Financiële toegang tot gezondheidszorg

Een goed functionerend gezondheidssysteem moet financieel toegankelijk zijn voor zoveel mogelijk mensen. Het gezondheidszorgsysteem wordt als financieel ontoegankelijk beschouwd, als mensen noodzakelijke zorg of behandelingen moeten beperken of uitstellen omdat deze te duur zijn of indien ze andere basisbehoeften moeten opgeven om gezondheidszorg te kunnen betalen. Bovendien kan het stopzetten of uitstellen van een behandeling vanwege de kostprijs nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid op (middel)lange termijn, met soms hogere gezondheidskosten tot gevolg.

We meten de financiële toegankelijkheid aan de hand van de volgende indicatoren: 

  • het aandeel van de bevolking dat gedekt wordt door verplichte ziekteverzekering (A-1);
  • het belang van de eigen betalingen van de huishoudens voor de gezondheidszorg (A-2, A-3, A-10, A11);
  • het percentage personen die zorg hebben moeten uitstellen omwille van financiële redenen (A-4);
  • de toegankelijkheid tot de tarieven van geconventioneerde zorg voor huisartsen en tandartsen (A-12, A-13);
  • het belang van ereloonsupplementen (in % van de officiële erelonen) bij een ziekenhuisopname (klassiek of dagopname) (A-14);
  • catastrofale gezondheidsuitgaven (A-15). Deze indicator wordt beschikbaar in de loop van 2019. 

Bevolking gedekt door de verplichte ziekteverzekering (A-1)

Deze indicator geeft het percentage van de bevolking aan dat bij een mutualiteit is aangesloten en dus gedekt is door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

België heeft een verplichte ziekteverzekering die in principe de hele bevolking dekt: werknemers, zelfstandigen, ambtenaren, werklozen, gepensioneerden, mensen die een verhoogde tegemoetkoming ontvangen, gehandicapten, studenten, buitenlanders en alle personen die zij ten laste hebben.

RESULTATEN
  • 99% van de bevolking is gedekt door de ziekteverzekering (cijfers uit 2017).
  • Dit percentage is stabiel sinds 2009.
  • Mannen zijn iets minder gedekt dan vrouwen (98,7% versus 99,3%).

Opmerking: Mensen die niet verzekerd zijn, zijn niet noodzakelijkerwijs uitgesloten van (terugbetalingen in) de gezondheidszorg, omdat hun uitgaven meestal worden gedekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten (OCMW's).

  • Het percentage niet-verzekerde personen ligt hoger in Brussel (1,9%) dan in Vlaanderen (0,5%) of Wallonië (0,7%).
  • In de leeftijdscategorie 25-40 jaar stijgt het percentage niet-verzekerden tot boven de 2%.
  • Alle landen van de EU-15 hebben een dekkingsgraad tussen 99% en 100%, met uitzondering van Griekenland (86%), Duitsland (89,2%) en Luxemburg (95,2%). 

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Het belang van uitgaven die niet terugbetaald worden door de verplichte ziekteverzekering (eigen betalingen) (A-2, A-3, A-10, A-11)

Deze reeks indicatoren kwantificeert het belang van de uitgaven voor gezondheidszorg die niet door de verplichte ziekteverzekering worden gedekt en dus ten laste zijn van de patiënt :

  • Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt als percentage van de totale gezondheidsuitgaven (A-2)
  • Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt in KKP ($ KKP), een internationale eenheid waarmee landen met elkaar kunnen worden vergeleken, rekening houdend met de koopkracht van elk land (A-3);
  • Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt als percentage van de totale consumptie van huishoudens (gezondheid, voeding, onderdak, water, elektriciteit enz.)(A-10)
  •  Eigen betalingen voor tandheelkundige zorg, uitgedrukt in percentage van de totale uitgaven voor tandheelkundige zorg (A-11).  

Welke kosten voor gezondheidszorg zijn ten laste van de patiënt?
- Het remgeld = het persoonlijk aandeel van de patiënt in het officiële tarief voor een zorgprestatie die in het verzekerde pakket van de verplichte ziekteverzekering zit, met andere woorden het deel van het officiële honorariumbedrag van de zorgverleners (arts, tandarts, kinesist enz.) dat niet door de mutualiteit wordt terugbetaald.
- De uitgaven voor (vrij verkrijgbare) geneesmiddelen en andere behandelingen die niet in het verzekerde pakket van de ziekteverzekering zitten.
- De ereloonsupplementen die door niet-geconventioneerde zorgverleners worden aangerekend (voor ambulante zorg) alsook de supplementen (voor erelonen en kamer) bij een ziekenhuisopname in een éénpersoonskamer (de ereloonsupplementen bij een ziekenhuisopname in een tweepersoonskamer zijn afgeschaft in 2013 voor de traditionele ziekenhuisopnames en in 2015 voor dagopnames).

RESULTATEN
Eigen betalingen ten laste van de patiënt, uitgedrukt in % van de uitgaven voor gezondheidszorg (A-2)
  • De eigen betalingen zijn tussen 2004 en 2016 relatief stabiel gebleven en zijn zelfs lichtjes afgenomen (18,2% in 2004 en 15,9% in 2016). Het aandeel van de publieke financiering van de gezondheidszorg is daarentegen licht gestegen (zie ook de fiches over gezondheidsuitgaven, in de sectie duurzaamheid).
  • Op internationaal niveau zijn de eigen betalingen lager dan het gemiddelde van de EU-15 sinds 2013 (Figuren 2 en 3).
  • Het totale jaarlijkse bedrag aan eigen betalingen is tussen 2004 en 2014 gestegen van 4,93 miljard euro tot 7,09 miljard euro en vervolgens licht gedaald tot 6,73 miljard euro in 2016. Uitgedrukt per inwoner zijn de eigen betalingen gestegen van € 473,3 in 2004 tot € 632,9 per inwoner in 2014 en vervolgens lichtjes gedaald tot € 593,8 per inwoner in 2016.
  • Het bedrag van het remgeld ten laste van de patiënt, is vrij stabiel in vergelijking met de evolutie van de totale eigen betalingen. Eén van de verklaringen is dat de 'vangnetten' in het Belgische gezondheidszorgsysteem (de maximumfactuur, de verhoogde tegemoetkoming) tot doel hebben de patiënten te beschermen tegen buitensporige betalingen van remgeld, maar niet tegen andere eigen betalingen zoals voor vrij verkrijgbare geneesmiddelen of ereloonsupplementen (Figuur 1).
  • Naast de uitgaven die worden gedragen door publieke financiering (verplichte ziekteverzekering en andere overheidsuitgaven) en de door de patiënten, zijn er nog de uitgaven die worden gedekt door vrijwillige verzekeringen. Deze laatste zijn gestegen van € 132 per inwoner in 2004 tot € 189 per inwoner in 2016 (Figuur 1).
Figuur 1 - Evolutie van de eigen betalingen van de patiënt voor gezondheid en gezondheidsuitgaven die door de vrijwillige verzekering worden gedekt, in miljoen €, 2004-2016
Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018;>Assuralia 2018;na MAF = na terugbetaling door maximumfactuur
Figuur 2 - Eigen betalingen voor gezondheid, als percentage van de totale gezondheidsuitgaven, internationale vergelijking, 2004-2016
Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018
Figuur 3 - Eigen betalingen voor gezondheid, als percentage van de totale gezondheidsuitgaven, internationale vergelijking, 2016
Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018
Eigen betalingen voor gezondheid, als percentage van de totale gezondheidsuitgaven
Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt in KKP ($ KKP)(A-3)
  • Op internationaal niveau nemen de eigen betalingen per inwoner dat (uitgedrukt in $ KKP) lichtjes af sinds 2014 en is het vergelijkbaar met het Europese gemiddelde (739 $ KKP in België in 2016 in vergelijking met 732 $ KKP voor het Europese gemiddelde).
Figuur 4 - Eigen betalingen voor gezondheid per capita, in US $ PPP, internationale vergelijking, 2004-2016
Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018
Figuur 5 - Eigen betalingen voor gezondheid per capita, in US $ PPP, internationale vergelijking, 2016
Gegevensbron: SHA, OECD Health Statistics 2018
Eigen betalingen voor gezondheid per capita, in US $ PPP
Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt als percentage van de totale consumptie van huishoudens (A-10)
  • Volgens cijfers van de OESO bedroeg het aandeel van de totale consumptie van huishoudens in de gezondheidszorg 3,01% in 2016, tegenover 2,64% voor het EU-15-gemiddelde.
  • Uit het huishoudbudgetonderzoek bleek dat huishoudens met een hoog inkomen twee keer zoveel uitgeven aan gezondheidszorg dan huishoudens met een laag inkomen (in 2016 was dat € 2154 voor huishoudens met een hoog inkomen versus € 954 voor huishoudens met een laag inkomen).
Eigen betalingen voor tandheelkundige zorg, uitgedrukt in percentage van de totale uitgaven voor tandheelkundige zorg (A-11)
  • Eigen betalingen voor tangheelkundige zorg zijn hoog. Hoewel het aandeel vergelijkbaar is met het Europese gemiddelde (57,6% in 2016 in vergelijking met 59,2% voor het Europese gemiddelde op basis van 10 landen), is het aanzienlijk hoger dan in de buurlanden zoals Duitsland (25,5%) en Nederland (21,7%).

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Uitstel van zorg om financiële redenen (A-4)

Deze indicator rapporteert het aandeel personen (hoofdindicator) / huishoudens (secundaire indicator) die zelf aangeven dat ze gezondheidszorg hebben moeten uitstellen vanwege de kosten. De indicator is gebaseerd op gegevens uit officiële enquêtes op Belgisch en Europees niveau; het zijn cijfers die door de respondenten zelf worden gerapporteerd (self-reported).

Hoofdindicator:

De hoofdindicator (A-4) komt voort uit de enquête European Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC). Er wordt bevraagd of de respondent medische zorgen dan wel tandheelkundig onderzoek heeft uitgesteld en wat de belangrijkste reden van dit uitstel was (te hoge kosten, te grote afstand, wachttijden enz.). In de EU-SILC enquête wordt gepeild naar uitstel van zorg op het niveau van het individu. 

Secundaire indicator:

De secundaire indicator komt voor uit de Gezondheidsenquête van Sciensano, waarvan de meest recente editie in 2018 werd afgenomen. In de Gezondheidsenquête wordt gepeild naar uitstel van zorg op het niveau van het huishouden en niet het individu. De hoofdindicator en secundaire indicator geven dus andere informatie.

De vraag die aan de respondenten werd gesteld is: 'Is het de afgelopen 12 maanden voorgekomen dat u of iemand in uw huishouden de volgende zorgen nodig had, maar niet kon betalen (medische zorgen of een operatie; tandverzorging; voorgeschreven geneesmiddelen; een bril of contactlenzen; mentale zorgen, zoals van een psycholoog of psychiater)?'  

RESULTATEN
Hoofdindicator - gezondheidsenquête 2018
  • In 2018 gaf 9,1% van de huishoudens aan dat ze zorg om financiële redenen moesten uitstellen.
  • De geografische verdeling van deze huishoudens is heel heterogeen: 16,1% van de Brusselse huishoudens zeiden dat ze zorg hebben moeten uitstellen ten opzichte van 12,8% in Wallonië en 5,4% in Vlaanderen.
  • Er is een duidelijk verband tussen het socio-economische profiel van het gezin (opleidingsniveau van het gezinshoofd en gezinsinkomen) en uitstel van zorg: 13,6% van de huishoudens waarvan het gezinshoofd het laagste opleidingsniveau had, hebben zorg moeten uitstellen tegenover 5,5% van de huishoudens met het hoogste opleidingsniveau.
  • 18,4% van de huishoudens met de laagste inkomens hebben zorg moeten uitstellen tegenover 2,5% van de huishoudens met de hoogste inkomens.  
Figuur 6 - Percentage van huishoudens die medische consumptie dienden uit te stellen omwille van financiële redenen, 2001-2018
Gegevensbron: Gezondheidsenquête, 2001-2018
Secundaire indicator -  EU-SILC (2018)
  • Het percentage individuen (16 jaar en ouder) die rapporteren dat ze medische zorgen hadden uitgesteld en daarvoor de hoge kostprijs als belangrijkste reden gaven, is toegenomen van 1,4% in 2011 tot 2,2% in 2014. Het percentage is in de period 2014-2016 stabiel gebleven rond 2,2% en is vervolgens gedaald tot 1,8% in 2018 (Fig 7).
  • Voor tandheelkundige zorg zien we dezelfde tendensen, maar zijn de percentages hoger: 2,9 in 2011, 3,8% in 2014, en 3,1% in 2018 (Fig 8).
  • Zowel voor medische als voor tandheelkundige zorg zijn deze percentages hoger bij vrouwen dan bij mannen.
  • Zowel voor medische als voor tandheelkundige zorg is dit percentage het hoogst in de categorie tussen 35 en 54 jaar; bij mensen die ouder zijn dan 65 jaar is het lager.
  • Er zijn grote verschillen in functie van het inkomen. Voor medische zorg gaat dit van 0% van de bevolking die zorg uitstelt omwille van de kostprijs voor het kwintiel met de hoogste inkomens tot 5,4% voor het kwintiel met de laagste inkomens. Voor tandheelkundige zorg wordt de kloof nog groter, met 0,3% voor het kwintiel met de hoogste inkomens tot 8,2% voor het kwintiel met de laagste inkomens.
  • In vergelijking met andere Europese landen, is het aandeel in België hoger (1,8%) dan het gemiddelde van 1,1% van de EU-15 (cijfers uit 2018, Fig 7). Alleen Griekenland en Italië doen het minder goed dan België (8,3% in Griekenland en 2,0 in Italië). Dit verschil is nog groter voor het laagste inkomenskwintiel (5,4% vergeleken met een EU-gemiddelde van 2,6% voor medische zorgen).
  • Anderzijds is het aandeel van de uitgestelde tandheelkundige zorg in België (3,1%) eveneens hoger dan het EU-15-gemiddelde van 2,9% (cijfers van 2018, Fig 8).
Figuur 7 - Zelfgerapporteerde uitgestelde medisch onderzoek om financiële redenen (% van personen), internationale vergelijking, 2011-2018
Gegevensbron: Eurostat 2020
Figuur 8 - Zelfgerapporteerde uitgestelde tandheelkundig onderzoek om financiële redenen (% van personen), internationale vergelijking, 2011-2018
Gegevensbron: Eurostat 2020

 Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Toegang tot tarieven voor geconventioneerde zorg (A-12, A-13)

Elk jaar (in principe) sluiten de zorgverleners overeenkomsten met de verzekeraars (bijv. artsen en tandartsen met mutualiteiten) waarin voor een bepaalde periode per prestatie het maximale honorarium wordt vastgesteld waarop zij aanspraak kunnen maken. Dit zorgt ervoor dat patiënten een zekerheid hebben over het aangerekende tarief, en ze bijgevolg van tevoren weten hoeveel ze moeten betalen voor hun consultaties en zorg, zonder bijkomende supplementen. Deze maatregel geldt echter alleen voor zorgverleners die deze overeenkomst hebben ondertekend (= die 'geconventioneerd' zijn). Telkens wanneer een nieuwe overeenkomst wordt opgesteld, beslist iedere zorgverlener of ze al dan niet opnieuw willen toetreden. In ruil voor het ondertekenen ontvangen zorgverleners bepaalde sociale voordelen.

De dichtheid van de geconventioneerde zorgverleners per provincie en arrondissement kan als maatstaf worden gebruikt voor zowel de financiële toegankelijkheid als de geografische toegankelijkheid van de gezondheidszorg. We hebben ervoor gekozen om deze dichtheid te meten voor de huisartsen en als secundaire indicator ook voor specialisten (vertegenwoordigd door gynaecologen) (A-12) en voor de tandartsen (A-13). Deze dichtheid wordt uitgedrukt in termen van voltijdequivalenten per 10 000 inwoners om de onderlinge vergelijking te vergemakkelijken.

RESULTATEN
dichtheid van geconventioneerde huisartsen (A-12)
  • De dichtheid van geconventioneerde huisartsen is redelijk uniform.
  • De dichtheid van de geconventioneerde gynaecologen is over het algemeen laag in België, met uitzondering van het arrondissement Bergen.
Dichtheid van de geconventioneerde tandartsen (A-13)
  • De dichtheid van de geconventioneerde tandartsen is redelijk uniform (met lagere waardes in de arrondissement van Antwerpen, Veurne en Charleroi). 
Tabel 1 : Dichtheid van geconventioneerde practici (VTE), per provincie, voor 10 000 inwoners (2016)
Gegevensbron: RIZIV
ProvincieHuisartsenGynaecologenTandartsen
Antwerp 6,23 0,22  1,84
Brabant wallon 5,70 0,68 3,14
Brussel 4,95 0,52 4,29
Hainaut 6,02 0,51 2,50
Liège 7,47 0,31 4,81
Limburg 8,48 0,28 3,93
Luxembourg 6,85 0,08 3,57
Namur 8,33 0,26 2,84
Oost-Vlaanderen 7,80 0,22 2,99
Vlaams Brabant 7,26 0,48 3,32
West-Vlaanderen  8,03  0,17 3,01 

Tabel 2: Dichtheid van de actieve artsen (VTE) per specialiteiten (voor 10 000 inwoners)(2016)
Bron: RIZIV

 

Actieve artsen

Actieve artsen
(in VTE)

Geconventioneerde actieve
artsen (in VTE)

Huisartsen

12 929 (1,14)

8 988 (0,79)

7 719 (0,68)

Pediaters

1 532 (0,14)

952 (0,08)

824 (0,07)

Gynaecologen

1 462 (0,13)

948 (0,08)

369 (0,03)

Psychiaters

1 958 (0,17)

1 289 (0,11)

1 129 (0,10)

Medische specialisten

9 753 (0,86)

6 683 (0,59)

5 077 (0,45)

Chirurgische specialisten

6 719 (0,59)

4 678 (0,41)

3 202 (0,28)

Figuur 9 - Geconventioneerde praktiserende huisartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 1 000 verzekerde inwoners, per district, 2016 
RIZIV
Geconventioneerde praktiserende huisartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners
Figuur 10 - Geconventioneerde gynecologen, in voltijdsequivalent (VTE) per 1 000 verzekerde inwoners, per district, 2016
Gegevensbron: RIZIV
Geconventioneerde gynecologen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners
Figuur 11 - Geconventioneerde tandartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 1 000 verzekerde inwoners, per district, 2016
Gegevensbron: RIZIV
Geconventioneerde tandartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Het aandeel van ereloonsupplementen (A-14)

In het Belgische ziekenhuissysteem mogen zorgverleners een extra vergoeding (ereloonsupplementen) aanrekenen aan patiënten die ervoor gekozen hebben om in een éénpersoonskamer te verblijven (met uitzondering van verblijven in éénpersoonskamer die het gevolg zijn van medische noodzaak of het niet beschikbaar zijn van een ander type kamer). Zo kunnen deze ziekenhuizen artsen aantrekken door hen aantrekkelijkere financiële voorwaarden aan te bieden. Daarnaast kunnen ziekenhuizen ook zelf beslissen om toeslagen (kamersupplementen) in rekening brengen voor de bezetting van een éénpersoonskamers. Vanaf 2010 (2015 voor dagopnames) zijn deze supplementen niet meer toegelaten in tweepersoonskamers. Sinds deze wijziging is het aantal gefactureerde toeslagen gedaald, maar is het bedrag van de supplementen op de factuur toegenomen.

De meeste hospitalisatieverzekeringen vergoeden - geheel of gedeeltelijk - de toeslagen die worden aangerekend aan patiënten die voor een éénpersoonskamer kiezen. In lijn met de stijging van de toeslagen stijgen ook de verzekeringspremies, waardoor deze voor sommige mensen onbetaalbaar zouden kunnen worden.

We stellen vast dat bepaalde ziekenhuizen systematisch éénpersoonskamers voorstellen aan hun patiënten. Deze tendens zou kunnen leiden tot een gezondheidssysteem op twee niveaus, met 'ziekenhuizen voor de rijken', waar meer éénpersoonskamers beschikbaar zijn, en 'ziekenhuizen voor de armen'. Daardoor hebben niet alle patiënten gelijke toegang tot zorg van gelijke kwaliteit.

RESULTATEN
  • Voor een klassieke ziekenhuisopname vertegenwoordigde het totale bedrag aan ereloonsupplementen 20% van het totale bedrag aan erelonen dat in 2017 officieel werd gefactureerd, een snelle stijging ten opzicht van 2006 met een percentage van 14% en 2015 met een percentage 18% (figuur 12).
  • Voor een dagopname is het totale bedrag aan ereloonsupplementen licht gedaald, van 15% van het totale aantal officieel gefactureerde erelonen in 2015 tot 13% in 2017 (figuur 12). Deze daling is te verklaren door de afschaffing van de supplementen voor tweepersoonskamers, die voor dagopnames pas midden 2015 werd ingevoerd.
  • Op 11% van de prestaties (12% van de traditionele ziekenhuisopnames en 8% van de dagopnames) worden ereloonsupplementen aangerekend (tabel 3).
  • Sinds de afschaffing van supplementen voor tweepersoonskamers is het aantal patiënten die supplementen moesten betalen met 10,8% gedaald (klassieke ziekenhuisopnames en dagopnames gecombineerd). Deze daling geldt echter alleen voor 'lage' toeslagen (< € 1000). Het aantal patiënten met 'hoge' supplementen (> € 1000) is aanzienlijk toegenomen. Dat betekent dat er minder patiënten supplementen hoefden te betalen, maar dat het gemiddelde bedrag van de supplementen wel is toegenomen (tabel 4).
  • De regionale verschillen zijn beperkt: er worden supplementen aangerekend bij 14% van de ziekenhuisopnames in Vlaanderen, bij 13% in Wallonië en bij 17% in Brussel. De bedragen variëren echter aanzienlijk van regio tot regio, met een gemiddelde van € 800 in Vlaanderen, € 1350 in Wallonië en € 1700 in Brussel (zie technische fiche).
Figuur 12 - Percentage van de totale massa gefactureerde ereloonsupplementen ten opzichte van de officiële gefactureerde erelonen – evolutie 2006-2015-2017
Bron: IMA
Tabel 3: Hoogte en frequentie van ereloonsupplementen (2017)
Bron: RIZIV

 

Officiële erelonen
(millioen €)

Gefactureerde
ereloonsupplementen
(millioen €)

% gefactureerde ereloonsupplementen
t.o.v. de gefactureerde officiële erelonen

% gefactureerde
ereloonsupplementen

         

Klassieke
ziekenhuisopname

2 431

476

20%

12%

Dagopname

673

87

13%

8%

Totaal

3 104

563

18%

11%

 

Tabel 4: Aantal patiënten geconfronteerd met ereloonsupplementen (2014-2017)
Bron: RIZIV

 

Aantal patiënten (meer dan een opname is mogelijk)

 

2014

2017

Evolutie 2014-2017

Alle opnames

2 072 245

2 146 435

3,6%

Zonder ereloonsupplementen

1 598 822

1 723 799

7,8%

Met ereloonsupplementen, waaronder :

473 423

422 636

-10,7%

0 tot 1 000€

308 263

236 639

-23,2%

1 000€ tot 3 000€

135 128

148 589

10,0%

3 000€ tot 5 000€

19 864

23 535

18,5%

5 000€ tot 10 000€

8 270

10 960

32,5%

10 000€ tot 30 000€

1 874

2 880

53,7%

30 000€ en meer

24

33

37,5%

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten