Gepastheid van zorg

De gepastheid van de zorg – of het geschikt zijn – kan worden gedefinieerd als ‘de mogelijkheid om zorg te verlenen die is aangepast aan de klinische behoeften, in het licht van de bestaande wetenschappelijke kennis'.

De gepastheid kan op verschillende manieren worden beoordeeld. De meest betrouwbare is om na te gaan in hoeverre de medische praktijk voldoet aan de klinische aanbevelingen. Een andere veel gebruikte methode is de analyse van de geografische variabiliteit van zorgpraktijken.

In dit rapport werden zes indicatoren voor gepastheid weerhouden m.b.t. acute en chronische zorg. Ze gaan over het gebruik van klinische aanbevelingen voor de opvolging van diabetespatiënten (QA-1, QA-2), het voorschrijven van antibiotica (QA-3 tot QA-5) of antidepressiva (deze laatste zijn opgenomen in de sectie over de geestelijke gezondheid), het gebruik van ongepaste beeldvormingstechnieken (QA-6) en de ongepaste screening voor borstkanker (QA-7).

Indicatoren van de gepastheid van de zorg​​
(ID) indicatorScoreBELJaarVlaWalBruBronEU-15 gemiddelde
Eerstelijnszorg – patiënten met een chronische ziekte (richtlijnen)
QA-1

Aandeel van volwassen diabetici met gepaste opvolging (% van diabetici onder insuline) (1)

red improving 30,2 2016 32,5 26,0 31,1 IMA

-

QA-2

Aandeel van volwassen diabetici met gepaste opvolginga (% van diabetici niet onder insuline, 50+ jaar) (1)

red improving 11,0 2016 11,3 10,2 13,1 IMA

-

Eerstelijnszorg – voorschrijfgedrag (richtlijnen)
QA-3 Gebruik van antibiotica (totale DDD/1000 inwoners/dag) red improving 27,7 2016 26,4 30,3 23,4 Farmanet 20,1 (2)
QA-4 Gebruik van antibiotica minstens een keer per jaar (% van populatie) red improving 39,6 2016 38,5 43,7 35,3 IMA -
QA-5 Gebruik van tweedelijnsantibioticab (% totale DDD antibiotica) red improving 51,8 2016 49,3 56,8 47,9 IMA

-

Imagerie médicale inappropriée
QA-6 Beeldvorming lumbale wervelkolom (Rx, CT-scan, MRI per 100 000 inwoners) red improving 10620 2017 9944 12314 9436 RIZIV

-

Cancer overscreening
QA-7 Borstkankerscreening buiten leeftijdsdoelgroep (% vrouwen van 41-49 jaar) red empty 35,4 2016 26,3 49,0 46,7 IMA

-

(1) Gepaste opvolging wordt gedefinieerd als patiënten die regelmatig netvliesonderzoeken en bloedonderzoeken krijgen (glycohemoglobine, bloedsuiker, lipiden en microalbuminurie), (2) OESO Health Statistics 2018, (3) Tweedelijnsantibiotica zijn: amoxycilline met clavulaanzuur, macroliden, cephalosporines en chinolonen.

Bepaalde indicatoren die in andere delen van dit rapport werden geanalyseerd kunnen ook worden  gebruikt op het vlak van (on)gepastheid van de zorg, als de resultaten ervan buitensporig zijn ten opzichte van richtlijnen:

  • bij de indicatoren voor geestelijke gezondheidszorg: gedwongen opnames in een psychiatrische instelling (MH-4) of mensen die op de spoedafdeling belanden met mentale problemen (MH-5), alsook het percentage te korte behandelingen met antidepressiva (om een effect te hebben, moet de patiënt de antidepressiva ten minste 3 maanden lang nemen) (MH-8);
  • bij de indicatoren voor zorg voor moeder en pasgeborene: het aantal prenatale raadplegingen (MN-10), het aantal niet-aanbevolen prenatale onderzoeken (MN-8), het aantal ingeleide bevallingen (MN-4), het aantal vaginale bevallingen na een keizersnede (MN-6), het aantal episiotomieën (MN-5), het aantal premature geboortes buiten een ziekenhuis met neonatale intensieve zorg (MN-7), het aantal screeningsonderzoeken bij pasgeborenen buiten de voorgeschreven termijn (hielprik) (subindicator van MN-9);
  • bij de indicatoren voor ouderenzorg: het voorschrijven van geneesmiddelen met anticholinerge werking aan ouderen (MH-9 /ELD-10) of van neuroleptica in woonzorgcentra (ROB/RVT) (ELD 11 en 12);
  • bij de indicatoren voor zorg bij het levenseinde: het aantal personen dat overlijdt in de week na de opstart van palliatieve zorg (EOL-2), de hardnekkigheid van de zorg bij het levenseinde (EOL-3).

Opvolging van patiënten met diabetes (QA-1 en QA-2)

Diabetes is een chronische aandoening die wordt gekenmerkt door een te grote hoeveelheid glucose in het bloed. Bij gebrek aan de juiste behandeling lopen mensen met diabetes een hoog risico op hart- en vaatziekten (myocardinfarct, cerebrovasculair accident) of nierfalen. Ongecontroleerde diabetes verhoogt ook het risico op gezichtsverlies of beschadiging van zenuwen en bloedvaten, wat kan leiden tot chronische voetwonden of zelfs amputatie. In België heeft naar schatting ongeveer 6% van de bevolking diabetes (type 1 of 2 – cijfers uit 2017).
De opvolging van een persoon met diabetes bestaat uit de controle van de bloedsuikerspiegel (tenminste elke 3 maanden), van de hoeveelheid geglyceerde hemoglobine in het bloed (het meten van de hoeveelheid suiker in het bloed) (ten minste twee keer per jaar), van de microalbuminurie (het meten van de nierfunctie) en van het bloedlipidenprofiel (beide ten minste 1 keer per jaar). Een oogarts moet ook één keer per jaar een onderzoek van de fundus uitvoeren.

Aan de hand van deze indicator wordt nagegaan bij hoeveel diabetespatiënten de afgelopen 15 maanden deze vijf testen met de aanbevolen frequentie werden uitgevoerd. De diabetespatiënten die met insuline worden behandeld (QA-1) en diabetespatiënten (ouder dan 50) die met andere anti-diabetische middelen worden behandeld (QA-2) werden afzonderlijk geteld.

RESULTATEN
  • Van de diabetespatiënten die met insuline worden behandeld, onderging 30,2% al de 5 testen die werden geselecteerd om de kwaliteit van de opvolging van diabetes in de afgelopen 15 maanden te beoordelen.
  • Geglyceerde hemoglobine en cholesterol worden zeker vaak genoeg gemeten, maar de bloedsuikerspiegel en microalbuminurie minder vaak. Het jaarlijkse bezoek aan een oogarts wordt minder goed opgevolgd.
  • Slechts 11% van de diabetespatiënten (ouder dan 50) die met andere anti-diabetische middelen worden behandeld dan insuline werden aan de hand van de 5 testen opgevolgd.
  • Ook hier weer werden het meten van de bloedsuikerspiegel en de microalbuminurie, en het jaarlijkse bezoek bij een oogarts het vaakst overgeslagen.
  • Patiënten van 75 jaar en ouder worden thuis beter opgevolgd dan in een woonzorgcentrum.
  • Voor beide subgroepen zijn er weinig regionale verschillen.
Figuur 1 - Percentage diabetespatiënten dat de combinatie van vijf tests gedurende 15 maanden krijgt: insuline-afhankelijke patiënten (links) versus 50+ niet-insuline-afhankelijke patiënten (rechts).
Gegevensbron: IMA (EPS)
Figuur 2 - Follow-up van diabetische patiënten: vijf tests voor patiënten met insuline (links) en patiënten zonder insuline (rechts) in 2016
Gegevensbron: IMA (EPS)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Voorschrijven van antibiotica (QA-3, QA-4, QA-5)

Het is inmiddels welbekend dat het gebruik van antibiotica leidt tot het ontstaan van resistente bacteriën, zowel bij mens als dier of in het milieu, en dat de toename in sterkte van deze resistente bacteriën vandaag een ernstige bedreiging vormt voor ons allemaal. De klinische richtlijnen zijn hierover al enkele jaren unaniem: deze geneesmiddelen mogen alleen worden voorgeschreven als er een aantoonbare behoefte is en als de doeltreffendheid ervan wetenschappelijk is aangetoond. Dit is allesbehalve het geval. Zo hebben antibiotica geen enkel effect bij een virale infectie (zoals griep of keelontsteking) en toch worden ze massaal voorgeschreven in ons land.

Bovendien moeten bepaalde grootspectrum antibiotica, zoals quinolonen en cefalosporines, worden voorbehouden voor tweedelijnsbehandelingen (als een eerste behandeling met antibiotica niet doeltreffend is), om de kans op het overwinnen van ernstige en/of resistente infecties niet te ‘vergooien’.

In mei 2015 keurde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een mondiaal actieplan goed ter bestrijding van de antibioticaresistentie. In Europa houdt een netwerk voor de monitoring van antimicrobiële consumptie (EARS-Net, European Antimicrobial Resistance Surveillance Network) voortdurend toezicht op het gebruik van deze geneesmiddelen. Sinds 1999 heeft België een Commissie voor de coördinatie van het antibioticabeleid (BAPCOC), die een nieuwe strategie voor 2015-2019 ontwikkelde en die verschillende doelstellingen vastlegde. Een van deze doelstellingen is het halveren van het aantal voorschriften tegen 2025.

In dit rapport weerhielden we 4 indicatoren m.b.t. met het ambulant voorschrijven van antibiotica:

  • Het totale volume antibiotica dat door huisartsen wordt voorgeschreven, gemeten in dagelijkse doses (Defined Daily Dose - DDD) per 1000 inwoners per dag (QA-3).
  • Het percentage patiënten dat in de loop van een bepaald jaar ten minste één voorschrift voor antibiotica kreeg (QA-4).
  • Het percentage voorschriften voor tweedelijnsantibiotica (quinolonen, cefalosporines, Amoxicilline/Clavulaanzuur en macroliden) ten opzichte van het totale aantal voorschriften voor antibiotica (QA-5). 
RESULTATEN 
Totaal volume antibiotica dat ambulant wordt voorgeschreven (QA-3)
  • Het totale volume antibiotica dat ambulant wordt voorgeschreven is 27,7 DDD per 1000 inwoners en per dag (cijfers uit 2016). Dat is beduidend meer dan in sommige andere Europese landen zoals Nederland, waar het cijfer maar 9,7 DDD bedraagt.
  • Wallonië heeft de hoogste cijfers, met meer dan 30 DDD per 1000 inwoners en per dag. In Brussel worden antibiotica het minst vaak gebruikt: 23,4 DDD. Vlaanderen bevindt zich tussen de twee in.
Figuur 3 - Totale hoeveelheid antibiotica die in de ambulante zorg wordt toegediend, DDD per 1000 inwoners per dag, per regio (2008-2017)
Gegevensbron: Farmanet (RIZIV)
Figuur 4 - Volume geleverde antibiotica in de ambulante sector, DDD's per dag per 1000 verzekerde personen, gestandaardiseerde relatieve verschillen rond het nationale gemiddelde, per district (2016)
Gegevensbron: Farmanet (RIZIV)
Volume geleverde antibiotica in de ambulante sector, DDD's per dag per 1000 verzekerde personen, gestandaardiseerde relatieve verschillen rond het nationale gemiddelde, per district (2016)
Figuur 5 a - Totale hoeveelheid antibiotica, DDD's per dag per 1000 inwoners, internationale vergelijking, 2000-2017
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018
Totale hoeveelheid antibiotica
Figuur 5 b - Totale hoeveelheid antibiotica, DDD's per dag per 1000 inwoners, internationale vergelijking, 2016
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018
Totale hoeveelheid antibiotica
Percentage patiënten dat in de loop van een bepaald jaar ten minste één voorschrift voor antibiotica kreeg (QA-4) 
  • In 2016 kreeg 40% van de Belgen tenminste één voorschrift voor antibiotica (43,7% in Wallonië, 38,5% in Vlaanderen en 35,3% in Brussel).
  • Van de oudere mensen (75+) in woonzorgcentra, kreeg 62% in 2016 ten minste één voorschrift voor antibiotica. Bij mensen uit dezelfde leeftijdscategorie buiten een woonzorgcentrum, was dat maar 44,4%.
  • Henegouwen was de provincie met het grootste aantal mensen die antibiotica namen (45,2%).
Percentage voorschriften voor tweedelijnsantibiotica (QA-5)
  • Hoewel het gebruik van tweedelijnsantibiotica lichtjes afneemt, is het nog steeds vrij hoog in België: 52% in 2016 (60% in 2006). Zelfs bij kinderen is het resultaat slecht (35%). In Nederland bedraagt dezelfde indicator 16% voor datzelfde jaar.

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Ongepast gebruik van medische beeldvorming (QA-6)

Een blootstelling aan ioniserende straling (zoals röntgenstralen) kan kanker veroorzaken. In België is deze blootstelling in de medische sector bijzonder hoog, vooral door het overmatig gebruik van medische beeldvorming (röntgenfoto's en scans). Ze zijn heel vaak overbodig en vormen een heel belangrijk deel van de stralingsdoses die mensen krijgen. Zo komt de bestraling voor een eenvoudige röntgenfoto van de lumbale wervelkolom overeen met 680 dagen (bijna 2 jaar) natuurlijke straling, en een scan van de lumbale wervelkolom met 1.825 dagen (5 jaar)!  Dankzij de nationale campagnes van de FOD en het RIZIV werd deze trend tussen 2009 en 2012 omgebogen en werden de cijfers teruggebracht naar het niveau van 2006, maar de stralingsdoses die de inwoners ontvangen, blijven bij de hoogste in Europa.

N.B.: Magnetische resonantie maakt geen gebruik van röntgenstraling of andere gevaarlijke straling, maar het hoge kostenplaatje en het gebrek aan beschikbare apparatuur zijn problematisch.

In dit rapport hebben we als belangrijkste indicator het aantal voorschriften voor wervelkolomonderzoeken (röntgenfoto's, scans en magnetische resonanties) weerhouden, met bijzondere aandacht voor onderzoek van de onderrug, voor zover deze gegevens beschikbaar waren. Uit de nationale (KCE) en internationale (NICE) klinische richtlijnen, en de aanbevelingen van de Belgische Vereniging voor Radiologie, blijkt dat dit soort onderzoek meestal nutteloos is, omdat het resultaat meestal geen invloed heeft op de behandeling. Het gebruik van medische beeldvorming voor de wervelkolom is dus een zeer relevante indicator voor de (on)gepastheid van de zorg in ons land.

Ter informatie werden ook het aantal apparaten voor tomografie (CT-scanners) en voor magnetische beeldvorming (MRI) opgenomen die in de Belgische ziekenhuizen beschikbaar zijn.

RESULTATEN 
  • Het gebruik van medische beeldvorming (alle soorten onderzoeken) van de wervelkolom is sinds 2007 met 2% per jaar afgenomen.
  • Het aantal röntgenfoto's van de wervelkolom is sinds 2015 met bijna 8% per jaar gedaald.
  • Het aantal onderzoeken met CT-scanners stijgt niet meer sinds 2015. In sommige arrondissementen zijn er echter bijna drie keer zoveel onderzoeken als in andere (gemiddelde verhouding: 1,8).
  • Het gebruik van magnetische resonantie blijft toenemen, maar minder snel: met 6,8% per jaar in 2007 en met 3,8% per jaar in 2017.
  • De gemiddelde totale bestraling van de bevolking is tussen 2015 en 2017 met 1% gedaald.
Aantal apparaten
  • Het aantal MRI-apparaten is sinds 2014 eigenlijk gelijk gebleven, wat overeenkomt met een dichtheid die iets lager ligt dan het EU-15-gemiddelde (12,6 MRI-eenheden per miljoen inwoners in Europa tegenover 11,7 in België in 2016). In 2021 en 2022 worden achttien nieuwe MRI-apparaten toegevoegd om het gebruik van CT-scanners te beperken.
  • Het aantal CT-scanners is eveneens relatief stabiel.
Figuur 6 - Medische beeldvorming van de wervelkolom: totale consumptie (2007-2017)
Gegevensbron: N documenten (RIZIV)
Medische beeldvorming van de wervelkolom: totale consumptie (2007-2017)
Figuur 7 - Medische beeldvorming van de wervelkolom: relatieve verschillen ten opzichte van het nationale gemiddelde per arrondissement (2015-2017, gestandaardiseerd)
Gegevensbron: N documenten (RIZIV)
Medische beeldvorming van de wervelkolom: relatieve verschillen ten opzichte van het nationale gemiddelde per arrondissement (2015-2017, gestandaardiseerd
Figuur 8 - Medische beeldvorming van de wervelkolom: x-ray consumption (2007-2017)
Gegevensbron: N documenten (RIZIV)
Spine medical imaging: x-ray consumption (2007-2017)
Figuur 9 - Medische beeldvorming van de wervelkolom: MRI consumption (2007-2017)
Gegevensbron: N documenten (RIZIV)
Spine medical imaging: MRI consumption (2007-2017)
Figuur 10 - Medische beeldvorming van de wervelkolom: CT scans consumption (2007-2017)
Gegevensbron: N documenten (RIZIV)
Spine medical imaging: CT scans consumption (2007-2017)
Figuur 11 - Aantal MRI-eenheden in ziekenhuizen in België (op 1 januari 2007-2019)
Gegevensbron: FOD Volksgezondheid
Figuur 12 - Gebruik van de beeldvormingswervelkolom (per 100 000 verzekerde personen) per gewest en per provincie (2017)
Gegevensbron: RIZIV
Gebruik van de beeldvormingswervelkolom (per 100 000 verzekerde personen) per gewest en per provincie (2017)
Figuur 13 - Aantal MRI-eenheden in ziekenhuizen per miljoen inwoners, internationale vergelijking, 2000-2016
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018
Aantal MRI-eenheden in ziekenhuizen per miljoen inwoners
Figuur 14 - Aantal MRI-eenheden in ziekenhuizen per miljoen inwoners, internationale vergelijking, 2016
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018
Aantal MRI-eenheden in ziekenhuizen per miljoen inwoners
Figuur 15 - Aantal CT-scannereenheden in ziekenhuizen in België (op 31 december 2007-2016)
Gegevensbron: FOD Volksgezondheid

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Ongepaste screening voor borstkanker (QA-7)

Deze indicator werd uitgewerkt in de sectie over indicatoren voor preventieve zorg.