Veiligheid van zorg

De veiligheid van de zorg kan worden gedefinieerd als de mogelijkheid om zorg te verlenen die de patiënt niet schaadt. De vier soorten indicatoren die in dit rapport worden gebruikt om de veiligheid van de zorg te beoordelen gaan over:

  • in het ziekenhuis opgelopen infecties (QS-1, QS-2, QS-7, QS-8);
  • complicaties na een operatie (QS-3, QS-4); 
  • complicaties die verband houden met verpleegkundige zorg (QS-5); 
  • polymedicatie bij ouderen (QS-6). 
Indicatoren van de veiligheid van zorg​​
(ID) indicatorScoreBELJaarVlaWalBruBronEU-15 (gemiddelde)
Ziekenhuisinfecties
QS-1 Prevalentie van ziekenhuisinfecties (% van gehospitaliseerde patiënten) red stable 7,3 2017 - - - Sciensano 6,4% (1)
QS-2 Incidentie van ziekenhuisinfecties door MRSA (/1000 ziekenhuisverblijven - mediaan) orange improving 0,7 2016 0,5 1,2 0,5 Sciensano -
QS-7
NEW 2019
Percentage methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) in acute ziekenhuizen (%, mediaan) orange improving 15,0 2016 10,9 21,2 10,3 Sciensano (3)
QS-8
NEW 2019
Percentage Escherichia coli met verminderde gevoeligheid voor 3e of 4e generatie cefalosporinen (3GC/ GC I/R E. coli) in acute ziekenhuizen (%, mediaan) orange deteriorating 9,1 2016 8,1 9,3 10,9 Sciensano (3)
Complicaties na chirurgie (a)
QS-3 Incidentie van postoperatieve longembol of diep-veneuze trombose, na heup- of knieprothese (/100 000 ontslagen na heup- of knieprothese) orange improving 352 2014 247 498 576 MZG 401 (2) [BE:354]
QS-4 Incidentie van postoperatieve sepsis na abdominale chirurgie (/100 000 ontslagen na abdominale chirurgie) orange improving 1717 2014 2230 1443 715 MZG 2122 (2) [BE:1717]
Complicaties tijdens hospitalisatie – kwaliteit van de verpleegkundige zorg
QS-5* Prevalentie van cat II-IV doorligwonden in ziekenhuizen (% van gehospitaliseerde patiënten) orange empty 5,1 2012 4,0 7,7 5,9 CFQAI -
Polymedicatie
QS-6 Polymedicatie bij ouderen (5 of meer geneesmiddelen of >80 DDD per jaar) (% verzekerde populatie van 65+ jaar)   orange improving 39% 2016 37% 44% 35% Farmanet, Sciensano -

(1) Uitgezonderd Denemarken en Zweden, (2) OESO Health at a Glance 2017, (3) België staat op de middelste plaats binnen de EU-15-landen voor een gelijkaardige indicator (zie technische fiche in de bijlage voor meer details), *Deze indicator zal worden geactualiseerd op de website van zodra de resultaten beschikbaar zijn, (a) Patient Safety Indicators gebaseerd op MZG.

Bepaalde indicatoren die in andere secties van dit rapport werden geanalyseerd, kunnen ook worden gebruikt voor de veiligheid van de zorg:

  • bij de indicatoren voor de gepastheid van de zorg, de indicatoren voor het gebruik van antibiotica (QA-3 à QA-5) en het ongepaste gebruik van medische beeldvorming (QA-6). Deze twee vormen van ongepast gebruik van zorg kunnen wel degelijk een impact hebben op de veiligheid van de patiënt;
  • bij de indicatoren voor ouderenzorg, vooral de zorg in woonzorgcentra, de incidentie van doorligwonden (ELD-8) en de prevalentie van MRSA (ELD-9), ongepaste voorschriften voor neuroleptica en geneesmiddelen met anticholinerge werking (ELD-10 tot ELD-12).

In het ziekenhuis opgelopen infecties (QS-1, QS-2, QS-7, QS-8) 

Infecties opgelopen tijdens een ziekenhuisverblijf (nosocomiale infecties) zijn steeds meer een reden tot bezorgdheid omwille van de stijgende antibioticaresistentie. Ze vormen een ernstige bedreiging voor de veiligheid van de patiënten, omdat ze kunnen leiden tot ernstige complicaties of zelfs tot overlijden. Daarnaast zorgen ze voor een aanzienlijke financiële belasting voor de maatschappij wegens de langere ziekenhuisverblijven en de kosten van de behandeling.

Infecties door resistente stafylokokken (MRSA) of door Gram-negatieve darmbacteriën (Escherichia coli) worden verplicht gemonitord door de ziekenhuizen, want het zijn de belangrijkste indicatoren voor de antibioticaresistentie van menselijke bacteriën. De resultaten van de monitoring worden gecentraliseerd binnen een specifieke cel binnen Sciensano. Het monitoren van MRSA is één van de elementen waarmee de doeltreffendheid van preventieprogramma’s en de bestrijding van infecties (waaronder handhygiëne) kan worden gemeten.

In dit rapport weerhielden we vier indicatoren om het probleem van nosocomiale infecties te identificeren:

  • Het percentage gehospitaliseerde patiënten dat een nosocomiale infectie oploopt (QS-1)
  • De incidentie van ziekenhuisinfecties door meticillineresistente stafylokokken (MRSA),tegenover het totale aantal infecties met goudhoudende stafylokokken (QS-2).
  • Het percentage ziekenhuisinfecties door meticillineresistente stafylokokken (MRSA) (QS-7),
  • Het percentage ziekenhuisinfecties door E.coli die resistent zijn voor cefalosporines van de 3e en 4e generatie. Cefalosporines van de 3e generatie zijn vaak gebruikte breedspectrumantibiotica. Cefalosporines van de 4e generatie zijn doeltreffend tegen bepaalde enterobacteriën die resistent zijn tegen de cefalosporines van de 3e generatie (QS-8).
RESULTATEN
Percentage gehospitaliseerde patiënten dat een nosocomiale infectie oploopt (QS-1) 
  • In 2017 had naar schatting 7,3% van de ziekenhuispatiënten op een bepaalde dag tenminste één nosocomiale infectie. Dit cijfer is stabiel ten opzichte van de resultaten van 2011 (7,1%), maar blijft hoger dan het gemiddelde van de EU-15 (6,4%) (Figuur 1).
  • De drie meest gediagnosticeerde nosocomiale infecties zijn longontstekingen (22%), urineweginfecties (21%) en infecties van de wonde na een operatie (17%).
  • De drie bacteriën die het vaakst voorkomen zijn Escherichia coli (18%), Staphylococcus aureus (9%) en Pseudomonas aeruginosa (5%).
Figuur 1 - Prevalentie van nosocomiale infecties in Europese acute zorgziekenhuizen (2016–2017)
Bron: Suetens et al., 2018
revalentie van nosocomiale infecties in Europese acute zorgziekenhuizen(2016–2017)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Incidentie van ziekenhuisinfecties door MRSA (QS-2)
  • Sinds 2005 is de incidentie van ziekenhuisinfecties met MRSA lichtjes gedaald (Figuur 2).
  • Deze verbetering is gedeeltelijk te danken aan de richtlijnen uit 2003 en aan de nationale campagnes voor handhygiëne. De waakzaamheid voor MRSA-infecties blijft echter aangewezen, ondanks de grote aandacht die wordt besteed aan het tegengaan van de opkomst van de nieuwe multiresistente micro-organismen.
Figuur 2 - Evolutie van de mediaanincidentie van nosocomiale methicillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA) per 1000 opnames per regio, Belgische acute zorgziekenhuizen met ten minste 5 jaar deelname aan de bewaking (1994–2016)
Bron: Latour et al., 2018

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Percentage ziekenhuisinfecties door MRSA (QS-7)
  • In 2016 was 15,0%van de goudhoudende stafylokokken (MRSA) in de Belgische ziekenhuizen resistent tegen meticilline. In Wallonië lag het cijfer aanzienlijk hoger (21,2%) dan in Vlaanderen (10,9%) en in Brussel (10,3%). Deze cijfers nemen geleidelijk af sinds 2004.
  • Op internationaal niveau (gegevens van EARS-Net) scoort België gemiddeld in vergelijking met andere landen van de EU-15.
Figuur 3 - Evolutie van het mediane aandeel van meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA) in het totale aantal gemelde S. aureus per regio, Belgische acute zorgziekenhuizen met minstens 5 jaar deelname aan het toezicht (1994-2016)
Bron: Latour et al., 2018
Percentage ziekenhuisinfecties door E.coli die resistent zijn voor cefalosporines van de 3e en 4e generatie (QS-8)
  • In 2016 was 9,1% van E.coli resistent tegen aan cefalosporines van de 3e en 4e generatie in de Belgische ziekenhuizen (mediaan). Er is geen enkel statistisch significant verschil tussen de regio's. Deze cijfers zijn aan het stijgen: van 8,1% in 2014 tot gemiddeld 9,8% in 2016.
Figuur 4 - Internationale vergelijking van het percentage invasieve S. aureus isolaten met resistentie tegen methicilline en het percentage invasieve E. coli-isolaten met resistentie tegen derde generatie cefalosporines. (2012-2017)
Bron: EARS-net jaarrapport 2017
Internationale vergelijking van het percentage invasieve S. aureus isolaten met resistentie tegen methicilline en het percentage invasieve E. coli-isolaten met resistentie tegen derde generatie cefalosporines. (2012-2017)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Complicaties na een operatie (QS-3 et QS-4) 

Elke chirurgische ingreep brengt risico's met zich mee, die niet volledig kunnen worden uitgesloten. Wel worden er in alle ziekenhuizen preventiemaatregelen getroffen om complicaties tot een minimum te beperken. Aan de hand van de twee indicatoren in deze sectie wordt de doeltreffendheid van deze veiligheidsmaatregelen op het niveau van alle ziekenhuizen gemeten.

De eerste gaat over longembolie of diep veneuze trombose na het plaatsen van een heup- of knieprothese. Maatregelen tegen deze complicaties omvatten de toediening van antistollingsmiddelen in de weken na de operatie, vroegtijdige mobilisatie van geopereerde patiënten, het dragen van compressiekousen enz.

De tweede gaat over postoperatieve sepsis, die zeer ernstig kan zijn. Sepsis kan worden voorkomen door de toediening van profylactische antibiotica, de steriliteit van chirurgische technieken en postoperatieve zorg.

Al deze complicaties worden (idealiter) geregistreerd in de ziekenhuisgegevens (MZG, Minimale ZiekenhuisGegevens), waardoor ze kunnen worden verzameld in de veiligheidsindicatoren van de OESO (OECD Health Quality of Care Indicators (HCQI)) en dus internationaal kunnen worden vergeleken.

RESULTATEN
  • De incidentie van longembolie en diep veneuze trombose na een knie- of heupoperatie nam lichtjes af tussen 2009 en 2014.
  • De incidentie van postoperatieve sepsis is in diezelfde periode eveneens sterk verminderd.
  • Vergeleken met andere Europese landen zijn de Belgische resultaten goed, maar dat kan het gevolg zijn van de grote verschillen tussen de codeersystemen van de verschillende landen, waaronder een meer uitgebreide rapportage van complicaties in sommige landen.
Figuur 5 - Incidentie van postoperatieve longembol of diep-veneuze trombose, na heup- of knieprothese
Gegevensbron: MZG
Figuur 6 - Incidentie van postoperatieve sepsis na abdominale chirurgie
Gegevensbron: MZG
Figuur 7 - Incidentie van postoperatieve sepsis na abdominale chirurgie, internationale vergelijking, 2009-2015
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018
Incidentie van postoperatieve sepsis na abdominale chirurgie
Figuur 8 - Incidentie van postoperatieve sepsis na abdominale chirurgie, internationale vergelijking, 2014
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018
Incidentie van postoperatieve sepsis na abdominale chirurgie

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Complicaties tijdens het ziekenhuisverblijf – Verpleegkundige zorg (QS-5)

Doorligwonden (huidzweren op drukpunten bij mensen die lang in bed liggen) zijn een voorbeeld van complicaties tegen dewelke preventieve maatregelen kunnen worden genomen in de verpleegkundige zorg. Ze worden opgedeeld in vier categorieën (van I tot IV), van licht tot ernstig.

Door  de prevalentie van doorligwonden in verschillende ziekenhuisafdelingen te meten, kunnen de risicogroepen of –afdelingen worden geïdentificeerd en kunnen gerichte preventieve acties worden uitgevoerd. Bij een nationale enquête in 2012 door de Federale Raad voor de Kwaliteit van de Verpleegkundige Activiteit (FRKVA) werden verschillende indicatoren verzameld in 70 algemene ziekenhuizen. Dit rapport is de meest recente gegevensbron voor deze indicator en zal worden bijgewerkt naarmate nieuwe resultaten beschikbaar komen.

RESULTATEN
  • In 2012 kampte 7,8% van de patiënten in algemene ziekenhuizen met doorligwonden van categorie I tot IV (5,1% als alleen de categorieën II-IV worden meegerekend).
  • Deze cijfers waren iets lager dan in de vorige nationale enquête (2008), die een iets andere methodologie had. Het is dus moeilijk de resultaten te vergelijken.
  • Ook de vergelijking van Belgische gegevens met andere Europese landen blijft moeilijk door verschillen in definities, methoden van gegevensverzameling en patiëntenpopulatie. Rekening houdend met deze beperkingen heeft België de laagste prevalentie voor doorligwonden, op basis van de enquêtes in Frankrijk, Duitsland, Italië, Zweden en Nederland.

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Polymedicatie bij ouderen (65+) (QS-6)

Vele ouderen nemen veel verschillende geneesmiddelen, vooral wanneer ze aan chronische ziekten lijden. Maar hoe meer geneesmiddelen iemand neemt, hoe groter het risico op bijwerkingen, geneesmiddelinteractie, slechte therapietrouw, verslechtering van de functionele toestand en toename van de kwetsbaarheid bij hoogbejaarden. Er moet dus een evenwicht worden gevonden tussen redelijk geneesmiddelg bruik en 'polymedicatie'.

Er is geen duidelijk omschreven limiet waarboven het aantal geneesmiddelen als buitensporig wordt beschouwd, maar in steeds meer studies buigt men zich over deze kwestie. Er is een lijst met criteria, STOPPP/START genaamd, waarmee huisartsen en geriaters mogelijk ongeschikte of onnodige voorschriften kunnen opsporen.

Dit hoofdstuk gaat over polymedicatie, wat wordt gedefinieerd als het nemen van tenminste 5 verschillende geneesmiddelen per dag.

RESULTATEN
  • 39% van de populatie die ouder is dan 65 heeft in het voorgaande jaar tenminste 5 verschillende geneesmiddelen per dag genomen (meer dan 80 DDD = chronisch gebruik) (cijfers uit 2016). Polymedicatie komt vaker voor in Wallonië (44%) dan in Brussel (35%) en in Vlaanderen (37%) (Figuur 9).
  • Bij hoogbejaarden (85 en ouder) komt polymedicatie het vaakst voor, en daar moet dus speciale aandacht aan worden besteed, aangezien zij een verhoogd risico op bijwerkingen lopen, door een verminderde nier- en leverfunctie.
  • Meer dan 90% van de mensen ouder dan 65 jaar met polymedicatie nemen geneesmiddelen voor het cardiovasculaire systeem.
  • België staat voor polymedicatie bij 65-plussers op de vierde plaats op een lijst van 18 landen die deelnamen aan de SHARE 2015-studie (Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe).
Figuur 9 - Verschil met het nationale gemiddelde van de verzekerde bevolking van 65 jaar en ouder die 5 of meer DDD-geneesmiddelen van >80 DDD per jaar gebruikt, per arrondissement (gemiddelde 2014-2016)
Gegevensbron: Pharmanet (RIZIV)
Verschil met het nationale gemiddelde van de verzekerde bevolking van 65 jaar en ouder die 5 of meer DDD-geneesmiddelen van >80 DDD per jaar gebruikt, per arrondissement (gemiddelde 2014-2016)
Figuur 10 - Prevalentie van polymedicatie bij ouderen (65 jaar en ouder) onder 17 Europese landen en Israël
Gegevensbron: SHARE 2015
Prevalentie van polymedicatie bij ouderen (65 jaar en ouder) onder 17 Europese landen en Israël

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten