bij de hoogopgeleiden, maar dat de proportionele toename dezelfde was in alle opleidingsniveaus. Voor angststoornissen overtrof de toename bij de laagopgeleiden de toename bij de hoogopgeleiden op zo'n belangrijke manier dat zowel de absolute als relatieve ongelijkheid toenam.

Sociaaleconomische ongelijkheden in bepaalde zelfgerapporteerde niet-overdraagbare aandoeningen, bevolking 15 jaar en ouder, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013

  Laagste opleidingsniveau Hoogste opleidingsniveau Absoluut verschil Relatief verschil PAF
Lichamelijke gezondheid     
Chronische aandoening, algemeen 36.3% 22.9% 13.4% 1.59 13.6%
Multimorbiditeit* 21.9% 11.6% 10.3% 1.89 15.8%
Diabetes 7.7% 4.2% 3.5% 1.84 22.9%
Artrose 23.0% 14.1% 9.0% 1.64 17.3%
Hoge bloeddruk 21.3% 14.9% 6.5% 1.44 11.3%
Schildklierlijden 7.8% 4.6% 3.2% 1.69 21.4%
Geestelijke gezondheid   
Depressieve gevoelens 26.6% 9.8% 16.8% 2.71 31.5%
Angststoornissen 21.3% 6.7% 14.6% 3.18 29.5%
Slaapproblemen 40.8% 25.7% 15.1% 1.59 12.0%
Gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen 20.0% 10.1% 10.0% 1.99 24.9%
Zelfmoordgedachten, voorbije 12 maanden 5.5% 3.9% 1.6% 1.41 17.0%
*Multimorbiditeit betekent het melden van ten minste twee niet-overdraagbare aandoeningen die opgenomen zijn in de vragenlijst van de Belgische Gezondheidsenquête.
  • Absoluut
  • Relatief

Absolute (laag-versus-hoog) ongelijkheden in indicatoren van geestelijke gezondheid, België, 2001-2013
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013

Relatieve (laag-versus-hoog) ongelijkheden in indicatoren van geestelijke gezondheid, België, 2001-2013
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013

6. Ongelijkheden in determinanten van gezondheid

De ongelijkheden in rookgedrag zijn groot, met een absoluut verschil tussen de laagste en hoogste opleidingsniveaus van 15 procentpunten, en een relatief verschil van 2,6. Zowel absolute als relatieve verschillen zijn in de loop van de tijd toegenomen. Mensen met het hoogste opleidingsniveau hebben hun rookgedrag aanzienlijk aangepast, terwijl het aandeel dagelijkse rokers stabiel bleef bij de lager opgeleiden. Ongelijkheid is nog groter voor de prevalentie van obesitas, met verschillende evoluties voor mannen en vrouwen. Van 2008 tot 2013 zijn zowel absolute als relatieve ongelijkheden aanzienlijk toegenomen voor mannen. De toename van de absolute ongelijkheid betekent dat de toename van obesitasprevalentie bij laagopgeleide mannen de toename bij hoogopgeleide mannen overtrof, terwijl de toename van de relatieve ongelijkheid betekent dat dit overschot zo belangrijk was dat zelfs de proportionele stijging hoger was dan bij hoogopgeleide mannen. Tegelijkertijd zijn voor vrouwen alleen de absolute ongelijkheden gestaag toegenomen, en bleef de relatieve ongelijkheid stabiel, wat betekent dat de prevalentie van obesitas meer toenam bij de lager dan bij de hoger opgeleide vrouwen, maar dat de relatieve toename dezelfde was in elke groep.

Slechte voedingsgewoonten komen vaak voor in alle opleidingsniveaus, maar ze zijn veel erger in de laagste opleidingsniveaus. Zo is de consumptie van groenten en fruit veel lager bij de laagst opgeleide mensen, die gemiddeld 90 g minder groenten en fruit per dag consumeren dan de hoogst opgeleide mensen. Slechts 14% van de bevolking voldoet aan de aanbeveling om 400 g groenten en fruit per dag te eten; dit aandeel bedraagt slechts 6% voor de laagst opgeleide mensen versus 22% voor de hoogst opgeleide mensen, wat leidt tot een absoluut verschil van 16 procentpunten en een relatief verschil van 0,27, wat betekent dat de laagst opgeleiden 4 keer minder vaak de aanbevolen hoeveelheid bereiken dan de hoogst opgeleiden.

De consumptie van gesuikerde dranken is 2,5 keer hoger in de laagst opgeleide groep dan in de hoogst opgeleide groep.

De belangrijke ongelijkheden die worden waargenomen voor deze gezondheidsdeterminanten leiden tot zeer grote toerekenbare fracties voor de bevolking (PAF). Dit betekent dat er op populatieniveau een belangrijke verbetering zou optreden als iedereen de waarden zou kunnen bereiken van de meest bevoordeelde groep .

Er werden geen systematische opleidingsverschillen waargenomen voor fysieke activiteit en alcoholgebruik.

Sociaaleconomische ongelijkheden in bepaalde gezondheidsdeterminanten, België, 2013/14
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013, en de Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014

  Laagste opleidings-niveau Hoogste opleidings-niveau Absoluut verschil Relatief verschil PAF
Dagelijks roken (% bevolking ≥ 15 jr) 25.0% 9.5% 15.5% 2.63 45.1%
Obesitas (% bevolking ≥ 18 jr, BMI ≥ 30) 23.5% 7.7% 15.8% 3.05 37.4%
Consumptie van fruit en groenten (g/dag) 210 300 -90 - -
Consumptie van fruit en groenten (% minstens 400 g per dag) 6.0% 22.4% -16.4% 0.27 61.2%
Consumptie van gesuikerde dranken (g/dag) 227.3 89.5 137.8 - -
 
  • Absoluut
  • Relatief

Absolute (laag-versus-hoog) ongelijkheden in gezondheidsdeterminanten, België, 1997-2013
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013

Relatieve (laag-versus-hoog) ongelijkheden in gezondheidsdeterminanten, België, 1997-2013
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013

7. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicatoren

Definities

Sociaaleconomische positie
Een aantal indicatoren kan worden gebruikt om de sociaaleconomische positie te beoordelen, omdat de positie van een persoon binnen de sociale hiërarchie kan worden bepaald door vele dimensies zoals beroep, inkomen of opleiding. In dit rapport werd het opleidingsniveau gebruikt als sociaaleconomische variabele. Het opleidingsniveau wordt gemeten met behulp van een gestandaardiseerde internationale schaal (ISCED) en vervolgens opnieuw gegroepeerd in 3 of 4 categorieën, afhankelijk van de gezondheidsindicator die wordt onderzocht en de beschikbaarheid van de gegevens.
Internationale standaardclassificatie van het onderwijs (International Standard Classification of Education - ISCED)
ISCED is de internationale standaardclassificatie om onderwijsprogramma's en onderwijskwalificaties per niveau en domein te classificeren. Ze bevat zeven categorieën:
  • 0: Kleuteronderwijs
  • 1: Lager onderwijs
  • 2: Lager secundair onderwijs
  • 3: Hoger secundair onderwijs
  • 4: Post-secundair niet-hoger onderwijs
  • 5: Hoger onderwijs - korte cyclus, bacheloropleiding, masteropleiding
  • 6: Doctoraten
Maatstaven van ongelijkheid
Maatstaven van ongelijkheid meten de omvang van ongelijkheden. Er zijn verschillende ongelijkheidsmaatstaven beschreven in de literatuur [12;13]. Het wordt algemeen aanvaard dat de optimale aanpak om ongelijkheden te evalueren en op te sporen, gebaseerd dient te zijn op een reeks van ongelijkheidsmaatstaven in plaats van op één enkele maatstaf, omdat de maatstaven voor ongelijkheid aanzienlijk verschillen in ten minste twee belangrijke aspecten [14]:
  • Het relatieve versus absolute karakter van de vergelijking: om ongelijkheden op gezondheidsgebied te beoordelen, worden in de literatuur vaker relatieve maatstaven van ongelijkheid gebruikt (bijv. verhoudingen van sterftecijfers), maar ongelijkheden kunnen ook uitgedrukt worden in absolute termen (bijv. verschil in sterftecijfers). Beide maatstaven zijn belangrijk, waarbij sommige auteurs zelfs meer belang hechten aan de absolute maatstaven in termen van volksgezondheid en vanuit het standpunt van de bevolking.
  • De reikwijdte: de eenvoudigste maatstaven vergelijken simpelweg de gezondheidsstatus tussen twee sociale groepen, zoals het (absolute) verschil in sterftecijfers of de (relatieve) verhouding van sterftecijfers. Andere, meer complexe maatstave houden ook rekening met de verdeling van sociale klassen in de populatie, zoals de toerekenbare fractie van de bevolking (PAF) en de samengestelde index van ongelijkheid (CII).
Samengestelde ongelijkheidsindex (composite index of inequality), absoluut (CIIabs)
De CIIabs meet de absolute verschillen in jaren uit over de volledige bevolking heen; dit komt overeen met het aantal jaren dat gewonnen zou kunnen worden, op populatieniveau, mocht er geen ongelijkheid zijn en iedereen de (gezonde) levensverwachting van de hoogst opgeleide groep hebben. Het wordt berekend als de som van de absolute verschillen in (gezonde) levensverwachting van elke sociaaleconomische groep ten opzichte van de meeste bevoordeelde groep, gewogen naar de grootte van elke groep.
Toerekenbare fractie voor de bevolking (population attributable fraction - PAF)
De PAF komt overeen met de relatieve winst in gezondheidsniveau die zou worden verwacht voor de hele populatie als iedereen de waarde van de meest bevoordeelde sociale groep zou ervaren. Het wordt berekend als het verschil tussen de totale waarde in de populatie en de waarde in de meest bevoordeelde groep, gedeeld door de totale waarde in de populatie.
Vroegtijdige sterfte
Vroegtijdige sterfte wordt hier gedefinieerd als sterfte vóór de leeftijd van 75.
Correctie voor leeftijd
Correctie voor leeftijd (of leeftijdsstandaardisatie) is een methode om de schattingen aan te passen (bijvoorbeeld sterftecijfers of prevalenties) om de effecten van verschillen in de leeftijdsstructuur van verschillende bevolkingsgroepen te elimineren. De meest gebruikte standaardisatie (de directe standaardisatie) berekent een gewogen gemiddelde van alle leeftijdsspecifieke cijfers, waarbij de gewichten overeekomen met het aandeel van elke leeftijdsgroep in een referentiepopulatie.

Referenties

  1. Mackenbach J. Health inequalities: Europe in profile. Expert Report commissionned by the EU. Department of Health Publications; 2006.
  2. Feinstein JS. The relationship between socioeconomic status and health : A review of the literature. The Milkbank Quarterly 1993;71:279-94.
  3. WHO Commission on Social Determinants on Health. Closing the gap in a generation: health equity through action on the social determinants of health. Geneva: WHO; 2008.
  4. Executive Agency for Health and Consumer. Second Programme of Community Action in the Field of Health 2008-2013. European Commission; 2007.
  5. Vlaamse overheid. Vlaams Actieplan Geestelijke Gezondheid, Strategisch plan 2017-2019. 2017.
  6. Gouvernement wallon. Plan prévention et promotion de la santé en Wallonie. Partie 1: définition des priorités en santé. Namur: 2017.
  7. Arrêté royal du 18 juillet 2013 portant fixation de la vision stratégique fédérale à long terme de développement durable: http://www.etaamb.be/fr/arrete-royal-du-18-juillet-2013_n2013011468.html. Moniteur Belge 2013 Oct 8.
  8. Braveman PA. Monitoring equity in health and healthcare: a conceptual framework. J Health Popul Nutr 2003 Sep;21(3):181-92.
  9. Keppel K, Pamuk E, Lynch J, Carter-Pokras O, Kim I, Mays V, et al. Methodological issues in measuring health disparities. 141 ed. Washington DC: National Center for Health Statistics; 2005.
  10. Renard F, Devleesschauwer B, Van Oyen H, Gadeyne S, Deboosere P (2019) Evolution of educational inequalities in life and health expectancies at 25 years in Belgium between 2001 and 2011: a census-based study. Arch Public Health 77:6. doi: 10.1186/s13690-019-0330-8
  11. Renard F, Gadeyne S, Devleesschauwer B, Tafforeau J, Deboosere P. Trends in educational inequalities in premature mortality in Belgium between the 1990s and the 2000s: the contribution of specific causes of death. J Epidemiol Community Health 2017;71(4):371-80. doi: 10.1136/jech-2016-208370
  12. Mackenbach JP, Kunst AE. Measuring the magnitude of socio-economic inequalities in health: an overview of available measures illustrated with two examples from Europe. Soc Sci Med 1997 Mar;44(6):757-71.
  13. Harper S, Lynch J. Methods for Measuring Cancer Disparities:Using Data Relevant to Healthy People 2010 Cancer-Related Objectives. Bethesda, MD: National Cancer Institute, 2005: NIH Publication No. 05-5777.; 2005.
  14. Mackenbach JP, Kunst AE. Measuring the magnitude of socio-economic inequalities in health: An overview of available measures illustrated with two examples from Europe. Soc Sci Med 1997;44(6):757-71.