Efficiëntie van de zorg

Binnen de gezondheidszorg bedoelen we met 'efficiëntie' het verband tussen wat in het systeem is geïnvesteerd en welke resultaten daarmee zijn behaald. Voorbeelden van resultaten zijn een verlenging van de levensduur, een verbetering van de levenskwaliteit, een positieve ervaring voor de patiënt, een daling van het verzuim, een afname van de ongelijkheid op het vlak van gezondheid enz.

Het verbeteren van de efficiëntie van de gezondheidszorg is een cruciale beleidsdoelstelling in deze tijd gekenmerkt door toenemende kosten en zorgbehoeften. Door de efficiëntie te meten, kunnen we vaststellen of de in het zorgsysteem geïnvesteerde middelen het beste 'rendement' opleveren, gemeten in termen van gezondheidsvoordelen voor de bevolking.

Een vaak gebruikte indicator om efficiëntie te meten is de levensverwachting in functie van de gezondheidsuitgaven per inwoner. Het grote nadeel van deze indicator is dat de gezondheidsuitgaven maar één van de vele factoren is die de levensverwachting beïnvloeden. Daarom is deze indicator niet weerhouden.

Andere indicatoren die gericht zijn op een sub-sector binnen het systeem (zoals ziekenhuizen) hebben het voordeel dat ze makkelijker leiden tot specifieke aanbevelingen en maatregelen. Op ziekenhuisniveau zijn indicatoren die uitkomsten meten echter nog niet op grote schaal beschikbaar.

Vier indicatoren zijn geselecteerd om de efficiëntie van het gezondheidszorgsysteem te evalueren: percentage chirurgische dagopnames in het geheel van chirurgische ziekenhuisopnames (E-1) het gebruik goedkope geneesmiddelen (E-3) en biosimilars (E-4) en de verblijfsduur van het verblijf op de materniteit na een normale bevalling (MN-9). De laatste indicator is interessant omdat deze makkelijk kan worden gebruikt voor vergelijkingen met andere landen.

Hoewel de indicatoren in de bovenstaande tabel een positieve beoordeling geven voor de efficiëntie van het Belgische gezondheidszorgsysteem, wordt maar een deel van het systeem geëvalueerd. Andere indicatoren die andere domeinen van de performantieanalyse worden besproken, zijn eveneens relevant met betrekking tot de (in)efficiëntie van het systeem. Voorbeelden van indicatoren voor (in)efficiëntie die aan bod komen in de internationale vakliteratuur en elders worden besproken zijn geografische variaties in zorgpraktijken (die tot over- of onderbenutting van de zorg kunnen leiden), screenings die worden uitgevoerd buiten de doelgroepen, het overmatig gebruik van bepaalde onderzoeken/apparatuur (bijv. medische beeldvorming) of bepaalde ongepaste behandelingen (bijv. een zware depressie behandelen met antidepressiva voor een te korte periode).

De onderstaande tabel vat de belangrijkste resultaten van deze voorbeelden samen, maar er zijn ongetwijfeld nog andere indicatoren in deze performantieanalyse die vanuit een efficiëntieperspectief kunnen worden geherinterpreteerd.

Voorbeelden van indicatoren van inefficiëntie
Bron van inefficientië Indicator  ID van de indicator Resultaat voor België

Screening buiten de doelgroepen

Borstkankerscreening buiten leeftijdsdoelgroep
(% vrouwen van 41-49 jaar)

QA-7

34.5

Overmatig gebruik van onderzoeken of apparatuur

Beeldvorming lumbale wervelkolom
(Rx, CT-scan, MRI per 100 000 inwoners)

QA-6

10 620

Ongepaste behandelingen

Kortetermijnbehandeling (< 3 maanden) van antidepressiva
(% van populatie onder antidepressiva)

MH-8

42.6

Aandeel chirurgische ingrepen met dagopname (E-1) 

We spreken van dagchirurgie wanneer een geopereerde patiënt de dag van de (vooraf geplande) operatie het ziekenhuis weer verlaat, bijvoorbeeld na een artroscopie van de knie, het verwijderen van de amandelen of een liesbreukbehandeling. Deze vorm van chirurgie is de afgelopen tien tot twintig jaar steeds belangrijker geworden.

In vergelijking met een klassieke ziekenhuisopname is dagchirurgie kostenefficiënter, omdat verpleegkundigen efficiënter worden ingezet en de infrastructuur intensiever wordt gebruikt. Het aantal chirurgische ingrepen vie dagopname (ten opzichte van het totaal aantal chirurgische ingrepen) kan dus worden beschouwd als een indicator voor de efficiëntie van het ziekenhuissysteem. We kunnen ook stellen dat het om een indicator voor duurzaamheid gaat, aangezien beide vaak hand in hand gaan.


RESULTATEN
  • In België is het aandeel chirurgische ingrepen in dagopname gestegen van 34,8% in 2000 tot 47,2% in 2016 (afbeelding 1).
  • Dit aandeel bedraagt 49,5% in Vlaanderen, 45,3% in Brussel en 42,9% in Wallonië (afbeelding 1).
  • Er zijn wel grote verschillen naar type ingreep: bijna 95% van de operaties voor cataract worden in dagchirurgie uitgevoerd, maar bij andere ingrepen (zoals het verwijderen van de galblaas door middel van een laparoscopie) is dat veel minder het geval. In andere landen is de situatie vergelijkbaar. Volgens KCE-rapport 282 is dit onder meer te wijten aan bijzonderheden in de financiering van deze ingrepen, die klassieke ziekenhuisopnames financieel bevoordelen.
  • België bevindt zich in het internationale gemiddelde voor een reeks ingrepen (zie tabel 1). Bij het vergelijken van verschillende landen is echter voorzichtigheid geboden, aangezien niet alle landen van de OESO dezelfde definitie voor chirurgische ingrepen hanteren.
Figuur 1 - Percentage chirurgische dagverblijven onder alle chirurgische ziekenhuisopnames per ziekenhuisregio (2000-2016)
Data source: RCM–MKG and RHM–MZG

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Verblijfsduur op de materniteit bij een normale bevalling (MN-9)

zie hoofdstuk Moeder en kind

Gebruik van 'goedkope' geneesmiddelen (E-3)

Door het voorschrijven van goedkope geneesmiddelen te promoten, kunnen we de gezondheidszorguitgaven beperken, zowel voor de patiënt als voor de ziekteverzekering. Daarom worden artsen sinds 2005 aangemoedigd om een bepaald percentage van deze goedkope geneesmiddelen voor te schrijven en krijgen ze feedback van het RIZIV over hun voorschrijfprofiel.

Omdat er grote prijsverschillen tussen de 'goedkope' geneesmiddelen bleven bestaan, werd in 2015 besloten om artsen aan te moedigen om 'zo goedkoop mogelijk' voor te schrijven. Bijgevolg is de benaming 'goedkoop geneesmiddel' nu voorbehouden voor de drie goedkoopste generische versies die op de markt zijn (of voor originelen waarvan de prijs is gedaald tot de categorie van de generische geneesmiddelen) en voor geneesmiddelen voorgeschreven in INN (International Nonproprietary Name = de naam van het actieve molecuul).

Deze maatregel zorgt voor lagere kosten voor de ziekteverzekering en voor de patiënt zelf (als het originele geneesmiddel wordt voorgeschreven, moet de patiënt het verschil uit eigen portemonnee betalen). Het percentage goedkope geneesmiddelen dat wordt voorgeschreven is dus een goede indicator voor de efficiëntie van het gezondheidszorgsysteem.

RESULTATEN
  • Het percentage goedkope geneesmiddelen die ambulant worden voorgeschreven (d.w.z. niet in een ziekenhuis) stijgt continu: van 49,1% in 2015 tot 53,8% in 2017.
  • De verschillen tussen de regio's zijn klein: 54,9% in Vlaanderen, 52,8% in Brussel en 51,8% in Wallonië (cijfers uit 2017).
Figuur 2 - Aandeel van goedkope DDD's en het totale aantal DDD's dat in ambulante zorg wordt voorgeschreven (2005-2017)
Data source: Pharmanet (INAMI-RIZIV)
Aandeel van goedkope DDD's en het totale aantal DDD's dat in ambulante zorg wordt voorgeschreven (2005-2017)

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Gebruik van biosimilars (E-4)

In tegenstelling tot klassieke geneesmiddelen, die met 'chemische' middelen worden vervaardigd, worden biologische geneesmiddelen geproduceerd door (of afgeleid van) levende organismen (bacteriën, gisten enz.). Net zoals andere geneesmiddelen worden ze beschermd door octrooien. Wanneer deze octrooien vervallen, wordt het toegestaan om kopieën te maken van originele biologische producten die tegen een lagere prijs worden verkocht, volgens hetzelfde principe als bij generische geneesmiddelen. De 'generische' varianten van biologische geneesmiddelen worden 'biosimilars' genoemd.

In Europa zijn biosimilars in gebruik sinds 2006. De Belgische overheid wil artsen aanmoedigen om biologische geneesmiddelen zoveel mogelijk te vervangen door biosimilars, volgens hetzelfde principe als het voorschrijven van generische geneesmiddelen (zie vorige indicator), om zo de kosten voor de patiënt en voor de overheid te verminderen.

RESULTATEN
  • De mate van substitutie van biologische behandelingen door biosimilars is in België nog steeds zeer laag, maar de trend begint zich door te zetten met een stijging van 0 naar 5,71% sinds 2008. De sterkste stijging werd waargenomen in 2017 (figuur 3), met name voor infliximab en filgrastim (> 25%) (Figuur 5).
  • In 2018 waren er 9 biosimilars op de markt in België, die samen een kost van 430 miljoen euro betekenden voor het RIZIV (Tabel 1 en Figuur 2). 
Tabel 1 : Biologische geneesmiddelen met bestaande biosimilars in België
Bron: RIZIV

ATC5

Molecule

RIZIV costen in 2017 (millioen EUR)

Aandeel biosimilars in DDDs (2017) (%)

A10AE04

Insuline glargine

28,80

1,52

B03XA01

Erythropoietin

9,64

5,29

H01AC01

Somatropin

20,85

12,48

L01XC02

Rituximab

32,01

0,00

L01XC03

Trastuzumab

62,16

0,00

L03AA02

Filgrastim

3,41

25,69

L04AB01

Etanercept

60,80

1,07

L04AB02

Infliximab

74,65

26,44

L04AB04

Adalimumab

138,38

0,00

Figuur 3 - Consumptie van biologische producten in België (2008-2017) en percentage van biosimilars
Gegevensbron: RIZIV
Consumptie van biologische producten in België (2008-2017) en percentage van biosimilars
Figuur 4 - Percentage biosimilars (in DDD's) per regio
Gegevensbron: RIZIV
Figuur 5 - Percentage biosimilars voor beschikbare Belgische biologische farmaceutica
Gegevensbron: RIZIV

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten