Zorg voor mensen met een chronische ziekte

Chronische ziekten zijn per definitie ziekten die 'een lange tijd' duren, maar verder lopen de definities sterk uiteen. Het Belgisch Observatorium voor chronische ziekten van het RIZIV spreekt van een 'aandoening die minstens zes maanden duurt'. Mensen met een chronische ziekte hebben vaak het gevoel dat hun leven overhoop is gegooid en dat kan alle aspecten van hun leven en de perceptie van hun eigen gezondheid beïnvloeden. Over het algemeen hebben deze ziekten meerdere oorzaken en zijn ze moeilijk te genezen. Een van de doelstellingen van de zorg voor deze patiënten is dan ook hun gezondheidstoestand zo stabiel mogelijk te houden. Daarvoor is vaak complexe en multidisciplinaire zorg vereist.

Chronische ziekten brengen aanzienlijke kosten voor de gezondheidszorg met zich mee, zowel voor de patiënt als voor de ziekteverzekering en de samenleving in haar geheel. Deze kosten zullen mettertijd waarschijnlijk blijven toenemen.

In dit deel plaatsen we de zorg voor mensen met een chronische ziekte eerst in de juiste context door te analyseren welk percentage van de bevolking volgens drie criteria (CHR-1,CHR-2, CHR-3) geacht wordt met een chronische ziekte te leven en hoe deze mensen hun kwaliteit van leven (QoL-1) beoordelen.

Vervolgens bestuderen we specifiek de prestaties van het gezondheidszorgsysteem ten aanzien van mensen met een chronische ziekte door de volgende dimensies te analyseren:

  • De toegankelijkheid (A-2 en A-4) en rechtvaardigheid van de zorg (EQ-4 en EQ-5) voor mensen met een chronische ziekte in vergelijking met de rest van de bevolking.
  • De kwaliteit van de zorg voor mensen met een chronische ziekte, d.w.z. de doeltreffendheid (QE-1,QE-2,QE-10,QE-11), geschiktheid (QA-1 en QA-2), continuïteit (QC-1, QC-3, QC-4, QC-5, QC-7) en patiëntgerichtheid van de zorg (QP-1, QP-3 en QP-4).
  • De efficiëntie van de zorg voor mensen met een chronische ziekte (E-5).

We hebben ook 4 specifieke indicatoren van preventieve zorg weerhouden, die hier worden geanalyseerd in termen van de verschillen tussen de manier waarop deze zorg wordt verleend aan mensen met een chronische ziekte en aan mensen zonder een chronische ziekte (P-4, P-6, P-7 en P-11).

Percentage van de bevolking dat wordt geacht te leven met een chronische ziekte en de kwaliteit van leven die deze mensen ervaren (CHR-1, CHR-2, CHR-3 en QOL-1)

Deze contextuele indicatoren hebben met name tot doel het aandeel van de bevolking met chronische ziekte(n) te bepalen op basis van verschillende gegevensbronnen:

  • Het percentage personen met een statuut chronische aandoening (volgens het RIZIV) in functie van hun officiële gezondheidszorguitgaven (CHR-1) biedt informatie over de maatregelen voor financiële bescherming die het Belgische gezondheidszorgsysteem heeft voorzien om mensen met een chronische ziekte te helpen.
  • Het percentage personen dat in de nationale gezondheidsenquête van Sciensano zelf aangeeft een chronische ziekte te hebben (CHR-2) geeft een idee van hoe een representatieve steekproef van de Belgische bevolking de eigen gezondheidstoestand inschat.
  • Het percentage personen dat zelf aangeeft in de laatste 12 maanden meerdere chronische ziekten te hebben gehad (CHR-3) biedt informatie over de multimorbiditeit van dezelfde representatieve steekproef van de Belgische bevolking.
  • De vierde indicator (zelf-ervaren kwaliteit van leven – QOL-1) beschrijft de kwaliteit van leven in relatie tot de gezondheid zoals die door dezelfde representatieve steekproef wordt ervaren. Het doel van de gezondheidszorg is namelijk niet langer alleen de levensverwachting van de mensen te verhogen, maar ook hun kwaliteit van leven met betrekking tot gezondheid te verbeteren of proberen te behouden. Het is dan ook belangrijk dat we de kwaliteit van leven objectief kunnen meten en dat is mogelijk dankzij de EQ-5D-5L-schaal, waarvoor het KCE onlangs een waarderingsmatrix heeft ontwikkeld op basis van Belgische gegevens.
RESULTATEN
Tabel 1 – Overzicht van de resultaten van de contextuele indicatoren
bevolkingsgroepScoreJaarBeVlaWalBruBronUE-15
gemiddelde
CHR-1 Percentage personen met het RIZIV-statuut chronische aandoening volgens hun gezondheidsuitgaven op basis van nomenclatuurtarieven
In de totale bevolking C 2018
(2020)
11,3
(12,1)
11,3
(12,1)
12,0
(12,9)
8,7
(9,4)
AIM -
In de bevolkingsgroep met zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening 2018 31,5 32,9 29,6 31,0 HISLink
In de bevolkingsgroep met zelfgerapporteerde multimorbiditeit 2018 39,2 42,0 43,5 35,6 HISLink
CHR-2 Percentage personen dat een chronische ziekte rapporteert
NIEUW
In de totale bevolking C 2018 29,3 27,6 32,7 28,7 HIS 36,6
In de bevolkingsgroep met het RIZIV-statuut chronische aandoening 72,1 71,7 74,8 70,8 HISLink
CHR-3 Percentage personen dat de afgelopen 12 maanden multimorbiditeit rapporteerde
NIEUW
In de totale bevolking C 2018 15,2 15,7 16,5 10,8 HIS -
In de bevolkingsgroep met het RIZIV-statuut chronische aandoening 47,4 48,3 48,2 38,3 HISLink
In de bevolkingsgroep met zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening 33,8 34,4 34,1 28,7 HIS
QOL-1 Ervaren kwaliteit van leven*
NIEUW
In de totale bevolking C 2018 0,843 0,868 0,798 0,839 HIS -
In de bevolkingsgroep met het RIZIV-statuut chronische aandoening 0,630 0,671 0,558 0,627 HISLink
In de bevolkingsgroep met zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening 0,696 0,739 0,632 0,687 HIS
Legende: C = contextueel, ⚠ = Slechtere resultaten voor chronisch zieken * gemeten aan de hand van de EQ-5D-5L vragenlijst en gewaardeerd met de Belgische EQ-5D-5L waardenset (Bouckaert et al. (2021)).87 Zie technische fiche voor bijkomende methodologische aspecten.

 

Personen aan wie het RIZIV het statuut chronische aandoening heeft toegekend (CHR-1):

  • Het percentage personen aan wie het RIZIV het statuut chronische aandoening heeft toegekend, is gestegen van 8,7% in 2013 tot 12,1% in 2020. Deze stijging is in alle drie de regio's vergelijkbaar.
  • Het percentage personen aan wie het RIZIV het statuut chronische aandoening heeft toegekend, is het hoogst in Wallonië, gevolgd door respectievelijk Vlaanderen en Brussel. Ook tussen de provincies zijn er grote verschillen.
Figuur 1 – Percentage personen met een statuut chronische aandoening (België en de regio's, 2013-2020)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Personen die in de gezondheidsenquête aangaven aan een chronische ziekte te lijden (CHR-2)

  • Het percentage personen dat aangeeft aan een chronische ziekte te lijden, is gestegen van 25,1% in 2001 tot 29,3% in 2018. In Wallonië is het percentage het hoogst (32,7%), gevolgd door Brussel (28,7%) en Vlaanderen (27,6%).
  • Het percentage van de bevolking dat aangeeft aan een chronische ziekte te lijden, stijgt (logischerwijs) met de leeftijd: van 14,1% (15-24 jaar) tot 44,1% (75+).
  • Uit Europese gegevens (EU-SILC) blijkt dat het percentage personen met een chronische ziekte laag is vergeleken met het gemiddelde van 15 Europese landen. In 2020 bedroeg de prevalentie 24,8% in België, vergeleken met 34,1% voor het gemiddelde van de 15 Europese landen.
  • Het verschil tussen het percentage personen dat aangeeft aan een chronische ziekte te lijden en het percentage met het statuut chronische aandoening is aanzienlijk. In 2013 bedroeg dit verschil 18,1% (respectievelijk 28,6% vs. 10,5%) en het blijft in 2018 in dezelfde orde van grootte, namelijk 16,6% (29,5% vs. 12,9%). Dit verschil wordt met name veroorzaakt doordat het statuut chronische aandoening door het RIZIV wordt toegekend aan personen met hoge en terugkerende gezondheidskosten (mechanisme voor financiële bescherming); het statuut wordt niet toegekend louter omdat iemand een chronische ziekte heeft.
Figuur 2 – Percentage personen die zelf aangeven een chronische ziekte te hebben (België en de regio's, 2001-2018)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Personen die in de gezondheidsenquête aangaven meerdere chronische ziekten te hebben (CHR-3)

  • Het percentage van de bevolking dat aangeeft ten minste twee chronische ziekten te hebben, is gestegen tussen 2001 (11,4%) en 2018 (15,2%).
  • De cijfers voor multimorbiditeit stijgen met de leeftijd.
  • Het percentage is het hoogst in Wallonië en het laagst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Figuur 3 – Percentage personen die zelf aangeven meerdere chronische ziekten te hebben (België en de regio's, 2001-2018)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten


Vergelijking CHR-1, CHR-2 en CHR-3

Als we de resultaten van deze drie contextuele indicatoren integreren, komen enkele observaties naar voren, die ook zijn samengevat en gevisualiseerd in Figuur 5.

  • 31,5% van de personen die zelf aangeven een chronische ziekte te hebben, is ook houder van het statuut chronische aandoening (in 2018).
  • In 2018 had 23,8% van de personen die in het kader van de gezondheidsenquête zijn bevraagd ofwel een door de persoon zelf aangegeven chronische ziekte ofwel het statuut chronische aandoening (maar niet allebei). Dit impliceert dat er geen systematisch verband bestaat tussen het statuut chronische aandoening en het hebben van een chronische ziekte.
  • Er is geen systematisch verband tussen het statuut chronische aandoening en multimorbiditeit.
Figuur 4 – Overlapping tussen de populatie die aangeeft één (of meerdere) chronische ziekte(n) te hebben en de populatie die recht heeft op het statuut chronische aandoening van het RIZIV (2018)

Venn

Zelf-ervaren kwaliteit van leven (QOL-1)

  • In 2018 bedroeg de gemiddelde score voor gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven 0,843, wat overeenkomt met een daling van 0,018 in vergelijking met 2013 (0,861). Deze daling is waargenomen in alle regio's van België, maar is het meest uitgesproken in Wallonië.
  • Mensen met een chronische ziekte (met RIZIV-statuut of zelf aangegeven) hadden een lagere zelf-ervaren kwaliteit van leven wat de gezondheid betreft dan de populatie die geen chronische ziekte heeft. Deze vaststelling is meer uitgesproken in Wallonië en in Brussel dan in Vlaanderen (cijfers uit 2013 en 2018).
  • Tussen 2013 en 2018 is het verschil in gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven tussen personen die aangeven een chronische ziekte te hebben en personen die aangeven geen chronische ziekte te hebben, toegenomen in Brussel en Wallonië en afgenomen in Vlaanderen. Als we de personen in overweging nemen die recht hebben op het RIZIV-statuut chronische aandoening, is het verschil in kwaliteit van leven tussen personen met en zonder dit statuut toegenomen in Brussel, maar afgenomen in Wallonië en Vlaanderen.
  • De kwaliteit van leven is lager bij personen met het statuut chronische aandoening dan bij patiënten die in de gezondheidsenquête zelf aangaven aan een chronische ziekte te lijden (cijfers uit 2013 en 2018).
  • De kwaliteit van leven van personen die zelf aangaven aan een chronische ziekte te lijden én die ook het RIZIV-statuut chronische aandoening hebben, is nog slechter dan die van personen die maar tot één van beide groepen behoren.

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Toegankelijkheid en rechtvaardigheid van de zorg

- Deel van de gezondheidsuitgaven dat niet door de verplichte ziekteverzekering wordt gedekt: kosten ten laste van de patiënten (A-2 chronisch)

Deze indicator evalueert het belang van de eigen bijdragen van de huishoudens in de uitgaven voor gezondheidszorg gemeten. Het gaat dus om het deel van de uitgaven dat niet door de ziekteverzekering wordt gedekt en rechtstreeks door de patiënten wordt gedragen. De indicator wordt uitgedrukt als percentage van de totale uitgaven voor de gezondheidszorg.

De bijdragen ten laste van de patiënt omvatten zowel de remgelden als de supplementen (bv. ereloonsupplementen van niet-geconventioneerde artsen) en directe betalingen voor producten en diensten die niet door de ziekteverzekering worden vergoed (vrij verkrijgbare geneesmiddelen, brillen, enz.). Deze kosten kunnen een financieel obstakel vormen voor zorggebruik, in het bijzonder bij mensen met weinig financiële middelen of grote medische behoeften, zoals wel vaker het geval kan zijn bij mensen met een chronische ziekte.

Om een onderscheid te kunnen maken tussen chronische en niet-chronische patiënten, werden de eigen bijdragen berekend op het niveau van het huishouden op basis van IMA-gegevens. Het aandeel van de eigen bijdragen in de totale uitgaven voor gezondheidszorg werd dus niet berekend op basis van gegevens uit het Systeem van Gezondheidsrekeningen [System of Health Accounts - SHA], zoals in de algemene indicator A2). De IMA-gegevens houden echter geen rekening met directe uitgaven voor producten en diensten die niet gedekt worden door de verplichte ziekteverzekering (bv. brillen, bepaalde tandheelkundige zorg, vrij verkrijgbare geneesmiddelen), en er is slechts beperkte informatie over supplementen in de ambulante zorg, wat tot een onderschatting van de eigen bijdragen leidt. Bovendien worden vergoedingen van een vrijwillige ziekteverzekering niet meegerekend, wat dan weer leidt tot een overschatting van de eigen bijdragen.

In de logica van ons gezondheidszorgsysteem mag worden verwacht dat het aandeel van de eigen bijdragen in de totale uitgaven voor gezondheidszorg lager is voor mensen met een chronische ziekte, aangezien het de bedoeling is de financiële lasten te verlichten voor mensen met een grote en frequente behoefte aan zorg.

De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Toegankelijkheid van de zorg, terwijl hier wordt gefocust op de resultaten voor mensen met een chronische ziekte.

De berekeningen zijn gebaseerd op twee definities van mensen met een chronische ziekte: mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening (zie indicator CHR-1) en mensen die in de EU-SILC-enquête zelf aangaven aan een chronische aandoening te lijden.

RESULTATEN
Tabel 2 – Resultaten van de indicatoren van financiële toegankelijkheid en billijkheid, volgens statuut chronische aandoening en zelfgerapporteerde chronische aandoening
 StatusScoreBelJaarVlaWalBruBronUE15
(gemid.)
A-2 Eigen betalingen voor gezondheid (% van totale gezondheidsuitgaven)*
  Totaal   17,9 2016 18,7 17,1 15,9 EU-SILC/
AIM
/
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja C 12,7 12,9 12,8 10,8
Nee C 19,4 20,4 18,5 16,9
Zelfgerapporteerde chronische aandoening Ja C 15,1 15,7 14,7 13,6
Nee C 19,7 20,6 18,8 17,4
A4 Zelfgerapporteerde uitgestelde medische contacten om financiële redenen (% van populatie 16+)
  Totaal  red improving 2,2
(1,4)
2016
(2020)
0,8 4,0 4,9 EU-SILC/
AIM
1,7
(0,9)
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja  red empty 3,9 2016 2,2 8,6 9,4 /
Nee  red empty 2,0 0,4 2,2 3,2
Zelfgerapporteerde chronische aandoening Ja  red empty 5,2 1,6 6,0 9,5
Nee  orange empty 1,2 0,7 3,7 4,5
EQ-4 Aandeel huishoudens met verarmende en verder verarmende eigen betalingen (%)
  Totaal  orange empty 1,3 2016 0,7 1,4 4,3 EU-SILC/
AIM
/
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja  orange empty 1,4 0,5 1,6 5,9
Nee  orange empty 1,4 0,8 1,5 4,2
Zelfgerapporteerde chronische aandoening Ja  orange empty 1,7 1,0 1,3 6,6
Nee  orange empty 1,1 0,5 1,6 2,7
EQ-5 Aandeel huishoudens met catastrofale eigen betalingen (%)
  Totaal  orange empty 2,0   1,2 2,3 5,2 EU-SILC/
AIM
/
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja  orange empty 3,3   2,1 3,8 9,4
Nee  orange empty 1,7   1,0 1,9 4,8
Zelfgerapporteerde chronische aandoening Ja  orange empty 2,9   1,9 2,7 8,5
Nee  orange empty 1,4   0,8 2,0 3,2
Opmerking: * De indicator A-2 wordt berekend aan de hand van microgegevens van EU SILC/IMA en wijkt dus af van de resultaten in het KCE Performantierapport 313, die berekend werden aan de hand van macrogegevens uit het Systeem van de Gezondheidsrekeningen (SHA).2 De microgegevens van EU SILC/IMA werden gebruikt om een onderscheid te kunnen maken tussen chronische en niet-chronische patiënten. Een dergelijke onderverdeling is in de SHA-gegevens niet mogelijk. Helaas houden de microgegevens van EU SILC/IMA geen rekening met de gezondheidsuitgaven die niet door de verplichte ziekteverzekering worden gedekt, terwijl die informatie wel is opgenomen in de SHA-gegevens. Daarom werd in dit rapport een iets andere terminologie gebruikt, namelijk 'aandeel van de totale gezondheidsuitgaven' in plaats van 'aandeel van de lopende gezondheidsuitgaven'. ⚠ = Slechtere resultaten voor chronisch zieken
  • Het totale aandeel van de eigen bijdragen van patiënten in de totale uitgaven voor gezondheidszorg vertoont een stabiele evolutie doorheen de tijd. In 2008 bedroeg het aandeel 17,8%, in 2012 was dat 16,9% en in 2016 was het 17,9%. De samenstelling van deze betalingen is in de loop van de tijd echter aanzienlijk veranderd, met een afname van de remgelden en een toename van de supplementen.
  • Voor huishoudens met een chronisch ziek gezinslid is het aandeel van de eigen bijdragen lager dan voor huishoudens zonder chronisch ziek gezinslid:
    • Op basis van de EU-SILC-resultaten (2016): 15,1% (met) versus 19,7% (zonder).
    • Op basis van het RIZIV-statuut chronische aandoening (2016): 12,7% (met) versus 19,4% (zonder).
  • Het aandeel van de eigen bijdragen is ook lager voor huishoudens met een laag inkomen. Een mogelijke verklaring is dat de financiële beschermingsmaatregelen erin slagen de kosten ten laste van de patiënt te verlagen, maar een andere verklaring is dat financieel kwetsbare huishoudens afzien van zorg of zorg uitstellen waarvoor de eigen bijdragen hoog zijn, zoals specialistische zorg of tandzorg.
  • Het verschil tussen huishoudens met en zonder chronisch ziek gezinslid houdt met name verband met een lager aandeel van remgelden voor de eerstgenoemde groep, wat niet verrassend is aangezien deze huishoudens meer gebruik maken van zowel de maximumfactuur als de verhoogde tegemoetkoming, wat hun remgelden verlaagt . Dit geldt zowel voor huishoudens met een gezinslid dat het RIZIV-statuut chronische aandoening heeft als voor huishoudens met een gezinslid dat zelf aangeeft aan een chronische ziekte te lijden (EU-SILC). Ook blijkt uit onze analyse dat huishoudens met een chronisch ziek gezinslid relatief minder uitgeven aan de huisarts, aan specialistische medische zorg en aan tandzorg.
Figuur 5 – Aandeel in de totale uitgaven voor gezondheidszorg van de remgelden, de supplementen en de terugbetalingen van de maximumfactuur; in functie van het statuut chronische aandoening (2008, 2012, 2016)

HSPA fr A2 copayments

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten.

Uitstel van medische zorg om financiële redenen (A-4)

Deze indicator geeft het aandeel personen aan die melden dat ze in het afgelopen jaar hebben moeten afzien van gezondheidszorg of het hebben moeten uitstellen vanwege de kosten. Deze indicator is gebaseerd op officiële enquêtes op Belgisch en Europees niveau; het zijn cijfers die door de respondenten zelf worden gerapporteerd (self-reported).
De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Toegankelijkheid van de zorg; hier ligt de focus op mensen met een chronische ziekte.
De berekeningen zijn gebaseerd op twee definities van mensen met een chronische ziekte: mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening (zie indicator CHR-1) en mensen die in de EU-SILC-enquête zelf aangaven aan een chronische aandoening te lijden.

RESULTATEN
  • Het aandeel mensen die aangeven dat ze omwille van financiële redenen afzien van medische zorg of deze uitstellen, neemt toe. De incidentie is gestegen van 0,5% in 2008 tot 1,7% in 2012 en 2,2% in 2016, evenwel met significante verschillen tussen subgroepen van de bevolking.
  • Bij de mensen die zelf aangeven aan een chronische aandoening te lijden, is het uitstel van medische zorg toegenomen van 1,1% in 2008 tot 3,5% in 2012 en tot 5,2% in 2016. Bij de mensen die aangaven niet aan een chronische ziekte te lijden, is dat respectievelijk 0,3%, 1,1% en 1,2%.
  • Bij de mensen die het RIZIV-statuut chronische aandoening hebben, stellen we vast dat het uitstellen van medische zorg bijna twee keer zo vaak voorkomt (3,9%) dan bij de rest van de bevolking (2,0%) (cijfers uit 2016).

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten.

Percentage huishoudens met verarmende of verder verarmende (EQ-4) en catastrofale (EQ-5) eigen bijdragen

Deze twee indicatoren geven aan in welke mate huishoudens zijn blootgesteld aan financiële moeilijkheden; ze worden berekend aan de hand van een door de WHO voorgestelde methodologie. Deze methodologie vertrekt van het principe dat huishoudens noodzakelijkerwijs een deel van hun inkomen moeten besteden aan basisbehoeften (voedsel, huisvesting en nutsvoorzieningen) en dat de middelen die aan gezondheidszorg kunnen besteed worden rekening moeten houden dat er in deze basisbehoeften wordt voorzien. Het vermogen van een huishouden om gezondheidszorg te betalen (financiële draagkracht) is daarom gelijk aan alle financiële middelen van het huishouden vermindert met een bedrag om in de basisbehoeften te voorzien. Deze correctie is belangrijk omdat arme gezinnen verhoudingsgewijs een groter deel van hun inkomen besteden aan basisbehoeften en soms moeten kiezen tussen het vervullen van hun basisbehoeften of gezondheidszorg.

Er is sprake van verarmende eigen bijdragen wanneer het huishouden, hoewel het niet arm is, eigen bijdragen heeft die de financiële draagkracht overschrijdt. Wanneer het gaat om arme huishoudens, worden eigen bijdragen als verder verarmend beschouwd. Ten slotte worden eigen bijdragen als catastrofaal beschouwd wanneer ze meer dan 40% bedragen van de financiële draagkracht van het huishouden.

De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Rechtvaardigheid van de zorg; hier ligt de focus op mensen met een chronische ziekte.

De berekeningen zijn gebaseerd op twee definities van mensen met een chronische ziekte: mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening (zie indicator CHR-1) en mensen die in de EU-SILC-enquête zelf aangaven aan een chronische ziekte te lijden.

RESULTATEN

Er zijn aanzienlijke verschillen tussen huishoudens met en zonder zelfgerapporteerde chronische aandoeningen:

  • Bij huishoudens met een chronisch ziek gezinslid is het aandeel van verarmende of verder verarmende eigen bijdragen hoger dan bij huishoudens zonder chronisch ziek gezinslid (1,7% versus 1,1% in 2016).
  • Het aantal huishoudens met catastrofale eigen bijdragen is twee keer zo hoog bij huishoudens met een gezinslid dat aangeeft aan een chronische ziekte te lijden (2,9% versus 1,4% in 2016).

Catastrofale eigen bijdragen komen ook vaker voor bij huishoudens met een gezinslid dat het RIZIV-statuut chronische aandoening heeft.

Figuur 6 – Percentage huishoudens met verarmende of verder verarmende eigen bijdragen, catastrofale eigen bijdragen en zonder eigen bijdragen (2008-2016), op basis van het statuut chronische aandoening en zelfgerapporteerde chronische problemen

EQ4

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Kwaliteit van de zorg – Doeltreffendheid

Vermijdbare ziekenhuisopnames ten gevolge van astma (QE-1), ongecontroleerde diabetes of complicatie van diabetes (QE-2) en chronische obstructieve longziekte (COPD) (QE-10)

Astma en diabetes zijn wijdverspreide chronische ziekten. Voor beide bestaan doeltreffende behandelingen met een solide wetenschappelijke basis (evidence-based). Deze behandelingen kunnen grotendeels worden uitgevoerd in eerstelijnszorg (= door de huisarts). Een succesvolle eerstelijnszorg moet daarom in grote mate ziekenhuisopnames voor complicaties van astma of diabetes kunnen vermijden.

Een hoog aantal ziekenhuisopnames voor deze twee ziekten kan dus worden beschouwd als een indicator voor de zwakke doeltreffendheid van de eerstelijnszorg. Het kan ook worden gezien als een teken van slechte coördinatie van de continuïteit van de zorg.

Het aantal ziekenhuisopnames ten gevolge van chronische obstructieve longziekte (COPD) is eveneens een indicator voor de prestaties van de eerstelijnszorg. Het gaat echter vaak om zeer kwetsbare patiënten die vaak in het ziekenhuis moeten worden opgenomen; het is dan ook niet zozeer het aantal ziekenhuisopnames dat interessant is om te volgen, maar de evolutie van dit aantal.

RESULTATEN
Tabel 3 - Resultaten van de indicatoren met betrekking tot de doeltreffendheid van de zorg voor chronisch zieken
 (ID) IndicatorScoreBelJaarVlaWalBruBronUE-15
(gemid.)
[Bel]
Streefdoel
Doeltreffendheid van de eerstelijnszorg - vermijdbare ziekenhuisopnames
QE-1 Ziekenhuisopnames voor astma bij volwassenen (per 100 000 inwoners van 15+)  green improving! 27,9 2019 28,7 26,8 26,3 MZG
OESO
30,3*
[27,1]*
 
QE-2 Ziekenhuisopnames voor omplicaties bij diabetes bij volwassenen (per 100 000 inwoners van 15+)  orange improving 146,7 2019 149,9 140,3 148,1 MZG
OESO
105,2*
[134,6]*
 
QE-10 Ziekenhuisopnames voor chronische obstructieve longziekte (per 100 000 inwoners van 15+)  red deteriorating! 330,9 2019 314,7 393,8 228,3 MZG
OESO
190,4*
[278,9]*
 
Doeltreffendheid van de zorg - therapietrouw bij een lange en moeilijke behandeling
QE-11
NEW
Succesvolle behandeling van longtuberculose (TB) (% van de patiënten met longtuberculose die succesvol werden behandeld)  orange stable 81,2 2018 80,8 84,2 79,3 Belgisch TB-register 75,5
[80,9]*
85 %
(WGO-EU, ECDC)

*Gestandaardiseerde cijfers leeftijd-geslacht; ! De vergelijking met het EU-15-gemiddelde moet met de nodige voorzichtigheid gebeuren, omwille van verschillen in ICD codering; #Alle incidentele TB-gevallen (niet alleen pulmonale TB-gevallen), §Het EU-7-gemiddelde moet met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, aangezien het alleen betrekking heeft op landen die follow-upgegevens hebben gerapporteerd voor ten minste 80% van hun respectieve TB-cohort.

  • Voor astma (QE-1) is het aantal vermijdbare ziekenhuisopnames gedaald van 39,2 per 100 000 inwoners in 2009 naar 36,3 per 100 000 inwoners in 2014. Een wijziging in de coderingsnormen vanaf 2016 (voor België), die resulteerde in een verschuiving van sommige gemengde pathologieën van astma naar COPD, verhindert echter een vergelijking van de huidige evolutie met de jaren vóór 2016. Voor de periode 2016-2019 is er sprake van een afname van het aantal vermijdbare ziekenhuisopnames, met 32,1 per 100 000 inwoners in 2016 en 27,9 per 100 000 inwoners in 2019. Hoewel Brussel in 2016 een hoger aantal vermijdbare ziekenhuisopnames telde, zijn de cijfers voor 2019 voor de drie regio's van het land vrij gelijklopend: 28,7 per 100 000 inwoners in Vlaanderen, 26,8 per 100 000 inwoners in Wallonië en 26,3 per 100 000 inwoners in Brussel.
  • Voor diabetes (QE-2) is het aantal vermijdbare ziekenhuisopnames de afgelopen tien jaar licht gedaald, van 185,4 per 100 000 inwoners in 2009 naar 146,7 per 100 000 inwoners in 2019. De cijfers zijn in de drie regio's vrij gelijklopend.
  • Voor COPD (QE-10) is het aantal ziekenhuisopnames vrij stabiel gebleven in de periode 2009-2014, met respectievelijk 172,2 en 158,3 ziekenhuisopnames per 100 000 inwoners in België in 2009 en 2014. Net als bij astma verhindert een wijziging in de coderingsnormen in 2016 verdere vergelijkingen met de jaren vóór 2016. Voor de periode 2016-2019 is er sprake van een stijging van het aantal ziekenhuisopnames voor COPD, behalve in Brussel. In 2019 ging het om 228,3 per 100 000 inwoners in Brussel, 314,7 in Vlaanderen en 393,8 in Wallonië.
  • Zowel voor astma als voor complicaties bij diabetes zien we dus een neerwaartse trend voor vermijdbare ziekenhuisopnames in de afgelopen jaren, wat wijst op een verbetering van de kwaliteit van de eerstelijnszorg. Deze daling wordt ook in andere Europese landen waargenomen. Voor diabetes is deze daling echter meer uitgesproken op het niveau van het Europese gemiddelde dan in België. Voor COPD daarentegen zien we een stijging in België (behalve in Brussel, waarschijnlijk omdat de bevolking jonger is), maar stabiliteit op Europees niveau.
  • België bevindt zich boven het EU-15-gemiddelde voor diabetes en COPD maar is dit soort vergelijking niet erg informatief. Verschillen tussen landen kunnen namelijk te wijten zijn aan andere factoren dan de kwaliteit van de zorg. Daarom verdient het de voorkeur de ontwikkeling in de tijd van deze indicatoren in een bepaald geografisch gebied te volgen.
  • Er zijn zorgtrajecten ingevoerd om de zorg voor diabetespatiënten te verbeteren, maar niet voor astma- en COPD-patiënten. De zorg voor deze patiënten in gespecialiseerde centra en revalidatiecentra is echter ook het voorwerp van specifieke conventies.
Figuur 7 – Aantal ziekenhuisopnames voor astma per regio van de patiënt per 100 000 inwoners die ouder zijn dan 15 jaar (2009-2019)
Figuur 8 – Aantal ziekenhuisopnames voor (complicaties van) diabetes per regio per 100 000 inwoners die ouder zijn dan 15 jaar (2009-2019)

Figuur 9 – Aantal ziekenhuisopnames voor COPD per regio per 100 000 inwoners die ouder zijn dan 15 jaar (2009-2019)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

- Slagingspercentage van de behandeling van longtuberculose (QE-11)

Deze indicator wordt gebruikt om de doeltreffendheid van de behandeling van tuberculose en de mate van therapietrouw van de patiënten te beoordelen. De indicator geeft met andere woorden aan in hoeverre het Belgische gezondheidssysteem in staat is de therapietrouw van de patiënt te garanderen bij een lange en moeilijke behandeling, die vooral een publiek treft dat zich in een precaire situatie bevindt. België beschikt over een Belgisch tuberculoseregister, dat wordt bijgehouden door het Fonds des affections respiratoires (FARES), de Vlaamse vereniging voor respiratoire gezondheidszorg en tuberculosebestrijding (VRGT) en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, en dat een nauwkeurig beeld geeft van de situatie in ons land, aangezien de melding van deze ziekte in de drie gewesten verplicht is.
De WHO heeft voor de Europese regio van de WHO een streefcijfer van 85% vastgesteld voor het percentage geslaagde tuberculosebehandelingen.

RESULTATEN
  • Uit het rapport van 2019 van het Belgisch tuberculoseregister blijkt dat 81,2% van de longtuberculosegevallen die in 2018 werden gediagnosticeerd, binnen het jaar met succes werden behandeld. Dit percentage gunstige resultaten komt overeen met een stijging van 3,5 procentpunten ten opzichte van 2017 (77,7%), maar een daling van 3 procentpunten ten opzichte van 2014 (84,2%). In feite is dit percentage in de verschillende regio's al verscheidene jaren vrij stabiel.
  • In de vergelijking van de slagingspercentages van de tuberculosebehandeling (alle locaties) van 7 Europese landen (gegevens uit 2018), heeft België een percentage van 81,7%, waarmee het op de tweede plaats komt, net na Nederland (85,1%). De waarde van deze vergelijking is echter beperkt, aangezien verschillende landen slechts een klein deel van hun monitoringgegevens rapporteren.
Figuur 10 – Slagingspercentage van de behandeling van longtuberculose (% mensen dat met succes is behandeld), per jaar en per regio

Figuur 11 – Slagingspercentage van de behandeling van tuberculose in 7 Europese landen

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten.

Kwaliteit van de zorg – Gepastheid

Gepastheid van de opvolging van patiënten met diabetes (QA-1 en QA-2)

Diabetes is een chronische ziekte die wordt gekenmerkt door een te grote hoeveelheid glucose in het bloed. Bij gebrek aan de juiste behandeling lopen mensen met diabetes een hoog risico op het ontwikkelen van hart- en vaatziekten (myocardinfarct, cerebrovasculair accident) of nierfalen. Ongecontroleerde diabetes verhoogt ook het risico op gezichtsverlies of beschadiging van zenuwen en bloedvaten die kan leiden tot chronische voetwonden of zelfs amputatie. Volgens de cijfers van het rapport over de gezondheidstoestand van de bevolking heeft in België 6,3% van de bevolking een gekende diabetesdiagnose (type 1 en 2 samen, cijfers uit 2018). Aangezien ongeveer een op de drie mensen met diabetes niet weten dat ze de ziekte hebben, kan de werkelijke prevalentie van diabetes dus op ongeveer 10% van de bevolking worden geschat.
De opvolging van een persoon met diabetes bestaat uit het controleren van het geglyceerd hemoglobine (HbA1c, dat de 'suikerbelasting' in het bloed meet) ten minste tweemaal per 15 maanden, het controleren van het lipidengehalte, het albuminegehalte (microalbuminurie of totaal eiwitgehalte) en het creatininegehalte ten minste eenmaal per 15 maanden, en ten minste één oogheelkundig onderzoek over een periode van 15 maanden. Aan de hand van deze indicator wordt het aantal diabetespatiënten bepaald die elk van deze vijf tests met de aanbevolen frequentie hebben ondergaan in de afgelopen 15 maanden. Er worden aparte berekeningen uitgevoerd voor diabetespatiënten (van 18 jaar en ouder) die met insuline worden behandeld (QA-1) en diabetespatiënten (van 50 jaar en ouder) die met andere anti-diabetische geneesmiddelen worden behandeld (QA-2).

RESULTATEN
Tabel 4 - Resultaten van de indicatoren voor de gepastheid van de zorg voor chronische patiënten
(ID)IndicatorrScoreBelgïeJaarVlaanderenWallonïeBrussel
QA-1 Aandeel van volwassen diabetici (18+) onder insuline en met gepaste opvolging orange stable 43,2 2019 46,7 36,8 45,7
QA-2 Aandeel van volwassen diabetici (vanaf 50 jaar) met andere glucoseverlagende geneesmiddelen dan insuline en gepaste opvolging orange stable 15,9 2019 16,4 13,4 22,9
Bron: IMA, geen gemiddelde voor UE-15.
  • Van de volwassen diabetespatiënten die met insuline worden behandeld, onderging 43,2% alle 5 de tests die werden geselecteerd om de kwaliteit van de opvolging van diabetes in de afgelopen 15 maanden te beoordelen, wat een verbetering is ten opzichte van 2009 (36,3%).
  • Bij diabetespatiënten die worden behandeld met andere antidiabetica dan insuline, is de dekking van de vijf tests samen veel lager, namelijk 15,9%, wat ook een verbetering is ten opzichte van 2009 (9,1%).
  • De verschillen tussen de gewesten zijn klein, maar voor volwassen diabetici die met insuline worden behandeld, zijn de resultaten in Wallonië iets minder goed. Voor volwassen diabetici die met andere antidiabetica dan insuline worden behandeld, is de opvolging in Brussel de beste.
  • De lage percentages voor de vijf tests samen kunnen gedeeltelijk worden verklaard door het feit dat deze vijf tests in een aantal recente richtsnoeren niet voor alle patiënten met diabetes worden aanbevolen. Zo worden sommige maatregelen pas aanbevolen na meer dan 5 jaar diabetes (voor diabetes type 1) en kan voor sommige patiënten een bezoek aan een oogarts om de 2 jaar worden overwogen. Daarom is het van belang ook de gedetailleerde resultaten per test te bekijken.
  • Voor diabetici die met insuline worden behandeld, zijn serumcreatinine (97,4%), cholesterolmetingen (92,4%) en geglyceerd hemoglobine (84,1%) zeer goed gedekt. Jaarlijkse bezoeken aan de oogarts (66,7%) en albuminemetingen (microalbuminurie [62,5%] of proteïnurie [31,2%]) zijn minder goed gedekt, maar zoals hierboven vermeld, worden deze bij sommige patiënten niet systematisch aanbevolen.
  • Bij volwassen diabetici die andere antidiabetica dan insuline krijgen, zijn de serumcreatininemetingen (94,9%) en cholesterolmetingen (90,1%) goed gedekt, is geglyceerd hemoglobine minder frequent (tweemaal per jaar bij slechts 66,2%) en worden de albuminemeting en oogheelkundige consultaties jaarlijks bij minder dan de helft van de patiënten uitgevoerd. Verdere analyse zou nodig zijn om de oorzaak van deze lage percentages vast te stellen, met name wat betreft het oogheelkundig onderzoek: kunnen deze slechte resultaten gedeeltelijk worden verklaard door de nieuwe klinische richtsnoeren, of weerspiegelen zij een mogelijk probleem van coördinatie (tussen artsen) of toegankelijkheid van de zorg (bijv. lange wachttijden)?
Figuur 12 – Percentage diabetespatiënten bij wie de combinatie van vijf tests op 15 maanden werd uitgevoerd, per regio en jaar (2009-2019)

Figuur 13 – Percentage diabetespatiënten bij wie de combinatie van vijf tests op 15 maanden werd 2ioral, details per test, 2019, België

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Kwaliteit van de zorg – Zorgcontinuïteit

- Percentage van de bevolking dat over een globaal medisch dossier (QC-1) beschikt

In België kan iedereen sinds 2001 aan een huisarts vragen om een globaal medisch dossier (GMD) te openen om daarin al zijn of haar medische gegevens te beheren. Zo heeft deze arts een beter globaal beeld van alles wat met de gezondheid van deze persoon te maken heeft, zoals medische voorgeschiedenis, behandelingen, allergieën, vaccinaties, ziekenhuisopnames, enz. Alle onderzoeken en consultaties bij andere zorgverleners worden ook in dit dossier opgenomen, waardoor nutteloze onderzoeken kunnen vermeden worden en er een betere communicatie ontstaat tussen de verschillende zorgverleners. Het is dus een garantie voor een optimaal beheer van ieders gezondheid.

Sinds 2016 is het GMD elektronisch geworden en het wordt nu het elektronisch medisch dossier (EMD) genoemd. Huisartsen zijn verplicht om goedgekeurde software aan te schaffen om deze computerbestanden uiterlijk in 2020 te beheren. Deze indicator evalueert het percentage van de bevolking dat beschikt over een globaal medisch dossier (al dan niet elektronisch).

De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Kwaliteit/continuïteit van de zorg; hier ligt de focus op mensen met een chronische ziekte.

RESULTATEN
Tabel 5 - Indicatoren voor de zorgcontinuïteit, met en zonder het statuut chronische aandoening
(ID)IndicatorStatuutScoreBelVlaWalBru
Informationele continuïteit in de huisartsenpraktijk
QC-1 Gebruik van een globaal medisch dossier (% personen dat een globaal medisch dossier (GMD) heeft bij een huisarts) Totaal green stable 77,9 83,9 72,6 60,8
RIZIV-statuut chronische aandoening orange stable 88,3 92,5 83,5 75,7
Geen statuut chronische aandoening Nvt 77,3 83,3 71,8 60,0
Informationele continuïteit op het vlak van medicatie
QC-7
NIEUW
Percentage personen met een referentieapotheker (%) Totaal Nvt 7,3 8,9 5,6 4,1
  RIZIV-statuut chronische aandoening red improving 28,5 33,6 21,4 20,8
  Geen statuut chronische aandoening Nvt 4,6 5,6 3,3 2,5
Managementcontinuïteit tussen ziekenhuis en huisarts
QC-3 Contact met huisarts binnen 7 dagen na ziekenhuisontslag (% patiënten van 65+) Totaal orange deteriorating 53,2 54,2 53,2 42,9
  RIZIV-statuut chronische aandoening orange deteriorating 58,1 59,4 57,8 46,5
  Geen statuut chronische aandoening red deteriorating 46,9 47,7 47,0 38,3
Nvt = Niet van toepassing. Jaar: 2019, Bron: IMA, Geen gemiddelde voor UE-15.
Tabel 6 - Indicatoren voor de continuïteit van de zorg voor chronisch zieken
(ID)IndicatorScoreBelVlaWalBru
Coördinatie in de ambulante zorg voor chronisch zieken
QC-4 Aandeel volwassen diabetici onder insuline (18+) met conventie/paspoort/zorgtraject (%) green stable 91,0 92,6 89,6 86,8
QC-5 Aandeel volwassen diabetici (50+) dat andere glucoseverlagende geneesmiddelen dan insuline krijgt met conventie/paspoort/zorgtraject (%) red improving 26,2 32,9 16,9 23,0
Jaar: 2019, bron: IMA, geen gemiddelde voor UE-15.
  • Het percentage van de bevolking dat beschikt over een globaal medisch dossier neemt toe met de jaren. Het is gestegen van 60,1% in 2014 naar 77,9% in 2019. De stijging van deze dekking is echter minder groot voor patiënten met het statuut chronische aandoening (+12,6 procentpunten) dan voor andere patiënten (+18,2 procentpunten).
  • Het percentage personen met een globaal medisch dossier is hoger bij patiënten die het RIZIV-statuut chronische aandoening hebben (2019: 88,3%) dan bij personen zonder dit statuut (2019: 77,3%), met uitzondering van oudere personen en personen in de leeftijdsgroep van 24-44 jaar.
  • Er zijn verschillen tussen de regio's (Vlaanderen heeft een betere dekking dan de andere regio's), maar deze worden in de loop van de tijd kleiner. Hetzelfde wordt waargenomen tussen chronische en niet-chronische patiënten.
Figuur 14 – Evolutie van verzekerde personen met een globaal medisch dossier per regio, per jaar (2014-2019) en uitgesplitst naar statuut chronische aandoening

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

- Percentage van de patiënten met een referentieapotheker (QC-7)

Sinds 1 oktober 2017 heeft het RIZIV een dienstverlening “referentieapotheker” opgezet voor mensen met een chronische ziekte die naar de apotheek gaan (dit geldt niet voor mensen die in een woonzorgcentrum wonen). Deze dienst bestaat uit het registreren van de verstrekte geneesmiddelen in het (elektronisch) farmaceutisch dossier, het verstrekken van een medicatieschema aan de patiënt en het beschikbaar stellen van dit medicatieschema aan andere zorgverleners.

Deze indicator evalueert het gebruik van deze dienst onder mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening in vergelijking met mensen zonder dit statuut.

Uit een enquête die het Observatorium voor chronische ziekten in 2020 heeft afgenomen bij een steekproef van patiënten met een referentieapotheker is gebleken dat:

  • 80% een duidelijke uitleg kreeg over de dienstverlening;
  • 51% een medicatieschema heeft gekregen en dat 84% van deze mensen van mening is dat het hun medicijngebruik niet heeft veranderd;
  • 33% weet dat hun huisarts op de hoogte is van het feit dat ze een referentieapotheker hebben;
  • 66% vindt dat er een goede communicatie is tussen al hun zorgverleners over het beheer van hun geneesmiddelen.
RESULTATEN
  • Het gebruik van een referentieapotheker neemt toe: eind 2019 had 29% van de mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening (waarvan 57% vrouwen) een referentieapotheker.
  • Dit percentage is het hoogst in Vlaanderen en het laagst in Wallonië.
Figuur 15 – Percentage personen met het statuut chronische aandoening dat een referentieapotheker heeft, per regio (2017-2019)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten.

Percentage patiënten van 65 jaar en ouder dat contact heeft met een huisarts na ontslag uit het ziekenhuis (QC-3)

Deze indicator evalueert het percentage van de ziekenhuisontslagen van ouderen (65+) die binnen een week gevolgd worden door een contact met een huisarts, waardoor de continuïteit van de relatie tussen het ziekenhuis en de huisarts (eerstelijnsgeneeskunde) kan worden beoordeeld.

Voor oudere mensen is de terugkeer naar hun eigen leefomgeving na een ziekenhuisopname vaak een delicaat moment. Het is immers niet alleen een kwestie van het verlaten van het ziekenhuis, maar ook van het (her)inrichten zonder onderbreking van een organisatie van zorg en emotionele ondersteuning die hen in staat stelt hun normale leven te hervatten. Daarom is het aan te bevelen dat elke oudere persoon die het ziekenhuis verlaat binnen ongeveer een week bij een huisarts langsgaat om na te gaan of de regelingen die bij ontslag zijn getroffen (nog) passend zijn. Dit vermindert het aantal heropnames in het ziekenhuis en de duur van de ziekenhuisopnames.

Deze indicator is des te belangrijker omdat het aantal oudere patiënten toeneemt en de gemiddelde verblijfsduur afneemt. In de afgelopen jaren zijn er veel initiatieven (bijvoorbeeld geïntegreerde zorgtrajecten) geïmplementeerd om de zorgcontinuïteit te versterken.

De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Kwaliteit/continuïteit van de zorg; hier ligt de focus op mensen met een chronische ziekte.

RESULTATEN
  • Ondanks de veronderstelde voordelen van contact met een huisarts in de week na ontslag uit het ziekenhuis, is het opvolgingspercentage in de loop van de tijd gedaald van 60,7% in 2013 tot 53,2% in 2019 (van 65,2% tot 58,1% voor de mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening en van 55,9% tot 46,9% voor de mensen zonder dit statuut). Deze daling kan zowel wijzen op een vermindering van de vroegtijdige opvolging of op een verschuiving in opvolging naar andere zorgverleners.
  • Er zijn aanzienlijke verschillen in het opvolgingspercentage. Uit de analyse ervan blijkt dat de opvolging, ondanks de algemene neerwaartse trend, meer gericht is op de mensen met de grootste behoeften, zoals mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening: 58,1% versus 46,9% bij mensen die dit statuut niet hebben (2019).
  • Het opvolgingspercentage is lager in Brussel dan in Vlaanderen en Wallonië voor de gehele bevolking.
Figuur 16 – Evolutie van het percentage patiënten van 65 jaar en ouder dat contact heeft met een huisarts na ontslag uit het ziekenhuis, per statuut en per jaar (2013-2019)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

- Percentage mensen met diabetes dat is opgenomen in een zorgmodel voor diabetes (QC-4 et QC-5)

Het RIZIV heeft verschillende zorgmodellen ingevoerd om de zorg voor diabetespatiënten te optimaliseren: zorgtrajecten, conventies in het kader van programma's in gespecialiseerde centra en 'pretrajecten voor diabetes' voor patiënten met diabetes type 2 (die sinds 2016 de 'diabetespaspoorten' vervangen).

De doelstellingen van deze verschillende zorgmodellen zijn het beter informeren van patiënten en hun familie over de behandeling, het omgaan met complicaties enz., het stimuleren van hun betrokkenheid bij de zorg en het bevorderen van een goede communicatie tussen de patiënt en de verschillende zorgverleners. Omwille van dit laatste punt gebruiken we deze indicator voor de evaluatie van de zorgcontinuïteit.

Afhankelijk van het geval genieten de patiënten die in een van deze formules zijn ingeschreven van een betere vergoeding voor consultaties bij hun huisarts en diabetoloog, voor terugbetaling van hun apparatuur voor zelfcontrole van de bloedsuikerspiegel en voor consultaties bij verpleegkundigen gespecialiseerd in diabetesbeheer, diëtisten, chiropodisten enz.

In deze populatie hebben we twee indicatoren berekend die de continuïteit van de zorgcoördinatie meten:

  •  het percentage personen met diabetes (ouder dan 18 jaar) die met insuline wordt behandeld en is opgenomen in een zorgtraject, in een zorgprogramma in een geconventioneerd gespecialiseerd centrum, in een pretraject, of die in het bezit is van een diabetespaspoort (QC-4);
  • het percentage volwassen personen met diabetes (ouder dan 50 jaar) die wordt behandeld met andere glucoseverlagende geneesmiddelen dan insuline en is opgenomen in een zorgtraject, in een zorgprogramma in een geconventioneerd gespecialiseerd centrum, in een pretraject, of die in het bezit is van een diabetespaspoort (QC-5).

 

RESULTATEN
  • Het percentage volwassen diabetici die met insuline wordt behandeld en in ten minste één zorgmodel is opgenomen (een zorgtraject, een conventie of diabetespaspoort/pretraject), is relatief hoog (91,0%). De meerderheid is geregistreerd binnen een conventie (82,7%), maar er was een relatieve stijging van het aantal zorgtrajecten. De globale tendens is stabiel sinds 2014.
  • Van de patiënten die worden behandeld met andere glucoseverlagende geneesmiddelen dan insuline, is daarentegen slechts 26,2% opgenomen in een diabeteszorgmodel, waarvan iets meer dan de helft in een zorgtraject en de andere helft in een pretraject voor diabetes (of een diabetespaspoort). Toch kan een positieve trend worden waargenomen, vooral voor zorgtrajecten.
  • Patiënten die met insuline worden behandeld en een lage socio-economische status hebben (rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming) worden iets minder vaak in een van beide modellen opgenomen. Omgekeerd worden patiënten die met andere glucoseverlagende geneesmiddelen dan insuline worden behandeld en een lage socio-economische status hebben, iets vaker opgenomen.
  • Het percentage patiënten met ten minste één opname in een diabeteszorgmodel is vergelijkbaar tussen de regio's voor patiënten die met insuline worden behandeld. Voor patiënten die worden behandeld met andere glucoseverlagende geneesmiddelen dan insuline, ligt dit percentage hoger in Vlaanderen (32,9%) dan in de andere twee gewesten (16,9% voor Wallonië en 23,0% voor Brussel).
Figuur 17 – Evolutie van het percentage patiënten in een diabeteszorgmodel, per zorgmodel (2014-2019)

Figuur 18 – Percentage patiënten in een diabeteszorgmodel, per regio (2006-2016)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Kwaliteit van de zorg – Patiëntgerichtheid

- Ervaring van de patiënten met de arts (QP-1, QP-3, QP-4)

Patiëntgerichte zorg is een benadering van de gezondheidszorg die zich doelbewust richt op de behoeften van de patiënt, zijn of haar individuele voorkeuren respecteert en ervoor zorgt dat zijn of haar waarden de klinische besluitvorming sturen. De beoordeling van de patiëntgerichtheid is doorgaans toegespitst op de erkenning van de behoeften, wensen en voorkeuren van de patiënt, de kwaliteit van de communicatie met de zorgverlener en de betrokkenheid van de patiënten en hun familieleden bij de zorg. Deze patiëntgerichtheid verbetert de ervaring van de patiënt en voorkomt de problemen die gepaard gaan met gefragmenteerde zorg, zoals tegenstrijdige medische adviezen, te veel voorschriften, te lange ziekenhuisopnames en een gebrek aan responsiviteit.

Sinds 2011 verzamelt de OESO voor haar 'Health at a Glance'-rapport vragen over hoe patiënten de kwaliteit van de consultatie ervaren. Sciensano heeft een aantal van deze vragen opgenomen in de vragenlijst van de Gezondheidsenquête; de antwoorden op drie van deze vragen worden hier gebruikt als indicatoren:

Vraag: De laatste keer dat u op consultatie bent geweest bij een arts (huisarts of specialist),

  • heeft deze arts toen voldoende tijd aan u besteed? (QP-1)
  • heeft deze arts u de gelegenheid gegeven om vragen te stellen of uw bezorgdheden te uiten in verband met de aanbevolen behandeling? (QP-3)
  • heeft deze arts u zoveel als u wilde betrokken in beslissingen over de zorg en de behandeling? (QP-4)

De algemene resultaten voor deze indicatoren worden besproken in het hoofdstuk Kwaliteit van de zorg/Patiëntgerichte zorg; hier ligt de focus op mensen met een chronische ziekte.

De berekeningen zijn gebaseerd op twee definities van mensen met een chronische ziekte: mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening en mensen die in de meest recente gezondheidsenquête zelf aangaven aan een chronische ziekte te lijden (zie de indicatoren CHR-1 en CHR-2).

RESULTATEN
Tabel 7 - Resultaten van de indicatoren voor de patiëntgerichtheid van zorg, chronische versus niet-chronisch status
 StatusScoreBelVlaWalBruUE-15
(gemid.)
QP-1 Arts spendeert genoeg tijd aan patiënt tijdens consultatie (% van de respondenten, contact met huisarts/specialist)
Totaal green stable 97,5 97,8 97,2 95,9 81,7
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja green stable 97,6 98,3 96,7 96,7 -
Nee green stable 97,4 97,7 97,2 95,9
Zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening Ja green stable 97,4 98,0 96,9 96,5
Nee green stable 97,6 98,0 97,4 95,4
RIZIV-statuut chronische aandoening & zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening Ja green stable 98,2 98,6 98,3 95,6
QP-3 Arts geeft de gelegenheid om vragen te stellen of zorgen te uiten (% van de respondenten, contact met huisarts/specialist)
Totaal green stable 97,5 98,0 97,0 95,9 -
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja green stable 96,6 98,3 96,6 96,7 -
Nee green stable 97,7 98,1 97,2 96,0
Zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening Ja green stable 97,1 97,8 96,6 94,3
Nee green stable 97,7 98,0 97,5 96,2
RIZIV-statuut chronische aandoening & zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening Ja green stable 97,3 97,5 97,8 94,4
QP-4 Arts betrekt patiënt bij beslissingen over zorg en/of behandelingen (% van de respondenten, contact met huisarts/SP)
Totaal green stable 95,4 96,0 94,8 93,8 82,8**
RIZIV-statuut chronische aandoening Ja green stable 95,8 96,9 94,6 93,5 -
Nee green stable 95,4 95,8 94,8 94,1
Zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening Ja green stable 94,3 95,1 93,6 91,8
Nee green stable 96,1 96,6 95,8 94,1
RIZIV-statuut chronische aandoening & zelfgerapporteerde chronische ziekte of aandoening Ja green stable 96,2 97,3 95,6 91,4  
*OESO19, bron: Health at a Glance 2021, **OESO11, bron: Health at a Glance 2021. Jaar: 2018, bron: HISLink
  • Voor alle drie de vragen is de positieve ervaring van de patiënten hoog, ongeacht leeftijd, regio en statuut chronische aandoening (QP-1).
  • De positieve ervaring van de mogelijkheid om vragen te stellen of zorgen te uiten over de behandeling (QP-3) is zeer hoog en varieert niet naargelang het statuut chronische aandoening (RIZIV of zelfgerapporteerd in de gezondheidsenquête). Ze is stabiel doorheen de tijd en vergelijkbaar in de verschillende regio's.
  • De vraag over betrokkenheid bij zorgbeslissingen (QP-4) scoort iets lager dan de andere twee vragen. De gerapporteerde ervaring is iets positiever in Vlaanderen dan in Wallonië en Brussel. Er lijkt geen duidelijk verschil te zijn in functie van het statuut chronische aandoening (RIZIV of zelfgerapporteerd in de gezondheidsenquête), hoewel Waalse patiënten die zowel het RIZIV-statuut hebben als een chronische aandoening rapporteren minder positieve ervaringen melden (91,4%) dan mensen zonder chronische ziekte of mensen die of met slechts één van de twee indicaties voor chronische ziekte.
  • Over het algemeen melden patiënten die het RIZIV-statuut chronische aandoening hebben én zelf aangeven een chronische ziekte te hebben, vaker een positieve ervaring dan patiënten met slechts één van beide indicaties.
  • Uit een vergelijking met andere landen blijkt dat België op de eerste plaats staat wat betreft de positieve ervaring van patiënten met de tijd die hun arts besteedt aan de consultatie en op de tweede plaats wat betreft de perceptie van patiënten dat zij betrokken worden bij de beslissing over hun zorg of behandeling. Er is echter geen internationaal vergelijkende analyse waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen chronisch zieken en anderen.
Figuur 19 – Percentage personen (van 15 jaar en ouder) met een positieve ervaring wat betreft de tijd die de arts aan hen besteedt tijdens een consultatie, in functie van het al dan niet hebben van het RIZIV-statuut en per regio (QP-1)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Efficiëntie

- Percentage low-care nierdialyse (E-5)

Hemodialyse, een chronische behandeling bij uitstek, is zeer duur wanneer deze in het ziekenhuis wordt uitgevoerd, maar er zijn goedkopere (low-care) alternatieven zoals peritoneale dialyse of hemodialyse in een satellietcentrum of thuis. Deze alternatieven kunnen geschikt zijn voor veel patiënten met nierfalen. De tijdsregeling voor deze dialyses zijn ook flexibeler dan bij dialyse in het ziekenhuis. Daarom werd aan de algemene ziekenhuizen die het financieringsovereenkomst voor dialyse hebben ondertekend, gevraagd om in 2018 ten minste 40% low-care dialyses te realiseren.

Deze indicator geeft informatie over het aandeel van low-care dialyses die door Belgische ziekenhuisteams weren uitgevoerd.

RESULTATEN
Tabel 8 - Resultaten van de indicatoren de efficiëntie van de zorgsysteem
(ID)IndicatorScoreBelgïeVlanderenWallonïeBrussel
E-5
NIEUW
Percentage low-care nierdialyse (%) orange improving 43,0 44,3 41,0 43,2
Jaar: 2020, source: RIZIV, geen gemiddelde voor UE-15.
  • Sinds 2018 hebben 52 ziekenhuizen de financieringsovereenkomst met het RIZIV ondertekendend, waarin een streefcijfer van ten minste 40% low-care dialyse is vastgelegd.
  • Het percentage van 40% low-care dialyse wordt zowel op nationaal niveau (43,0%) als voor de drie gewesten (43,2% in Brussel, 41,0% in Vlaanderen en 44,3% in Wallonië) gehaald (2020).
  • Op het niveau van de individuele ziekenhuizen daarentegen wordt de doelstelling van 40% slechts door 45 van de 52 ziekenhuizen (86,5%) gehaald, waaronder 8 van de 9 in Brussel, 18 van de 24 in Vlaanderen en 19 van de 19 in Wallonië. Het gaat om 28 algemene ziekenhuizen (van de 33), 11 niet-universitaire algemene ziekenhuizen met universitair karakter (van de 12) en 6 universitaire ziekenhuizen (van de 7).

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Preventie

Vaccinatie van ouderen tegen de griep (P-4)

Vaccinatie tegen de griep wordt beschouwd als de meest doeltreffende voorzorgsmaatregel om de frequentie en ernst van infecties met het influenzavirus te verminderen. In België wordt deze vaccinatie momenteel aanbevolen voor (onder andere) alle mensen van 65 en ouder en voor alle mensen die in een woonzorgcentrum wonen.

Als doelstelling beveelt de WHO een vaccinatiepercentage van 75% aan voor ouderen.

Het percentage ouderen (65+) die in het voorgaande jaar tegen de griep zijn ingeënt is een belangrijke indicator voor de evaluatie van de toegankelijkheid van de preventieve zorg. Deze indicator wordt berekend op basis van terugbetalingsgegevens voor het vaccin van het RIZIV.

De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Preventieve zorg; hier wordt de analyse gemaakt vanuit de specifieke invalshoek van mensen die met een chronische ziekte leven.

RESULTATEN
Tabel 9 - Resultaten van de indicatoren voor de preventie, chronische versus niet-chronisch status
 StatutScoreBEVlaWalBruBronUE15
(gemid.)
Doelstelling
P-4 Griepvaccinatie (% van populatie 65+)
  Totaal red stable 55,1 60,8 46,1 44,7 IMA ; OESO 53,7 75% (WGO)
RIZIV-statuut chronische aandoening orange improving 72,3 77,7 64,3 63,6    
Geen statuut chronische aandoening red stable 48,1 54,2 38,0 37,0    
P-6 Borstkankerscreening (% vrouwen van 50-69 jaar), georganiseerde screening
  Totaal red stable 33,2 50,2 4,7 10,4 IMA - -
RIZIV-statuut chronische aandoening red stable 28,2 45,6 4,7 12,0    
Geen statuut chronische aandoening red stable 33,0 50,9 4,7 10,0    
P-7 Borstkankerscreening (% vrouwen van 50-69 jaar), alle mammografieën
  Totaal red stable 59,7 65,3 51,5 51,0 IMA 73,5 75% (UE)
RIZIV-statuut chronische aandoening red stable 58,8 63,0 53,2 55,5    
Geen statuut chronische aandoening red stable 59,9 65,7 51,1 50,0    
P-11 Regelmatige tandartsbezoek (% populatie 3+)
  Totaal orange improving 55,3 60,0 51,0 50,1 IMA -  
RIZIV-statuut chronische aandoening orange improving 53,1 54,7 49,7 56,5    
Geen statuut chronische aandoening orange improving 55,6 60,7 51,2 49,3    
Jaar: 2019
  • In 2019 was de vaccinatiegraad tegen griep voor mensen van 65 jaar en ouder (en die niet in een instelling woonden) 55,1%, wat ruim onder de WHO-doelstelling van 75% is. De vaccinatiegraad was stabiel sinds 2013 (56,4%).
  • Niettemin ligt de vaccinatiegraad tegen griep in België hoger dan het gemiddelde van de EU-15-landen (53,7% in 2018).
  • Er is een verschil tussen de gewesten, met 60,8% in Vlaanderen, 46,1% in Wallonië en 44,7% in Brussel.
  • In 2019 was de vaccinatiegraad hoger bij patiënten met het RIZIV-statuut chronische aandoening (72,3%) dan bij patiënten zonder dit statuut (48,1%). Dit verschil (24,2 procentpunten) verschilt niet naargelang de socio-economische kenmerken van de patiënten; en het is toegenomen sinds 2013 (22,5%).
  • Patiënten met het statuut chronische aandoening zijn vaker gevaccineerd tegen de griep in Vlaanderen (77,7%) dan in Brussel (63,6%) of in Wallonië (64,3%). De verdeling is vergelijkbaar voor niet-chronische patiënten.
  • De dekking bij mensen van 85 jaar en ouder is over het algemeen hoger dan voor andere leeftijdsgroepen.
  • In rusthuizen (in de Federatie Wallonië-Brussel) worden de bewoners met een statuut chronische aandoening vaker gevaccineerd (84,2%) dan de bewoners zonder dit statuut (73,9%).
Figuur 20 – Vaccinatiegraad tegen griep bij personen van 65 jaar en ouder, per regio (2013-2019) en per statuut (met statuut [links] of zonder statuut [rechts])

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten 

Screening voor borstkanker (P-6 en P-7)

Sinds het begin van de jaren 2000 bestaat er in België een nationaal screeningsprogramma (bevolkingsonderzoek) voor borstkanker dat zich richt op vrouwen tussen 50 en 69 jaar. Vrouwen in deze leeftijdscategorie ontvangen iedere twee jaar een uitnodiging om gratis deel te nemen aan dit bevolkingsonderzoek in een erkende afdeling radiologie/senologie. De mammografieën die in het kader van dit bevolkingsonderzoek worden uitgevoerd, worden uitgevoerd volgens een gestandaardiseerde procedure die op basis van Europese kwaliteitsnormen is vastgesteld. De leeftijdscategorie is vastgesteld op 50 tot 69 jaar omdat op deze leeftijd het opsporen van borstkanker in een vroeg stadium het meeste kans op genezing biedt. Dit georganiseerde screeningsprogramma valt onder de verantwoordelijkheid van de regio's, maar de mammografieën worden terugbetaald door het RIZIV.

Vrouwen kunnen er ook voor kiezen zich buiten het georganiseerde screeningsprogramma om te laten screenen, door gebruik te maken van een diagnostische screening. Deze zogenaamd 'opportunistische' screening bestaat meestal uit een klinisch onderzoek door een specialist, een mammografie en vaak ook een echografie. Dit duurdere onderzoek is niet op uitnodiging, maar op eigen initiatief. Er is geen bewijs dat het doeltreffender is dan georganiseerde screening, vooral omdat het niet gestandaardiseerd is en niet onderworpen is aan kwaliteitscontroles. Het onderzoek wordt door het RIZIV vergoed als diagnostische test.


Er worden twee indicatoren gebruikt om de deelname aan borstkankerscreenings te evalueren:

  •  het percentage vrouwen tussen 50 en 69 jaar die in de voorgaande twee jaren een mammografie hebben ondergaan in het kader van het georganiseerde screeningsprogramma (P-7):
  • het percentage vrouwen tussen 50 en 69 jaar die in de voorgaande twee jaren een mammografie hebben ondergaan, ongeacht of dat gebeurde binnen het kader van het georganiseerde screeningsprogramma (P-6).

Het is interessant om deze twee indicatoren samen te bekijken, aangezien de eerste een maatstaf is voor de deelname aan het georganiseerde screeningsprogramma en de tweede een maatstaf voor de totale dekking bij vrouwen (in de aanbevolen leeftijdsgroep). Een totale dekking van 75% wordt algemeen beschouwd als de drempel voor deze interventie om een aanvaardbare kosteneffectiviteit te bereiken. België haalt dit streefcijfer niet, terwijl Frankrijk, Italië, Nederland, Luxemburg, Portugal en Zweden het in 2019 wel hebben gehaald.

De algemene resultaten voor deze twee indicatoren worden besproken in het hoofdstuk Preventieve zorg; hier wordt de analyse gemaakt vanuit de specifieke invalshoek van mensen die met een chronische ziekte leven.

RESULTATEN
  • In 2019 bedroeg de totale dekking bij vrouwen (georganiseerde screening + opportunistische mammografieën) 59,7%. Na een verbetering in het begin van de jaren 2000 (de dekking bedroeg 43% in 2003), is er sinds 2016 (62%) een lichte daling.
  • Dit percentage ligt hoger in Vlaanderen (65,3%) dan in Wallonië (51,5%) en Brussel (51,0%) (2019).
  • Vrouwen met het RIZIV-statuut chronische aandoening laten minder (georganiseerde) screeningsmammografieën maken dan vrouwen zonder dit statuut. Dit resultaat varieert echter naargelang de leeftijdsgroep, het recht op verhoogde tegemoetkoming en de regio.
  • Jongere vrouwen (50-59 jaar) met het statuut chronische aandoening worden vaker gescreend op borstkanker (totale mammografieën) dan vrouwen van dezelfde leeftijd zonder statuut.
  • In Wallonië en Brussel laten vrouwen met het statuut chronische aandoening vaker een mammografie maken, ongeacht hun leeftijdsgroep, terwijl in Vlaanderen het omgekeerde het geval is: vrouwen met het statuut chronische aandoening laten minder vaak een mammografie maken dan vrouwen zonder dit statuut.

 

Figuur 21 – Borstkankerscreening (alle mammografieën) bij vrouwen van 50-69 jaar, per regio en per statuut (zonder statuut [links] of met statuut [rechts])

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

- Mondhygiëne: Percentage van de bevolking dat regelmatig op controle gaat bij de tandarts (P-11)

Een goede mondhygiëne is belangrijk voor de gezondheid in het algemeen. Een gebit dat in slechte staat is, kan namelijk het risico op bepaalde andere ziekten verhogen (met name hart- en vaatziekten). Regelmatig op controle gaan bij de tandarts zorgt ervoor dat problemen op tijd worden vastgesteld en kunnen worden verholpen voordat ze te ernstig worden, maar het zorgt er ook voor dat problemen voorkomen worden. Zo kan de tandarts de patiënt wijzen op goede tanghygiëne (zoals goed poetsen) en profylactische handelingen uitvoeren (zoals tandsteen verwijderen of fluor aanbrengen).

Het is ook bekend dat mensen met een lage socio-economisch status minder toegang hebben tot mondzorg en onvoldoende geïnformeerd zijn over het belang van preventieve tandzorg.

Deze indicator evalueert het percentage van de bevolking (ouder dan 3 jaar) dat regelmatig bij de tandarts op controle gaat. Het biedt inzicht in de toegankelijkheid van preventieve zorg.

De algemene resultaten voor deze indicator worden besproken in het hoofdstuk Preventieve zorg; hier wordt de analyse gemaakt vanuit de specifieke invalshoek van mensen die met een chronische ziekte leven.

RESULTATEN
  • De aandeel van de bevolking die regelmatig op controle gaat bij de tandarts is toegenomen tussen 2014 en 2019, vooral bij mensen met het RIZIV-statuut chronische aandoening (+9,7 procentpunten met het statuut, vergeleken met +5,5 procentpunten zonder het statuut).
  • Het hoogste percentage voor regelmatige controles wordt waargenomen bij kinderen en adolescenten (5-17 jaar). Dit resultaat is gedeeltelijk te verklaren omdat deze groep geen remgelden moet betalen voor basis tandzorg.
  • Het aandeel personen dat op regelmatige controle gaat bij de tandarts is hoger bij mensen met het statuut chronische aandoening dan bij hen zonder. Dit geldt voor alle leeftijdscategorieën behalve de 75-plussers. Daarom is het algemeen lagere percentage bij mensen met het statuut chronische aandoening vooral te wijten aan de ouderen, die een aanzienlijk deel van de mensen met het statuut chronische aandoening uitmaken.
  • Regelmatige controles bij de tandarts zijn frequenter in Vlaanderen (60,0%) dan in Wallonië (51,0%) en Brussel (50,1%) (cijfers uit 2019). Deze verschillen worden echter kleiner wanneer de cijfers worden geanalyseerd in functie van het statuut chronische aandoening (56,5% in Brussel, 54,7% in Vlaanderen en 49,7% in Wallonië voor mensen met het statuut chronische aandoening).
Figuur 22 – Regelmatig controle bij de tandarts, met of zonder statuut chronische aandoening en per regio (2014-2019)

Link naar technische fiche en gedetailleerde resultaten