Andere informatie en diensten van de overheid : www.belgium.be  belgium

Determinants of Health

19% of the adult population is daily smoker and 14% of adults are obese.

Highlights (3)

To be developed.

Tabaksgebruik

1. Kernboodschappen

In 2013 bedroeg het percentage dagelijkse rokers in België 13%, wat ongeveer overeenkomt met het EU-15 gemiddelde. Het percentage dagelijkse rokers is de laatste 15 jaar aanzienlijk gedaald. Het percentage dagelijkse rokers is hoger voor mannen dan voor vrouwen en lichtjes lager in Vlaanderen dan in Wallonië en Brussel.
Roken start tijdens de adolescentie. In 2013 rookte 17% van de 15-24-jarigen dagelijks. Sinds 1997 is het percentage dagelijkse rokers afgenomen bij jonge mannen maar niet bij jonge vrouwen die in 2013 iets meer rookten dan mannen. Beleidsacties rond gezondheidspromotie zouden op jonge mensen gericht moeten zijn.
Het rookgedrag toont grote sociaaleconomische verschillen: het percentage dagelijkse rokers is bij hooggeschoolden 2,5 keer lager dan bij laaggeschoolden. De daling in de prevalentie van dagelijkse rokers wordt voornamelijk veroorzaakt door mensen met een hoog opleidingsniveau.

2. Achtergrond

Roken is een van de belangrijkste gezondheidsrisico’s en leidt tot een hoog aantal vermijdbare overlijdens en ziekten. Roken is de belangrijkste oorzaak van longkanker, speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van andere soorten kanker, en leidt tot een toename van het risico op hart- en vaatziekten en ademhalingsproblemen. Regelmatig rookgedrag op jonge leeftijd is moeilijker af te leren en leidt dan ook tot een langere duur van het tabaksgebruik.

Een belangrijke doelstelling op het vlak van volksgezondheid is een vermindering van het tabaksgebruik. De Belgische minister van volksgezondheid heeft als doel vooropgesteld het percentage dagelijkse rokers in 2018 met 17% te verminderen [1]. Tabaksgebruik dat start in de adolescentie is niet alleen moelijker af te zweren, het leidt ook tot meer jaren blootgesteld aan de nefaste effecten van tabak. Het is daarom belangrijk om preventieve maatregelen in te stellen gericht op jongeren.

3. Type rokers

In 2013 rookte 23% van de bevolking van 15 jaar en ouder, waarvan 19% dagelijkse rokers en 4% occasionele rokers. Het percentage zware rokers was 7%. Er werd een positieve trend waargenomen met een relatieve vermindering van 23% in het aantal huidige rokers, 27% in het aantal dagelijkse rokers en 30% in het aantal zware rokers.

Type rokers in de populatie 15 jaar en ouder, België, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [2]

4. Prevalentie dagelijkse rokers

In 2013 was 18,9% van de bevolking een dagelijkse rokers. De prevalentie van dagelijkse rokers was hoger voor mannen (21,6%) dan voor vrouwen (16,4%), en hoger in Wallonië (21,5%) dan in Vlaanderen (17,7%) en Brussel (18,3%). De prevalentie dagelijkse rokers is gedaald van 26% in 1997 naar 19% in 2013, ofwel een afname van 27% in 15 jaar. De afname was groter bij mannen dan bij vrouwen. De prevalentie dagelijkse rokers nam zowel voor mannen als vrouwen af in de drie gewesten, met uitzondering van vrouwen in Wallonië.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie dagelijkse rokers bij mannen van 15 jaar en ouder, in België en volgens regio, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [2]

Prevalentie dagelijkse rokers bij vrouwen van 15 jaar en ouder, in België en volgens regio, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [2]

Dagelijkse rokers bij jongeren

De prevalentie dagelijkse rokers bij jongeren (15-24 jaar) was in 2013 iets lager dan in de oudere leeftijdsgroepen, maar bedroeg nog steeds 17%. Sinds 1997 is het aantal dagelijkse rokers onder jongeren met een derde gedaald. Jonge mannen rookten in 1997 meer dan jonge vrouwen, maar hun rookgewoonte is in de loop van de tijd afgenomen, terwijl deze stabiel bleef voor jonge vrouwen. Bijgevolg was de prevalentie dagelijkse rokers in 2013 bij jonge vrouwen iets hoger.

Prevalentie dagelijkse rokers bij de bevolking van 15-24 jaar volgens geslacht, België, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [2]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Na correctie volgens leeftijd en geslacht, is de proportie dagelijkse rokers bij mensen met het laagste opleidingsniveau 2,5 keer hoger dan bij mensen met het hoogste opleidingsniveau. Het percentage dagelijkse rokers is tussen 1997 en 2013 gedaald voor mensen in het hoogste opleidingsniveau, maar is voor de andere opleidingsniveaus nagenoeg gelijk gebleven.

Prevalentie dagelijkse rokers volgens opleidingsniveau, België, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [2]

Internationale vergelijking

Het percentage dagelijkse rokers in België was in 2014 gelijk aan het EU-15 gemiddelde.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie dagelijkse rokers bij mannen, volgens land (EU-15), 2014 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: OESO Gezondheidsgegevens, 2014 of dichtsbijzijnde jaar [3]

Prevalentie dagelijkse rokers bij vrouwen, volgens land (EU-15), 2014 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: OESO Gezondheidsgegevens, 2014 of dichtsbijzijnde jaar [3]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Huidige rokers
Huidige rokers zijn rokers die momenteel roken; deze omvatten zowel de dagelijkse rokers als de occasionele rokers.
Prevalentie dagelijkse rokers
De prevalentie dagelijkse rokers is het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat dagelijks rookt.
Zware rokers
Zware rokers zijn mensen die meer dan 20 sigaretten per dag roken.

Referenties

  1. Anti-rook beleidsplan, Belgische Federale Minister van Gezondheid, 2016. http://www.maggiedeblock.be/2016/04/09/anti-rook-beleidsplan-met-rookverbod-in-wagen-met-kinderen-en-accijnsverhoging/
  2. Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013. https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/TA_NL_2013.pdf
  3. OESO Gezondheidsgegevens, 2014 of dichtstbijzijnde jaar. http://stats.oecd.org/

Alcoholgebruik

1. Kernboodschappen

De Europese landen hebben het hoogste niveau van alcoholgebruik in de wereld. België behoort met zijn gemiddeld alcoholgebruik van 11 l pure alcohol per persoon per jaar tot de landen met een hoge alcohol-gerelateerde ziektelast. Het gemiddelde alcoholgebruik in België ligt dicht bij het gemiddelde Europese consumptieniveau.
In 2013 had 7,2% van de mannen en 4% van de vrouwen een overmatig alcoholgebruik (meer dan 21 respectievelijk 14 consumpties per week bij mannen en vrouwen). De prevalentie van overmatig alcoholgebruik is sinds 2014 afgenomen bij mannen maar niet bij vrouwen. 
Het drinken van 6 of meer glazen alcohol bij dezelfde gelegenheid (hyperalcoholisatie) is in België hoger dan in andere Europese landen. Dit is vooral zorgwekkend bij jonge mannen (15-24) bij dewelke de prevalentie van hyperalcoholisatie 20% bedraagt. Dit vormt dan ook een belangrijke doelgroep voor preventiestrategieën.

2. Achtergrond

Overmatig alcoholgebruik is verantwoordelijk voor heel wat gezondheidsproblemen: het wordt geassocieerd met gedragsproblemen, levercirrose, kanker, hart- en vaatziekten en verwondingen, en is een van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte.

Het alcoholverbruik ligt in de Europese landen ver boven het wereldwijde gemiddelde. Het verminderen van overmatig alcoholgebruik is een prioriteit op vlak van volksgezondheid.

Op internationaal niveau zijn schattingen van alcoholconsumptie vaak gebaseerd op verkoopgegevens. Deze data zijn geschikt voor het weergeven van langetermijntrends, maar laten niet toe een overmatig drinkgedrag vast te stellen. De gegevens van enquêtes zijn beter geschikt om overmatige alcoholconsumptie te beschrijven, hoewel zelfgerapporteerde gegevens onderhevig zijn aan onderrapportering en vertekening door rapportering van wat sociaal wenselijk wordt geacht.

In dit rapport beschrijven we twee indicatoren van overmatig alcoholgebruik gebaseerd op enquêtes en één indicator gebaseerd op verkoopdata:

  1. Overmatig alcoholgebruik, dit verwijst naar een wekelijks verbruik van meer dan 21 consumpties bij mannen en 14 consumpties bij vrouwen met een equivalent van 10 g pure alcohol (ethanol) per consumptie.
  2. Wekelijkse hyperalcoholisatie, of “binge drinking”, verwijst naar de consumptie van zes of meer glazen alcohol bij eenzelfde gelegenheid en dit minstens één keer per week.
  3. In de internationale vergelijking stellen we de gemiddelde alcoholconsumptie per persoon voor zoals deze geschat wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie.

3. Overmatig alcoholgebruik

België

In 2013 had 6% van de bevolking van 15 jaar en ouder een overmatig alcoholgebruik (meer dan 21 glazen alcohol per week voor mannen, meer dan 14 glazen alcohol per week voor vrouwen). Overmatig alcoholgebruik komt twee keer zo vaak voor bij mannen dan bij vrouwen. Omdat de drempel voor overmatig alcoholgebruik lager is bij vrouwen dan bij mannen, tonen deze resultaten ook aan dat de alcoholconsumptie bij vrouwen lager is dan bij mannen. De prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij jongere mannen (15-24 jaar) is 8% en is dus redelijk verontrustend te noemen. De hoogste prevalentie overmatig alcoholgebruik werd geobserveerd in de groep van 55-64 jaar (12% voor mannen en vrouwen samen).

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij de populatie van 15 jaar en ouder, volgens leeftijd en geslacht, België, 2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [1]

Trends en regionale verschillen

In België nam de prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij mannen af van 12,3% in 2004 tot 7,2% in 2013. Bij mannen werd deze afname in de drie regio’s vastgesteld. Bij vrouwen was de afname minder uitgesproken, en niet significant.

In 2013 werd bij mannen een hogere prevalentie van overmatig alcoholgebruik geobserveerd in Wallonië dan in de andere regio’s (niet significant). Deze verschillen waren niet consistent in de tijd. Bij vrouwen werd in Brussel een significant hogere prevalentie van overmatig alcoholgebruik geobserveerd dan in de andere regio’s.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij mannen 15 jaar en ouder, in België en per regio, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [1]

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij vrouwen 15 jaar en ouder, in België en per regio, 1997-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [1]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Het overmatig alcoholgebruik volgens opleidingsniveau vertoont bij mannen en vrouwen een tegengesteld patroon. Er werd geen gradiënt vastgesteld. Overmatig alcoholgebruik komt bij mannen frequenter voor in de twee laagste opleidingsniveaus dan in de hogere opleidingsniveaus. Bij vrouwen zien we het omgekeerde patroon met een hogere frequentie aan overmatig alcoholgebruik bij hoger opgeleide vrouwen dan lager opgeleide vrouwen. Dit geslachtsgebonden patroon werd ook in alle OESO-landen [2] waargenomen.

Percentage overmatige alcoholgebruikers in de populatie 15 jaar en ouder, volgens geslacht en opleidingsniveau, België, 2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [1]

4. Hyperalcoholisatie

België

In België was de prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie (het drinken van minimaal zes glazen alcohol bij eenzelfde gelegenheid) 8,5% in 2013 ten opzichte van 8,1% in 2008. De prevalentie is hoger voor mannen (12,5%) dan voor vrouwen (3,5%). De hoogste prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie werd waargenomen in de leeftijdsgroep van 15-24 jaar (14%), gevolgd door de groep van 55-64 jaar met een prevalentie van 11,3%. De prevalentie is bijzonder hoog bij jonge mannen: bijna 20% van de mannen (15-24 jaar) gaf aan minstens een keer per week een minimum van zes glazen alcohol te drinken bij eenzelfde gelegenheid. Er werden geen verschillen waargenomen volgens opleidingsniveau.

Percentage van de bevolking (van 15 jaar en ouder) dat wekelijks 6 of meer glazen alcohol drinkt bij eenzelfde gelegenheid, volgens leeftijd en geslacht, België, 2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [1]

Trends en regionale verschillen

De prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bleef op nationaal vlak ongeveer gelijk tussen 2008 en 2014.

In 2008 was de prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bij mannen in Vlaanderen (ongeveer 13%) significant hoger dan in de andere regio’s, maar de verschillen tussen de regio’s verdwenen in 2013, aangezien de prevalentie van de wekelijkse hyperalcoholisatie gelijk bleef in Vlaanderen maar toenam in Wallonië en Brussel (van 8,5% tot 12% in beide regio’s).

Bij vrouwen bleef de prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie tussen 2008 en 2013 stabiel in Vlaanderen en Wallonië maar nam toe in Brussel van 3,3% tot 5,2%.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage mannen (15 jaar en ouder) dat wekelijks minstens 6 of meer glazen alcohol drinkt bij eenzelfde gelegenheid, per regio en per jaar, België, 2008-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2008-2013 [1]

Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat wekelijks minstens 6 of meer glazen alcohol drinkt bij eenzelfde gelegenheid, per regio en per jaar, België, 2008-2013
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2008-2013 [1]

Internationale vergelijking

Het percentage van de bevolking dat wekelijks 6 of meer glazen alcohol drinkt bij eenzelfde gelegenheid, is in België hoger dan het EU-15 gemiddelde (voor de 13 landen waarvoor gegevens beschikbaar zijn), en dit zowel voor mannen (13% versus 10%) als voor vrouwen (3,8% versus 3,1%).

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie mannen (van 15 jaar en ouder) dat wekelijks 6 of meer glazen alcohol drinkt bij eenzelfde gelegenheid, volgens land van residentie, Europa, 2014
Source: Eurostat, 2014 [3]

Percentage vrouwen (van 15 jaar en ouder) dat wekelijks 6 of meer glazen alcohol drinkt bij eenzelfde gelegenheid, volgens land van residentie, Europa, 2014
Source: Eurostat, 2014 [3]

5. Totaal alcoholgebruik per persoon

De Europese regio heeft volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) het hoogste alcoholgebruik op wereldvlak [4]. Volgens schattingen van de WHO bedraagt het totale alcoholgebruik in België in de periode 2008-2010 11,0 liter, wat dicht bij het EU-15 gemiddelde van 11,4 liter ligt.

Totaal alcoholgebruik (gemeten 3 jaar gemiddelde en niet gemeten gebruik) per capita (in liter pure alcohol) bij de bevolking 15 jaar en ouder, volgens land van residentie, Europa, 2010
Source: Wereldgezondheidsorganisatie, GISAH, 2008-2010 [5]
Totaal alcoholgebruik per persoon (gemeten 3 jaar gemiddelde en niet gemeten gebruik) in liter pure alcohol) bij de populatie 15 jaar en ouder, volgens regio’s in de wereld, 2010
Source: Wereldgezondheidsorganisatie, 2014 [6]

6. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Overmatig alcoholgebruik
Overmatige alcoholgebruik of gevaarlijk alcoholgebruik, geeft het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder die een dagelijkse consumptie weergaven van meer dan 30 g pure alcohol bij mannen en 20 g bij vrouwen. Dit is equivalent aan 21 glazen, respectievelijk, 14 glazen alcohol per week.
Totaal alcoholgebruik per persoon
Het totaal alcoholgebruik per persoon is het gerapporteerde driejaarlijks gemiddelde en het niet-gerapporteerde alcoholgebruik van de bevolking (15 jaar en ouder), uitgedrukt in liters pure alcohol per jaar. Het gerapporteerde alcoholgebruik verwijst naar officiële statistieken (productie, import, export en verkoop of taxatiegegevens). Het niet-gerapporteerde alcoholgebruik verwijst naar alcohol die niet getaxeerd is en buiten het gebruikelijk systeem van overheidscontrole valt. Dit kan geschat worden aan de hand van specifieke onderzoeksvragen. Meer informatie kan gevonden worden via http://www.who.int/substance_abuse/activities/gisah_indicatorbook.pdf?ua=1
Wekelijkse hyperalcoholisatie
De prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie is het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder die een periode van overmatig drinken aangaven gedefinieerd als de consumptie van minimum 6 glazen alcohol bij eenzelfde gelegenheid en dit minstens een keer per week. Dit wordt ook vaak “binge drinking” genoemd.

Referenties

  1. Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013. https://hisia.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx
  2. OESO, 2015. http://www.oecd-ilibrary.org/docserver/download/5js1qwkz2p9s-en.pdf?expires=1518691657&id=id&accname=guest&checksum=F8F823E57B77D9806509FD2DFA4CFC10
  3. Eurostat. http://ec.europa.eu/eurostat/fr/data/database
  4. Werelgezondheidsorganisatie, 2017. http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0007/343744/2017-Alcohol-Fact-Sheet-FINAL.pdf?ua=1
  5. Werelgezondheidsorganisatie, GISAH, 2008-2010. http://apps.who.int/gho/data/node.gisah.A1032?lang=en&showonly=GISAH
  6. Werelgezondheidsorganisatie, Global status report on alcohol and health, 2014. http://www.who.int/substance_abuse/publications/global_alcohol_report/msb_gsr_2014_1.pdf?ua=1

Gewichtstoestand

1. Kernboodschappen

Een overmatig gewicht is een belangrijk probleem in België net als in andere geïndustrialiseerde landen.
In 2013 had 48% van de bevolking een overmatig gewicht, waarvan 14% obees, wat zeer gelijkaardig is aan het gemiddelde van de EU-15.
Obesitas is sterk gerelateerd met de socio-economische status met een hogere prevalentie van obesitas bij laaggeschoolden. Obesitas komt, voornamelijk bij mannen, vaker voor in Wallonië dan in de andere regio’s. Sinds 1997 is de prevalentie van obesitas in België toegenomen, doch deze tendens blijkt de laatste jaren gestabiliseerd te zijn, met uitzondering van mannen in Wallonië.
In 2014, had 14% van de adolescenten overgewicht (inclusief personen met obesitas). Overgewicht komt vaker voor bij mannen (16% bij mannen versus 12% bij vrouwen), komt vaker voor in het Waalse gewest (15% versus 13% in het Vlaamse gewest) en vaker in gezinnen met een lager inkomen.

2. Achtergrond

Overgewicht en obesitas worden gedefinieerd als een overmatige accumulatie van lichaamsvet, welke de ontwikkeling van chronische ziekten bevorderd (diabetes type 2, cardiovasculaire ziekten, kankers). De Body Mass Index (BMI), berekend als het gewicht gedeeld door het kwadraat van de lengte, is een eenvoudig instrument dat gebruikt wordt om de gewichtstoestand te classificeren in een aantal grote categorieën: ondergewicht, normaal gewicht, overgewicht en obesitas. Bij volwassenen worden overgewicht en obesitas bepaald door een BMI van 25-30 respectievelijk ≥ 30. Bij kinderen en adolescenten zijn de BMI-grenzen leeftijd- en geslacht specifiek.

De gewichtstoestand kan afgeleid worden van zelf gerapporteerde informatie, zoals deze verzameld door de gezondheidsenquête (HIS) en het onderzoek naar gezondheidstoestand in schoolgaande kinderen (HBSC), of op basis van gemeten waarden zoals deze verzameld gedurende de voedselconsumptiepeiling (VCP). Zelf gerapporteerde gegevens leiden vaak tot een onderschatting van de werkelijke prevalentie van overgewicht/obesitas.

In dit rapport wordt gefocust op de prevalentie van obesitas bij volwassenen (HIS-gegevens) en de prevalentie van overgewicht bij adolescenten (HBSC-gegevens). De keuze van de gebruikte databronnen werd bepaald door de mogelijkheid om trends te analyseren en internationale vergelijkingen mogelijk te maken.

Volgens de HIS 2013 gegevens (zelfgerapporteerde data) [1] heeft:

  • 48% van de Belgische populatie een overmatig gewicht (14% obesitas en 34% overgewicht);
  • 49% een normaal gewicht; en
  • 3% ondergewicht.

Volgens de VCP 2014 data (gemeten waarde) [2], daarentegen, heeft 53% van de populatie (18-64 jaar) een overmatig gewicht (19% obesitas en 34% overgewicht), 45% heeft een normaal gewicht en 2% heeft ondergewicht.

3. Obesitas bij volwassenen

België

Volgens de gezondheidsenquête (HIS), was de prevalentie van obesitas 14% in 2013 en werden er geen verschillen tussen mannen en vrouwen waargenomen.

De prevalentie van obesitas neemt toe met de leeftijd tot een leeftijd van 65-74 jaar en neemt nadien weer af bij mensen van 75 jaar en ouder. Deze toename begint vroeger bij vrouwen (25-34) dan bij mannen (35-44). Het percentage mensen met obesitas varieert van 3.9% in de jongste leeftijdsgroep (18-24) tot 19.6% in de leeftijdsgroep van 67-74 jaar.

Prevalentie van obesitas volgens leeftijdsgroep en geslacht, België, 2013
Source: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [1]

Trends en regionale verschillen

In België nam de prevalentie van mensen met obesitas toe tot 2008 waarna het is gestabiliseerd.

Uit de opeenvolgende gezondheidsenquêtes is gebleken dat obesitas, zowel bij mannen als bij vrouwen, vaker voorkomt in Wallonië dan in de andere regio’s. Bij de mannen zijn de regionale verschillen meer uitgesproken dan bij de vrouwen.

Tussen 1997 en 2013 was er bij mannen een matige toename in de prevalentie van obesitas in Vlaanderen en een serieuze toename in Wallonië en Brussel. Bij vrouwen was er een matige toename in de prevalentie van obesitas in alle regio’s. Aangezien de federale langetermijnvisie voor duurzame ontwikkeling gericht is op een vermindering van het aandeel van zwaarlijvige volwassenen, zijn er nog steeds inspanningen nodig.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van obesitas bij mannen ouder dan 18 jaar, in België en volgens regio, 1997-2013
Source: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [1]

Prevalentie van obesitas bij vrouwen ouder dan 18 jaar, in België en volgens regio, 1997-2013
Source: Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2013 [1]

Verschillen volgens opleidingsniveau

De prevalentie van obesitas is sterk gerelateerd met het opleidingsniveau. In 2013, waren er bij de hoogopgeleiden (7.7%) drie keer minder mensen met obesitas in vergelijking met laagopgeleiden (23.5%). Het verschil tussen de opleidingsniveaus is ten opzichte van de vorige gezondheidsenquête toegenomen (in 2008 was de ratio 2).

Prevalentie van obesitas bij mensen ouder dan 18 volgens opleidingsniveau, België, 2013
Source: Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [1]

Internationale vergelijking

De prevalentie van obesitas was sinds 2000 hoger dan het EU-15 gemiddelde, maar nam sinds 2008 slechts licht toe. Als gevolg hiervan staat België in 2015 beter gerangschikt binnen de EU-15, en is de prevalentie van obesitas, zowel voor mannen als vrouwen lager dan het EU-15-gemiddelde.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van obesitas bij mannen ouder dan 18 jaar, volgens land van residentie, (EU-15), 2015 of dichtstbijzijnde jaar
Source: OESO Gezondheidsgegevens, 2015 of dichtsbijzijnde jaar [3]

Prevalentie van obesitas bij vrouwen ouder dan 18 jaar, volgens land van residentie, (EU-15), 2015 of dichtstbijzijnde jaar
Source: OESO Gezondheidsgegevens, 2015 of dichtsbijzijnde jaar [3]

4. Overgewicht bij adolescenten

België

Volgens het onderzoek van 2014 naar het gezondheidsgedrag in schoolkinderen (HBSC), hebben in België jongens vaker overgewicht dan meisjes. Dit werd in elk van de bestudeerde leeftijdsgroepen (11, 13 en 15 jaar) waargenomen. Overgewicht neemt toe met de leeftijd al zijn de verschillen tussen de leeftijdsgroepen niet significant.

Prevalentie van overgewicht bij adolescenten, volgens leeftijd en geslacht, België, 2014
Bron: Niet-gewogen gemiddelde gebaseerd op de resultaten van de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey (IOTF cut-off), 2014 [4,5]

Trends en regionale verschillen

De prevalentie van overgewicht bij 15-jarige adolescenten is hoger in de Franstalige gemeenschap dan in de Vlaamstalige Gemeenschap.

De prevalentie van overgewicht bij 15-jarige adolescenten is tussen 2006 en 2014 gelijkmatig toegenomen en dit zowel bij jongens als meisjes als voor België.

De prevalentie van overgewicht bij 15-jarige jongens is in de loop van de verschillende enquêtes lichtjes toegenomen en dit zowel in de Vlaamstalige als de Franstalige gemeenschap. Bij meisjes nam de prevalentie van overgewicht toe in de Vlaamstalige gemeenschap maar niet in de Franstalige gemeenschap. In 2014 waren de verschillen tussen de regio’s minder uitgesproken dan in 2006 en dit zowel voor meisjes als voor jongens.

  • Jongens
  • Meisjes

Prevalentie van overgewicht (inclusief obesitas) bij 15-jarige adolescente jongens, volgens gemeenschap, 2006-2014
Bron: Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey (IOTF cut-off), 2006-2014 [4,5]

Prevalentie van overgewicht (inclusief obesitas) bij 15-jarige adolescente meisjes, volgens gemeenschap, 2006-2014
Bron: Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey (IOTF cut-off), 2006-2014 [4,5]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Volgens het HBSC-rapport werd een hogere prevalentie van overgewicht geassocieerd met een hoger gezinsinkomen en dit zowel bij jongens als bij meisjes. In 2014 resulteerden de sociale ongelijkheden in een verschil van 10 procentpunten in het Vlaamstalig landsgedeelte en 15 procentpunten in het Franstalig landsgedeelte.

Internationale vergelijking

België staat gunstig gerangschikt tussen de EU-15-landen met een prevalentie van overgewicht bij jongens van 16% in vergelijking met het gemiddelde van de EU-15 van 18%. Voor meisjes is de prevalentie van overgewicht gelijk aan het EU-15-gemiddelde (12%).

  • Jongens
  • Meisjes

Prevalentie van overgewicht (inclusief obesitas) bij 15-jarige adolescente jongens, volgens land van residentie (EU-15), 2014
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op OESO Gezondheidsgegevens, 2015 [3]

Prevalentie van overgewicht (inclusief obesitas) bij 15-jarige adolescente meisjes, volgens land van residentie (EU-15), 2014
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op OESO Gezondheidsgegevens, 2015 [3]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

Body mass index
De body mass index (BMI) is een maat voor het gewicht van een persoon in functie van zijn lengte en geeft een goed verband met het lichaamsvet. Het wordt berekend door het gewicht van een persoon (in kilogram) te delen door het kwadraat van zijn lengte (in meter): BMI=gewicht(kg)/lengte(m2). Bij volwassenen worden overgewicht en obesitas bepaald door een BMI van 25-30 respectievelijk ≥ 30. Bij kinderen en adolescenten, zijn de grenzen voor de BMI-categorieën leeftijd en geslacht specifiek.
EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.

Referenties

  1. Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013. https://his.wiv-isp.be/
  2. Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014. https://fcs.wiv-isp.be/
  3. OESO Gezondheidsgegevens. http://stats.oecd.org/
  4. HBSC Surveys, 2006-2014. http://www.hbsc.org/publications/international/
  5. International Obesity Task Force. https://www.worldobesity.org/about/about-obesity/obesity-classification
  6. OECD Health at a Glance 2017. http://www.oecd.org/health/health-systems/health-at-a-glance-19991312.htm

Fysieke activiteit

1. Kernboodschappen

In België is 62% van de volwassenen (18-64 jaar) tenminste “minimaal fysiek actief”, volgens de IPAQ-criteria. Mannen zijn meer fysiek actief dan vrouwen. Het percentage actieve volwassenen neemt toe met de leeftijd. Mensen in het Waalse gewest zijn minder fysiek actief dan de twee andere gewesten ongeacht het geslacht. Vrouwen uit het Brussels hoofdstedelijk gewest zijn vaker fysiek actief dan die uit de andere gewesten. Er werden geen sociaaleconomische verschillen waargenomen in het percentage van de bevolking dat tenminste “minimaal fysiek actief” is.
Het percentage van de bevolking waarbij de fysieke activiteit voldoende is om een positieve impact te hebben op de gezondheid is zeer laag en behelst slechts 28% van de populatie (18-64 jaar). Mannen beoefenen twee keer meer gezondheidsbevorderende fysieke activiteit dan vrouwen. De regionale verschillen zijn klein, met een lichtjes lager niveau van gezondheidsbevorderende fysieke activiteit in Wallonië.

2. Achtergrond

Een tekort aan lichaamsbeweging is een van de belangrijkste risicofactoren op het vlak van ziekte en sterfte, en dit voor een reeks van chronische ziekten zoals cardiovasculaire ziekten, kanker en diabetes. Regelmatige fysieke activiteit boven een bepaalde grenswaarde kan daarenboven de gezondheid significant bevorderen (we spreken dan van “gezondheidsbevorderende fysieke activiteit”). In België wordt aanbevolen om minstens 30 minuten per dag te wijden aan fysieke activiteit boven een bepaalde grenswaarde en dit minstens 5 dagen per week of om minstens 10,000 stappen per dag te wandelen [2].

Er is momenteel nog geen consensus over de methode om het niveau van fysieke activiteit te schatten op basis van zelfgerapporteerde gegevens: het gebruik van verschillende instrumenten en bovendien van verschillende drempelwaarden voor de indeling van de activiteitenniveaus maakt het zeer moeilijk om de resultaten van en tussen landen te vergelijken. In de Belgische gezondheidsenquête (HIS) wordt de fysieke activiteit gemeten met een korte versie van de International Physical Activity Questionnaire (IPAQ) [1]; de vragen omvatten alle soorten activiteit en meten hun intensiteit. In de Europese HIS van 2014 werd een andere vragenlijst (EHISPAQ) gebruikt. De vergelijking van de resultaten van België met de andere EU-lidstaten is tot op heden dan ook niet mogelijk.

In dit rapport hebben we de indicatoren gebruikt zoals gedefinieerd door IPAQ en de waarden berekend op basis van de HIS-enquêtegegevens:

3. Percentage van de bevolking met tenminste een minimale fysieke activiteit

België

In België zijn mannen fysiek actiever dan vrouwen: 69% van de mannen en 56% en de vrouwen waren tenminste minimaal fysiek actief. Met andere woorden 31% van de mannen en 44% van de vrouwen is dus onvoldoende fysiek actief.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage volwassen mannen (18-64) minstens minimaal fysiek actief en met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit*, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]
(*) De som van het aantal mensen dat minimaal fysiek actief is en het aantal mensen met gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging is gelijk aan het aantal mensen dat minstens minimaal fysiek actief is.

Percentage volwassen vrouwen(18-64) minstens minimaal fysiek actief en met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit*, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]
(*) De som van het aantal mensen dat minimaal fysiek actief is en het aantal mensen met gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging is gelijk aan het aantal mensen dat minstens minimaal fysiek actief is.

Het percentage van de bevolking dat ten minste minimaal fysiek actief is, is in de periode 2001-2013 weinig veranderd.

Bij zowel mannen als vrouwen, neemt het percentage van de bevolking dat tenminste minimaal fysiek actief is, af met de leeftijd:

  • Bij mannen neemt het af van 85% in de groep 15-24 jaar naar 61% in de groep 55-64 jaar.
  • Bij vrouwen neemt het af van 70% in de groep 15-24 jaar naar 43% in de groep 55-64 jaar (hierbij zien we wel een uitzondering in de groep van 45-54 jaar bij dewelke een lichte stijging werd waargenomen).
Percentage volwassenen (18–64) ten minste minimaal fysiek actief, volgens geslacht en leeftijdsgroep, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

Trends en regionale verschillen

In 2013 was het percentage mannen dat tenminste minimaal fysiek actief is, hoger in Brussel (74%) en in Vlaanderen (73%) dan in Wallonië (61%). De geografische verschillen waren meer uitgesproken bij vrouwen met een significant grotere proportie vrouwen die minstens minimaal actief zijn in Brussel (71%) en Vlaanderen (60%) dan in Wallonië (46%).

Sinds 2001 zijn mensen in Brussel fysiek actiever dan in de andere regio’s. Dit geldt voornamelijk voor vrouwen. Het percentage van de bevolking dat tenminste minimaal fysiek actief is, nam af in Wallonië ongeacht het geslacht, terwijl deze in de andere regio’s is toegenomen. Het percentage van mannen dat tenminste minimaal fysiek actief is, was in 2001 en 2004 het laagst in Vlaanderen doch deze is nadien sterk gestegen tot eenzelfde niveau als Brussel in 2008. Bij vrouwen bleven de regionale verschillen nagenoeg gelijk in de tijd.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage volwassen mannen (18-64) minstens minimaal fysiek actief is, België en volgens regio, 2001-2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

Percentage volwassen vrouwen (18-64) minstens minimaal fysiek actief is, België en volgens regio, 2001-2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

Verschillen volgens opleidingsniveau

In tegenstelling tot andere risicofactoren voor de gezondheid, werd noch voor mannen noch voor vrouwen, een sociaaleconomische gradiënt waargenomen voor fysieke activiteit.

Percentage minstens minimaal fysiek actieve volwassenen (18-64), volgens geslacht en opleidingsniveau, België, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

4. Percentage van de bevolking met een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit

België

In België heeft 29% van de bevolking voldoende lichaamsbeweging om een positieve impact op de gezondheid te hebben. In 2013, beoefenden mannen (39%) twee keer zo vaak een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit dan vrouwen (21%) (geslachtsverhouding is 1.9).

Het percentage mannen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefenen bleef gedurende de periode van 2001-2013 net onder 40%. Bij vrouwen is het percentage significant gedaald tussen 2001 (29%) en 2013 (21%).

Trends en regionale verschillen

In 2013 was het percentage mannen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefenen net onder de 40% en nagenoeg gelijk in de drie regio’s. Bij vrouwen daarentegen was het percentage in Brussel (25%) en in Vlaanderen (22%) hoger dan in Wallonië (17%).

Bij mannen convergeren de percentages van de drie regio’s van mensen die een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit uitvoeren, wat resulteert in een vergelijkbaar niveau in 2013. Bij vrouwen daarentegen zijn de regionale verschillen in 2013 over het algemeen groter dan in de voorgaande jaren.

  • Mannen
  • Vrouwen

Percentage volwassen mannen (18–64) met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, België en volgens regio, 2001–2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

Percentage volwassen vrouwen (18–64) met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, België en volgens regio, 2001–2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013 [3]

De geslachtsverhouding voor gezondheidsbevorderende fysieke activiteit was het hoogste in Wallonië (2.2), wat betekent dat de verschillen tussen mannen en vrouwen hier het meest uitgesproken waren. De geslachtsverhouding was het laagst voor het Brussel (1.5).

Geslachtsverhouding (mannen/vrouwen) bij volwassenen met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, volgens regio, 2013
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

Verschillen volgens opleidingsniveau

De gebruikelijke sociaaleconomische gradiënt werd niet waargenomen voor gezondheidsbevorderende fysieke activiteit. Enkel bij mannen met een secondaire opleiding, is het percentage mannen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefenen iets hoger, maar dit verschil is niet significant.

Het percentage vrouwen dat een gezondheidsbevorderende fysieke activiteit beoefent ligt voor alle opleidingsniveaus rond de 18%.

Percentage van de bevolking (18-64 jaar) met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, volgens geslacht en opleidingsniveau, 2013, België
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van de Gezondheidsenquête, Sciensano, 2013 [3]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

Metabolic Equivalent of Task (MET)
Het “metabolisch equivalent of task” (MET) wordt algemeen gebruikt als maatstaf voor de intensiteit van fysieke activiteit. Het MET is de verhouding van het actief metabolisme van een persoon tot zijn metabolisme in rust. Het is de hoeveelheid energie verbruikt in functie van het soort sport en de snelheid waarmee deze sport beoefend wordt. De MET-minuten worden bekomen door de MET-waarde te vermenigvuldigen met het aantal minuten gedurende de welke de activiteit wordt beoefend.
Percentage van de bevolking tenminste minimaal fysieke actief
Volgens de IPAQ-grenswaarde is de bevolking die minimaal fysiek actief is het deel van de bevolking dat aan één van volgende criteria voldoet:
• 3 dagen of meer intensieve activiteit gedurende minstens 20 minuten per dag, OF
• 5 dagen of meer matige training of wandelen gedurende minstens 30 minuten per dag, OF
• 5 dagen of meer een combinatie van wandelen, matig intensieve of intensieve activiteit waarbij een minimum van minstens 600 MET-min/week aan fysieke activiteit bereikt wordt..
Percentage van de bevolking met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit
Volgens de IPAQ-grenswaarde is het percentage van de bevolking met gezondheidsbevorderende fysieke activiteit, het percentage van de bevolking dat aan één van volgende twee criteria voldoet:
• Intensieve activiteit gedurende minstens drie dagen met een totaal van minimum 1500 MET-minuten/week, OF
• 7 dagen per week een combinatie van wandelen, matig intensieve activiteit of intensieve activiteit met een totaal van minstens 3000 MET-minuten/week.

Referenties

  1. International Physical Activity Questionnaire. www.ipaq.ki.se
  2. Vlaams Instituut voor Gezond Leven. https://www.gezondleven.be/projecten/10-000-stappen
  3. Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2013. https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/PA_NL_2013.pdf
  4. Metabolic Equivalent of Task (MET). http://www.who.int/dietphysicalactivity/physical_activity_intensity/en/
  5. IPAQ threshold. https://sites.google.com/site/theipaq/scoring-protocol

Voeding

1. Kernboodschappen

Het Belgisch voedingspatroon wordt gekenmerkt door een excessieve consumptie van rood vlees, bereid vlees en gesuikerde dranken, en door een onvoldoende consumptie van fruit, groenten, noten en zaden, melk, eieren en vis. Het voedingspatroon is slechts weinig veranderd in de tijd.
In 2014 bedroeg de gemiddelde gebruikelijke inname van fruit en groenten 255 gram/dag. Slechts 14% van de populatie voldeed aan de WHO-aanbevelingen van 400 gram/dag. De consumptie van fruit en groenten is de laatste jaren licht toegenomen. Het is hoger bij vrouwen en neemt toe met het opleidingsniveau.
In 2014 consumeerde 97% van de Belgische bevolking gesuikerde dranken. De gemiddelde gebruikelijke inname is 151 ml/dag. De consumptie is het hoogst bij adolescenten en hoger bij mannen dan bij vrouwen. In 2014 nam de consumptie af in vergelijking met 2004. De consumptie neemt toe met afnemend opleidingsniveau.
In België bedraagt de consumptie van ultra-bewerkt voedsel 30% van de totale geconsumeerde energie. Deze proportie is het hoogst bij kinderen (33% van de totale geconsumeerde energie). De consumptie van ultra-bewerkt voedsel verschilt niet tussen mannen en vrouwen. Er werd ook geen significant verschil waargenomen in de consumptie van ultra-bewerkt voedsel in 2014 vergeleken met 2004. De consumptie van ultra-bewerkt voedsel is hoger in Wallonië dan in Vlaanderen. Er worden geen verschil waargenomen tussen de opleidingsniveaus.

2. Achtergrond

De kwaliteit van het voedingspatroon is een belangrijke factor voor de gezondheid en ziektelast. Een gezond voedingspatroon helpt niet-overdraagbare ziekten zoals diabetes, kanker, hartziekten en beroerte te voorkomen [1]. Aanbevelingen zijn vastgesteld op internationale [2] en nationale [3-4] niveaus.

In België zijn voedingsconsumptiegegevens beschikbaar uit twee nationale voedselconsumptiepeilingen uitgevoerd in 2004 en 2014 [5-7]. In dit rapport wordt de focus gelegd op:

  1. De consumptiepatronen van 9 voedingsgroepen die vergeleken worden met internationale aanbevelingen [2].
  2. Een meer gedetailleerde analyse van 3 indicatoren voor de kwaliteit van het voedingspatroon, namelijk de consumptie van fruit en groenten, van gesuikerde dranken, en van ultra-bewerkt voedsel.

Fruit en groenten zijn voedingsmiddelen met een lage energie-inhoud en zijn belangrijke bronnen van voedingsvezels, vitaminen en mineralen. Een hoge consumptie van fruit en groenten is geassocieerd met een afname van het risico voor coronaire hartaandoeningen, beroerte en obesitas [8]. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beveelt aan om dagelijks 400 gram groenten en fruit te consumeren [9].

Daarentegen wordt te hoge inname van toegevoegde suikers, en meer specifiek gesuikerde dranken, geassocieerd met slechte voedingsgewoonten, een ongezonde gewichtstoename, en het risico voor tandcariës en andere niet-overdraagbare ziekten [1;8]. De WHO beveelt aan om de consumptie van toegevoegde suikers te beperken tot 10% van de totaal geconsumeerde energie en dit voor alle leeftijden [10]. Rekening houdende met deze aanbeveling zou de consumptie van gesuikerde dranken vermeden moeten worden.

Ultra-bewerkte voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen die samengesteld worden op basis van industriële ingrediënten en weinig intacte voedingsmiddelen bevatten. Deze voedingsmiddelen worden vaak geassocieerd met een minder goede voedingskwaliteit. Ze worden geassocieerd met een hogere incidentie van dyslipidemie en een hoger risico voor overgewicht, obesitas en hypertensie. De consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen dient dus, in de mate van het mogelijke, vermeden te worden [11;12]. Voor de analyses die hier werden uitgevoerd, werden de voedingsmiddelen geclassificeerd volgens de NOVA-classificatie die gebaseerd is op de mate en het doel van industriële bewerking. De resultaten worden voorgesteld als de proportie van de totale geconsumeerde hoeveelheid energie [13].

3. Algemeen consumptiepatroon

Het Belgische voedingspatroon wordt gekarakteriseerd door een excessieve consumptie van rood vlees, bewerkt vlees en gesuikerde dranken en door een onvoldoende consumptie van fruit, groenten, noten en zaden, melk, eieren en vis. Algemeen is het voedingspatroon tussen 2004 en 2014 slechts weinig verbeterd. Voor de consumptie van rood vlees werd echter een verbetering vastgesteld, met een daling van het aandeel van de overmatige consumptie van 59% tot 36%.

Proportie van de populatie met consumptieniveau boven en onder de nationale en internationale aanbevelingen, volgens voedingsgroep en volgens jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]
hsr nl nutrition overview

4. Consumptie van fruit en groenten

België

In 2014 bedroeg de gebruikelijke inname van groenten en fruit 255 gram per dag. Slechts 14% van de bevolking voldeed aan de WHO-richtlijnen van 400 gram per dag.

De consumptie van fruit en groenten was vergelijkbaar bij kinderen en adolescenten (respectievelijk 206 gram/dag en 210 gram/dag). Bij volwassenen was de consumptie 269 gram/dag. Tijdens de kindertijd en adolescentie werd tussen jongens en meisjes geen verschil waargenomen in groente- en fruitconsumptie. Bij volwassenen (18-64 jaar) werd vastgesteld dat mannen  minder groenten en fruit consumeren dan vrouwen (258 gram/dag tegenover 284 gram/dag).

Gemiddelde gebruikelijke inname van fruit en groenten (in gram per dag) bij de populatie (3-64 jaar), volgens leeftijdsgroep en geslacht, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Trends

De gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit is tussen 2004 en 2014 licht gestegen van 243 gram/dag tot 269 gram/dag. De toename in de tijd was bij adolescenten en volwassenen vergelijkbaar. Het aandeel van de bevolking dat aan de aanbevelingen voldoet, steeg van 7,5% naar 16%. De consumptiegegevens van kinderen (3-14 jaar) konden niet vergeleken worden met die van 2004 omdat de voedselconsumptiepeiling van 2004 geen gegevens van kinderen bevat.

Gemiddelde gebruikelijke inname van fruit en groenten (gram/dag) in de populatie van 15-64 jaar, volgens leeftijdsgroep en jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]

Regionale verschillen

In alle leeftijdsgroepen was de gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit hoger in Vlaanderen dan in Wallonië (275 gram/dag tegenover 212 gram/dag). In totaal voldeed 16% van de Vlamingen aan de aanbevelingen voor de consumptie van groenten en fruit, tegenover 8% in Wallonië.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) in de bevolking van 3-64 jaar, per leeftijdsgroep en per regio van residentie, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Verschillen volgens opleidingsniveau

De consumptie van groenten en fruit nam toe met het opleidingsniveau met een gemiddelde gebruikelijke inname van 211 gram/dag voor personen met het laagste opleidingsniveau en gemiddeld 300 gram/dag voor personen met het hoogste opleidingsniveau. Slechts 6% van de laagopgeleide bevolking voldoet aan de aanbevelingen voor de consumptie van groenten en fruit, vergeleken met 22% van de hoger opgeleide bevolking.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij de bevolking van 3-64 jaar, volgens opleidingsniveau, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Internationale vergelijking

In alle leeftijdsgroepen lag de gemiddelde groente- en fruitconsumptie in België onder het EU-15-gemiddelde. Het verschil met het EU-15-gemiddelde was echter kleiner bij kinderen van 3-9 jaar (206 gram/dag versus 210 gram/dag) dan bij adolescenten (210 gram/dag versus 226 gram/dag) en volwassenen 269 gram/dag versus 307 gram/dag).

  • Kinderen
  • Adolescenten
  • Volwassenen

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij kinderen (3-9 jaar), EU-15, laatste voedselconsumptiepeilingen
Bron: EFSA Comprehensive Food Consumption Database [14]; gegevens voor Luxemburg en Ierland ontbreken. Gebruikelijke inname van groenten en fruit werd berekend als de som van de gebruikelijke innames van groenten en fruit afzonderlijk.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij adolescenten (10-17 jaar), EU-15, laatste voedselconsumptiepeilingen
Bron: EFSA Comprehensive Food Consumption Database [14]; gegevens voor Griekenland, Luxemburg en Ierland ontbreken. Gebruikelijke inname van groenten en fruit werd berekend als de som van de gebruikelijke innames van groenten en fruit afzonderlijk.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij volwassenen (18-64 jaar), EU-15, laatste voedselconsumptiepeilingen
Bron: EFSA Comprehensive Food Consumption Database [14]; gegevens voor Luxemburg en Griekenland ontbreken. Gebruikelijke inname van groenten en fruit werd berekend als de som van de gebruikelijke innames van groenten en fruit afzonderlijk.

5. Consumptie van gesuikerde dranken

België

In 2014 bedroeg de gebruikelijke inname van suikerhoudende dranken 151 ml/dag, en consumeerde 97% van de bevolking suikerhoudende dranken. De consumptie was het hoogst bij adolescenten (220 ml/dag); het was ook hoger bij mannen dan bij vrouwen (respectievelijk 196 ml/dag en 112 ml/dag).

Gemiddelde gebruikelijke inname van gesuikerde dranken (in ml per dag) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en geslacht, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Trends

De consumptie van gesuikerde dranken daalde in de periode van 2004 tot 2014 van 387 ml/dag tot 298 ml/dag bij adolescenten (15-17 jaar) en van 250 ml/dag tot 211 ml/dag bij jonge volwassenen (18-39 jaar). Bij de oudere volwassen bevolking (40-64 jaar) veranderde de consumptie niet tussen 2004 en 2014 (89 ml/dag). De consumptiegegevens van kinderen (3-14 jaar) konden niet vergeleken worden met die van 2004 omdat de voedselconsumptiepeiling van 2004 geen gegevens van kinderen bevat.

Gemiddelde gebruikelijke inname van gesuikerde dranken (in ml per dag) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]

Regionale verschillen

De consumptie van suikerhoudende dranken was in Vlaanderen (167 ml/dag) iets hoger dan in Wallonië (148 ml/dag), maar het verschil was niet significant.

Gemiddelde gebruikelijke inname van gesuikerde dranken (in ml per dag) in de populatie van 3-64 jaar, volgens leeftijd en regio, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Voor de consumptie van suikerhoudende dranken werd een sociaaleconomische gradiënt waargenomen: de consumptie van suikerhoudende dranken daalt van 227 ml bij mensen met het laagste opleidingsniveau naar 89 ml/dag bij mensen met het hoogste opleidingsniveau. Het aandeel van de bevolking dat meer consumeert dan de maximaal aanbevolen hoeveelheid (0 ml/dag) neemt hierbij slechts licht af van 98% naar 96%.

Gemiddelde gebruikelijke inname van suikerhoudende dranken (in ml per dag) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens opleidingsniveau, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

6. Consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen

In 2014 was de bijdrage van ultra-verwerkte voedingsmiddelen (UPF) tot de totale energie-inname gelijk aan 29,9%. Dit aandeel was significant hoger bij jonge kinderen (33,3%) dan bij adolescenten (29,2%) en volwassenen (29,6%). De dagelijkse energie-inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen was niet significant verschillend voor mannen en vrouwen.

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie-inname) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en geslacht, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Trends

De dagelijkse energie-inname van UPF is in 2014 niet veranderd (29,9% van de totale energie-inname) ten opzichte van 2004 (29,8%).

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie inname) in de populatie van 15-64 jaar, volgens leeftijd en jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]

Regionale verschillen

Het aandeel van de gebruikelijke dagelijkse energie-inname van UPF was in Wallonië hoger (36,8%) dan in Vlaanderen (28,7%). Dit verschil was meer uitgesproken bij kinderen dan bij volwassenen.

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie-inname) in de bevolking van 3 tot 64 jaar, per leeftijd en regio, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Er werden geen significant verschillen waargenomen in het aandeel van ultra-bewerkte voedingsmiddelen tot de totale energie-inname van de verschillende onderwijsniveaus.

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie-inname) in de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en opleidingsniveau, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

7. Meer informatie

Bekijk de metadata van deze indicator

VCP: Belgische voedselconsumptiepeiling

Definities

Gebruikelijke inname
De gebruikelijke inname is de gemiddelde inname over een lange termijn.
NOVA-classificatie
NOVA is een instrument voor de classificatie van voedingsmiddelen op basis van de graad van voedselbewerking en het doel van de bewerking. De levensmiddelen worden hierbij onderverdeeld in vier verschillende voedingsgroepen, namelijk “ultra-bewerkt”, “bewerkt”, “onbewerkt of minimaal bewerkt” of “bewerkt culinair ingrediënt”.
Ultra-bewerkte voedingsmiddelen
Ultra-bewerkte voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen die samengesteld zijn uit industriële ingrediënten en bevatten weinig of geen intacte voedingsmiddelen. Ultra-bewerkte voedingsmiddelen worden vaak gekenmerkt door een mindere kwaliteit en worden in verband gebracht met een hogere incidentie van dyslipidemie en een hoger risico op overgewicht, obesitas en hypertensie. De consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen moet worden vermeden.

Referenties

  1. Amine EK, Baba NH, Belhadj M, Deurenberg-Yap M, Djazayery A, Forrestre T, et al. Diet, nutrition and the prevention of chronic diseases. World Health Organization technical report series 2003;(916).
  2. GBD 2016 Risk Factors Collaborators. Global, regional, and national comparative risk assessment of 84 behavioural, environmental and occupational, and metabolic risks or clusters of risks, 1990-2016: a systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2016. Lancet. 2017;390(10100):1345-1422.
  3. Vanhauwaert E. De actieve voedingsdriehoek: een praktische voedings- en beweeggids. Brussel; 2012.
  4. Lebacq T, Oost C. Recommandations alimentaires. In: Tafforeau J, editor. Enquête de consommation alimentaire 2014-2015. 2016.
  5. De Ridder K, Bel S, Brocatus L, Lebacq T, Ost C, et al. (2016) La consommation alimentaire : résumé des résultats. In: Tafforeau J, editors. Enquête de consommation alimentaire 2014-2015. Bruxelles: WIV-ISP. 
  6. Debacker N, Cox B, Temme L, Huybrechts I, Van Oyen H. De Belgische voedselconsumptiepeiling 2004: voedingsgewoonten van de Belgische bevolking ouder dan 15 jaar. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid; 2007
  7.  Sciensano (2019) Website of the Belgian National Food Consumption survey 2014. https://fcs.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx.
  8. EFSA Panel on Dietetic Products. Scientific opinion on establishing food-based dietary guidelines. EFSA Journal 2010;8(3):1460.
  9. World Health Organization. Diet, nutrition, and the prevention of chronic diseases. Report of a WHO Study Group. Diet, nutrition, and the prevention of chronic diseases Report of a WHO Study Group 1990;(797).
  10. World Health Organization. Guideline: sugars intake for adults and children. World Health Organization; 2015.
  11. Vandevijvere S, De Ridder K, Fiolet T, Bel S, Tafforeau J (2018) Consumption of ultra-processed food products and diet quality among children, adolescents and adults in Belgium. European Journal of Nutrition 1-12.
  12. Fiolet T, Srour B, Sellem L, Kesse-Guyot E, Allès B, Méjean C, et al. Consumption of ultra-processed foods and cancer risk: results from NutriNet-Santé prospective cohort. BMJ 2018;360:k322.
  13. Monteiro CA, Cannon G, Levy R, Moubarac JC, Jaime P, Martins AP, et al. NOVA. The star shines bright. World Nutrition 2016;7(1-3):28-38.
  14. European Food Safety Authority (EFSA), Comprehensive Food Consumption Database. https://www.efsa.europa.eu/en/food-consumption/comprehensive-database

Sciensano    KCE    Inami-Riziv SPF-FOD