Andere informatie en diensten van de overheid : www.belgium.be  belgium

Laatste nieuws

Corona

11.03.2020 Uitbraak COVID-19

Na China en andere Aziatische landen, is Europa nu getroffen.

Determinants of Health

19% of the adult population is daily smoker and 14% of adults are obese.

Tabaksgebruik

1. Kernboodschappen

In 2018 rookte 15% van de Belgische bevolking dagelijks, wat lager is dan het EU-15-gemiddelde. Het aandeel dagelijkse rokers is hoger bij mannen (18%) dan bij vrouwen (12%), en hoger in Wallonië (18%) dan in Brussel (16%) en Vlaanderen (13%).
De prevalentie van dagelijks roken is tussen 1997 en 2018 met 40% afgenomen.
4,1% van de bevolking was in 2018 regelmatig gebruiker van e-sigaretten in België, hoger dan het EU-15-gemiddelde. Het gebruik ligt hoger bij mannen (5,5%) dan bij vrouwen (2,7%), en is hoger in Vlaanderen (4,4%) dan in Wallonië (3,8%) en Brussel (3,3%).
In 2018 rookten minder jongeren (15-24 jaar) dagelijks (11% versus 17% in 2013) en maakte 5,5% regelmatig gebruik van elektronische sigaretten.
De sociaaleconomische verschillen in rookgedrag zijn groot: het aandeel dagelijkse rokers en gebruikers van elektronische sigaretten is 2,4 keer kleiner bij hoger opgeleiden dan bij lager opgeleiden.

2. Achtergrond

Roken is een van de belangrijkste gezondheidsrisico’s en leidt tot een hoog aantal vermijdbare overlijdens en ziekten. Roken is de belangrijkste oorzaak van longkanker, speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van andere soorten kanker, en leidt tot een toename van het risico op hart- en vaatziekten en ademhalingsproblemen. Regelmatig rookgedrag op jonge leeftijd is moeilijker af te leren en leidt dan ook tot een langere duur van het tabaksgebruik. De vermindering van het tabaksgebruik is dan ook een belangrijke doelstelling op het vlak van volksgezondheid. De Belgische minister van volksgezondheid heeft als doel vooropgesteld het percentage dagelijkse rokers in 2018 met 17% te verminderen [1].

In dit rapport presenteren we eerst de evolutie van het rookgedrag: occasioneel, dagelijks en zwaar roken. Vervolgens leggen we de focus op het dagelijks roken, omdat deze indicator internationaal is geselecteerd als een belangrijke gezondheidsindicator (OESO, Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen).

Elektronische sigaretten werden voor het eerst ontwikkeld als middel om te stoppen met het roken van tabak. Tegenwoordig is het assortiment uitgebreid, is "vapen" een modetrend geworden en beginnen tieners met het gebruik van elektronische sigaretten voordat ze tabak roken. Het is nog te vroeg om de gezondheidseffecten op lange termijn van deze praktijk te beoordelen, maar het wordt geadviseerd dat niet-rokers niet beginnen met vapen. In de Belgische Gezondheidsenquête 2018 zijn voor het eerst verschillende vragen geïntegreerd om de prevalentie van gebruikers en hun profielen in te schatten. In dit rapport richten we ons op de indicator 'regelmatig gebruik van e-sigaret', dat wil zeggen het gebruik van een e-sigaret minimaal één keer per week.

3. Evolutie in rookgedrag

In 2018 rookte 19% van de bevolking. Hiervan waren 15% dagelijkse rokers (inclusief 4,7% zware rokers, d.w.z. meer dan 20 sigaretten per dag) en 4% occasionele rokers. De tijdstrend is geruststellend met een afname van 40% van het aantal dagelijkse rokers tussen 1997 en 2018. Een steeds kleiner deel van de rokers zijn zware rokers: in 2018 nog maar 4,7% van de Belgische bevolking (-52% in vergelijking met 1997).

Type rokers in de populatie 15 jaar en ouder, België, 1997-2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

4. Dagelijkse rokers

België

In 2018 rookten meer mannen (18%) dan vrouwen (12%) dagelijks. De prevalentie van dagelijkse roken bij mannen van 25 tot 64 jaar bedraagt meer dan 20%, en is bijgevolg nog steeds zorgwekkend. Bij vrouwen neemt de prevalentie toe met de leeftijd, tot een piek van 17% voor vrouwen tussen de 55 en 64 jaar. Tussen de leeftijd van 15 en 44 jaar roken twee keer zoveel mannen als vrouwen. Tussen de leeftijd van 45 en 64 jaar roken minder mannen en meer vrouwen in vergelijking met de voorgaande leeftijden. Op oudere leeftijd is het aandeel dagelijkse rokers lager, met vergelijkbare percentages bij beide geslachten. Dit kan voor een deel te wijten zijn aan een gezondheidsselectie-effect, bijvoorbeeld omdat niet-rokers langer leven.

Prevalentie dagelijks roken bij de bevolking van 15 jaar en ouder, volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Regionale bijzonderheden

De prevalentie van dagelijks roken is hoger in Wallonië (18%) dan in Brussel (16%) en in Vlaanderen (13%).

Trends

Sinds 1997 werd een relatieve afname van 38% bij mannen en 32% bij vrouwen waargenomen in de prevalentie van dagelijks roken in België. Bij jongeren (15-24) werd in 2018 een belangrijke afname van dagelijkse rokers (-35%) waargenomen ten opzichte van 2013. Bij vrouwen werd in 2013 aanvankelijk een stijging waargenomen, waardoor in 2013 meer jonge vrouwen rookten dan mannen; in 2018 keerde deze trend echter om met een belangrijke daling (-59%) in de prevalentie van dagelijks roken.

Prevalentie dagelijks roken bij de bevolking van 15-24 jaar volgens geslacht, België, 1997-2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

De prevalentie van dagelijks roken is sinds 1997 in alle gewesten en bij beide geslachten afgenomen; de daling was het grootst bij mannen in Vlaanderen en bij vrouwen in Brussel.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie dagelijks roken bij mannen van 15 jaar en ouder volgens gewest, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Prevalentie dagelijks roken bij vrouwen van 15 jaar en ouder volgens gewest, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Sociaaleconomische verschillen

Na correctie voor leeftijd hadden mensen met een lager middelbaar scholingsniveau de hoogste prevalentie van dagelijks roken, en hadden ze 3,1 keer meer kans om dagelijkse roker te zijn dan mensen met de hoogste opleiding. Mensen met het laagste scholingsniveau hadden 2,3 keer meer kans om dagelijkse roker te zijn dan mensen met het hoogste opleidingsniveau.

Het aandeel dagelijkse rokers is in bijna alle opleidingsniveaus gedaald, behalve het lager middelbaar scholingsniveau. Uit opeenvolgende cross-sectionele bevragingen kan echter niet afgeleid worden of deze trends te wijten zijn aan effectieve veranderingen in rookgewoonten, dan wel aan een selectie-effect van niet-rokende mensen die langer leven.

Prevalentie dagelijks roken volgens opleidingsniveau, België, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Internationale vergelijking

Het aandeel dagelijkse rokers in België lag in 2018 lager dan het EU-15 gemiddelde.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie dagelijks roken bij mannen, volgens land (EU-15), 2018 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: OESO Gezondheidsgegevens [3]

Prevalentie dagelijks roken bij vrouwen, volgens land (EU-15), 2018 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: OESO Gezondheidsgegevens [3]

5. Regelmatig gebruik van de e-sigaret

België

In 2018 was de prevalentie van regelmatig gebruik van e-sigaretten in België (4,1%) hoger bij mannen (5,5%) dan bij vrouwen (2,7%). Het is het hoogst bij jonge mannen (15-34 jaar) en het laagst bij mensen ouder dan 65 jaar.

Prevalentie van regelmatig (minimaal 1x / week) gebruik van e-sigaretten onder de bevolking van 15 jaar en ouder, volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Regionale verschillen

De prevalentie van regelmatig gebruik van e-sigaretten was hoger bij mannen in Vlaanderen (5,9%) en in Wallonië (5,5%) dan in Brussel (3,5%). Het was hoger bij vrouwen in Vlaanderen (3,0%) en Brussel (2,9%) dan in Wallonië (2,2%).

Prevalentie van regelmatig (minstens 1x / week) gebruik van e-sigaretten bij de bevolking van 15 jaar en ouder volgens geslacht en gewest, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Sociaaleconomische verschillen

Mensen met een middelbaar scholingsniveau (hoger of lager) hebben 2,4 keer meer kans om regelmatig e-sigaretten te gebruiken dan mensen met een hoger opleidingsniveau.

Prevalentie van regelmatig (minstens 1x / week) gebruik van e-sigaretten bij de bevolking van 15 jaar en ouder volgens opleidingsniveau, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Internationale vergelijking

De Eurobarometer 458 is de enige bron van vergelijkbare informatie over het gebruik van elektronische sigaretten op Europees niveau. Vanwege de beperkte steekproef moeten vergelijkingen echter met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. In 2017 had België een groter aandeel gebruikers dan het EU-15-gemiddelde.

Prevalentie van regelmatig (minstens 1x / week) gebruik van e-sigaretten bij de bevolking van 15 jaar en ouder volgens land (EU-15), 2017
Bron: Eurobarometer 458 [3]

6. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

Elektronische sigaret (e-sigaret)
Een elektronische sigaret (e-sigaret), of soortgelijke apparaten zoals e-pipe / e-cigar / e-chicha, zijn kleine elektronische apparaten die het roken kunnen simuleren, maar geen tabak verbranden en in plaats daarvan damp uit vloeistoffen produceren. Ze kunnen al dan niet nicotine bevatten. Een vergelijkbare definitie werd gebruikt in de Gezondheidsenquête 2018 en in de Eurobarometer 458.
EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Huidige rokers
Huidige rokers zijn rokers die momenteel roken; deze omvatten zowel de dagelijkse rokers als de occasionele rokers.
Prevalentie dagelijkse rokers
De prevalentie dagelijkse rokers is het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat dagelijks rookt.
Voor leeftijd gestandaardiseerde prevalentie
Aangezien rookgedrag sterk wordt beïnvloed door leeftijd, moeten vergelijkingen tussen gewesten en opleidingsniveaus worden gestandaardiseerd naar leeftijd om een vergelijkbare leeftijdsstructuur te hebben.
Zware rokers
Zware rokers zijn mensen die meer dan 20 sigaretten per dag roken.

Referenties

  1. Anti-rook beleidsplan, Belgische Federale Minister van Gezondheid, 2016. http://www.maggiedeblock.be/2016/04/09/anti-rook-beleidsplan-met-rookverbod-in-wagen-met-kinderen-en-accijnsverhoging/
  2. Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2018. https://his.wiv-isp.be/SitePages/Reports.aspx
  3. OESO Gezondheidsgegevens, 2018 of dichtstbijzijnde jaar. http://stats.oecd.org/
  4. Eurobarometer 458: Attitudes of Europeans towards tobacco and electronic cigarettes, 2017. https://data.europa.eu/euodp/en/data/dataset/S2146_87_1_458_ENG

Alcoholgebruik

1. Kernboodschappen

Europese landen hebben het hoogste alcoholgebruik ter wereld. Het gemiddelde verbruik van pure alcohol in België is 12 liter per persoon per jaar, wat boven het gemiddelde Europese verbruik ligt. Daarmee is België een van de landen met een hoge ziektelast door alcohol.

In 2018 had 7,4% van de mannen en 4,3% van de vrouwen (15 jaar en ouder) een overmatig alcoholgebruik (gedefinieerd als meer dan 21 of meer dan 14 glazen per week voor respectievelijk mannen en vrouwen). Deze prevalentie is in de loop van de tijd afgenomen.

Ongeveer een op de tien jongeren in de leeftijdsgroep van 15-24 jaar rapporteerde een wekelijkse episode van hyperalcoholisatie (consumptie van ten minste 6 glazen alcohol bij een enkele gelegenheid). Ook voldeed een op de tien jongeren aan de criteria voor "problematisch alcoholgebruik" (zoals gedefinieerd door het CAGE-instrument) in de afgelopen 12 maanden.

2. Achtergrond

Overmatig alcoholgebruik is verantwoordelijk voor heel wat gezondheidsproblemen: het wordt geassocieerd met gedragsproblemen, levercirrose, kanker, hart- en vaatziekten en verwondingen, en is een van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte. Het alcoholverbruik ligt in de Europese landen ver boven het wereldwijde gemiddelde. Het verminderen van overmatig alcoholgebruik door middel van passende strategieën is dan ook een prioriteit op vlak van volksgezondheid.

Op internationaal niveau zijn schattingen van alcoholconsumptie vaak gebaseerd op verkoopgegevens. Deze data zijn geschikt voor het weergeven van langetermijntrends, maar laten niet toe om overmatig drinkgedrag vast te stellen. De gegevens van enquêtes zijn beter geschikt om overmatige alcoholconsumptie te beschrijven, hoewel zelfgerapporteerde gegevens onderhevig zijn aan onderrapportering en vertekening door rapportering van wat sociaal wenselijk wordt geacht.

In dit rapport beschrijven we drie indicatoren van overmatig alcoholgebruik gebaseerd op enquêtes en één indicator gebaseerd op verkoopdata:

  1. Overmatig alcoholgebruik: wekelijks verbruik van meer dan 21 consumpties bij mannen en 14 consumpties bij vrouwen met een equivalent van 10 g pure alcohol (ethanol) per consumptie;
  2. Wekelijkse hyperalcoholisatie (of "binge drinking"): consumptie van zes of meer glazen alcohol bij eenzelfde gelegenheid en dit minstens één keer per week;
  3. Problematisch alcoholgebruik in het afgelopen jaar: mensen die de afgelopen 12 maanden problematisch drinkgedrag ervaren hebben, zoals gedefinieerd door het CAGE-instrument;
  4. Gemiddelde alcoholconsumptie per persoon: schattingen gemaakt door de Wereldgezondheidsorganisatie, hier gebruikt voor international vergelijkingen.

3. Overmatig alcoholgebruik

Toestand in 2018

België

In 2018 rapporteerde 5,9% van de bevolking van 15 jaar en ouder een overmatig alcoholgebruik (meer dan 21 en 14 glazen per week bij mannen en vrouwen). Twee keer zoveel mannen als vrouwen worden beschouwd als excessieve drinkers. Aangezien de drempel voor het definiëren van overmatig alcoholgebruik bij vrouwen lager is dan bij mannen, duiden die resultaten op een veel lager verbruik bij vrouwen.

De hoogste prevalentie wordt waargenomen in de leeftijdsgroep 55-64 jaar en de laagste in de leeftijdsgroep 75+.

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik in de bevolking van 15 jaar en ouder volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [1]
Regionale verschillen

In 2018 werd de hoogste prevalentie van overmatig alcoholgebruik waargenomen in Brussel, zowel voor mannen als voor vrouwen, terwijl de prevalentie lager was in Vlaanderen.

Trends

Op Belgisch niveau blijft de prevalentie van overmatig alcoholgebruik dalen. Tussen 2013 en 2018 werd een daling van 12% bij mannen en 8% bij vrouwen waargenomen.

Regionale verschillen

Bij mannen was tussen 2004 en 2013 de prevalentie van overmatig alcoholgebruik het hoogst in Wallonië en het laagst in Brussel. Sinds 2004 werd in Vlaanderen en Wallonië een continue daling van de prevalentie bij mannen waargenomen, terwijl in Brussel de daling in 2008 stopte, om vervolgens aanzienlijk te stijgen tussen 2013 en 2018. Als gevolg hiervan had Brussel in 2018 de hoogste prevalentie van alle gewesten.

Bij vrouwen was de prevalentie het hoogst in Brussel gedurende de gehele periode van observatie. In Vlaanderen werd vanaf 2001 een lichte daling waargenomen, zonder duidelijke trends in de andere gewesten.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij mannen 15 jaar en ouder volgens gewest, België, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik bij vrouwen 15 jaar en ouder volgens gewest, België, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

Sociaaleconomische verschillen

Er is geen duidelijke sociaal-economische gradiënt in de prevalentie van overmatig alcoholgebruik.

Prevalentie van overmatig alcoholgebruik in de bevolking van 15 jaar en ouder volgens opleidingsniveau, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

4. Hyperalcoholisatie

Toestand in 2018

België

De prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie was 7,6% in België in 2018. Het kwam veel vaker voor bij mannen (11,5%) dan bij vrouwen (3,9%). De leeftijdsgroep 15-24 had de hoogste prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie (10,4%), gevolgd door de 55-64-jarigen (9,2%) en de 25-34-jarigen (9%).

Prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie in de bevolking van 15 jaar en ouder volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [1]
Regionale verschillen

In 2018 werd een iets hoger percentage wekelijkse hyperalcoholisatie waargenomen voor mannen in Vlaanderen, en voor vrouwen in Brussel, maar die verschillen waren niet statistisch significant.

Trends

Op Belgisch niveau daalde tussen 2013 en 2018 de leeftijdsgestandaardiseerde prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bij mannen (-18%), maar bleef ze stabiel bij vrouwen.

Regionale verschillen

Bij mannen was de prevalentie wekelijkse hyperalcoholisatie in 2008 nog significant hoger in in Vlaanderen, maar het verschil tussen gewesten is ondertussen kleiner geworden en niet meer significant. Tussen 2013 en 2018 wordt in alle drie de gewesten een dalende trend waargenomen.

Bij vrouwen zijn in Vlaanderen en Wallonië de prevalenties stabiel gebleven rond de 4%. Brussel kent daarentegen wel een daling, maar blijft nog steeds het gewest met de hoogste prevalentie.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bij mannen 15 jaar en ouder volgens gewest, België, 2008-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

Prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bij vrouwen 15 jaar en ouder volgens gewest, België, 2008-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

Sociaaleconomische verschillen

Er is geen duidelijke sociaaleconomische gradiënt in de prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie.

Prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie in de bevolking van 15 jaar en ouder volgens opleidingsniveau, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

Internationale vergelijking

De prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie is hoger in België dan het EU-15-gemiddelde (voor de 13 landen met beschikbare gegevens), zowel voor mannen (13 versus 10%) als voor vrouwen (3,8 versus 3,1%).

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bij mannen 15 jaar en ouder volgens land van residentie, Europa, 2014
Bron: Eurostat [2]

Prevalentie van wekelijkse hyperalcoholisatie bij vrouwen 15 jaar en ouder volgens land van residentie, Europa, 2014
Bron: Eurostat [2]

5. Problematisch alcoholgebruik

België

Problematisch alcoholgebruik wordt gedefinieerd op basis van antwoorden op een specifieke vragenlijst van vier items (CAGE) en is voorspellend voor alcoholafhankelijkheid. De prevalentie van problematisch alcoholgebruik in de afgelopen 12 maanden was 7% in België in 2018. Het was hoger bij mannen (9,5%) dan bij vrouwen (4,7%). De prevalentie van problematisch alcoholgebruik was het hoogst in de jongste leeftijdsgroep (9,8%), gevolgd door de leeftijdsgroep 25-44 en 45-54 (8,8%). De prevalentie was vergelijkbaar bij mannen en vrouwen in de leeftijdsgroep van 55-64 jaar.

Prevalentie van problematisch alcoholgebruik in de afgelopen 12 maanden in de bevolking van 15 jaar en ouder volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

Regionale verschillen

De prevalentie van problematisch alcoholgebruik in de afgelopen 12 maanden was het hoogst in Wallonië voor mannen en in Brussel voor vrouwen.

Prevalentie van problematisch alcoholgebruik in de afgelopen 12 maanden in de bevolking van 15 jaar en ouder volgens gewest en geslacht, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [1]

6. Totaal alcoholverbruik per persoon

Volgens schattingen van de WHO voor 2016 was het totale alcoholverbruik in België 12,1 liter pure alcohol per persoon (15+), wat hoger was dan het EU-15-gemiddelde (11,1 liter). De Europese regio van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft het hoogste niveau (9,7 l) van alcoholgebruik ter wereld (6,2 l).

Totaal alcoholverbruik (gemeten en niet-gemeten verbruik) per persoon (in liter pure alcohol) in de bevolking van 15 jaar en ouder, volgens land van residentie, Europa, 2016
Bron: GISAH [3]
Totaal alcoholverbruik (gemeten en niet-gemeten verbruik) per persoon (in liter pure alcohol) in de bevolking van 15 jaar en ouder, volgens wereldregio, Europa, 2016
Bron: GISAH [3]

7. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Definities

CAGE-instrument
Het CAGE-instrument is een veelgebruikte screeningtest voor probleemdrinken en mogelijke alcoholproblemen. De vragenlijst bevat vier 'ja-nee'-vragen en twee positieve antwoorden worden beschouwd als een waarschuwingssignaal voor mogelijk problematisch alcoholgebruik:
1. Heb je ooit de behoefte gevoeld om minder te drinken?
2. Ben je ooit bekritiseerd geweest over je drinken?
3. Heb je je ooit schuldig gevoeld over drinken?
4. Heb je ooit de behoefte gevoeld om 's ochtends vroeg een drankje te nemen ("eye-opener") om je zenuwen te kalmeren of om een kater kwijt te raken?
EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Overmatig alcoholgebruik
Overmatig alcoholgebruik, of overconsumptie van alcohol, wordt gedefinieerd als een consumptie van pure alcohol van meer dan 30 g voor mannen en 20 g voor vrouwen per dag; dit komt overeen met respectievelijk 21 en 14 standaardeenheden (van 10 g puur alcoholgehalte) per week.
Problematisch alcoholgebruik
Problematisch alcoholgebruik wordt gedefinieerd als 2 positieve antwoorden op de 4 vragen van het CAGE-instrument en is voorspellend voor alcoholafhankelijkheid.
Totaal alcoholverbruik per persoon
Het totale alcoholverbruik per persoon is het gerapporteerde driejaarlijks gemiddelde en het niet-gerapporteerde alcoholverbruik van de bevolking (15 jaar en ouder), uitgedrukt in liters pure alcohol per jaar. Het gerapporteerde alcoholverbruik verwijst naar officiële statistieken (productie, import, export en verkoop of taxatiegegevens). Het niet-gerapporteerde alcoholverbruik verwijst naar alcohol die niet getaxeerd is en buiten het gebruikelijk systeem van overheidscontrole valt; dit kan echter wel ingeschat worden aan de hand van specifieke enquêtevragen. https://www.who.int/data/gho/indicator-metadata-registry/imr-details/465
Wekelijkse hyperalcoholisatie
Wekelijkse hyperalcoholisatie wordt gedefinieerd als consumptie van ten minste 6 standaardeenheden (van 10 g puur alcoholgehalte) bij dezelfde gelegenheid, ten minste eenmaal per week. Dit wordt ook vaak “binge drinking” genoemd.

Referenties

  1. Gezondheidsenquête, Sciensano, 1997-2018. https://hisia.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx
  2. Eurostat. http://ec.europa.eu/eurostat/fr/data/database
  3. Wereldgezondheidsorganisatie, GISAH, 2016. http://apps.who.int/gho/data/node.gisah.A1036?lang=en&showonly=GISAH

Gewichtstoestand

1. Kernboodschappen

  • Overgewicht en obesitas zijn belangrijke problemen in België, zoals in de meeste geïndustrialiseerde landen.
  • In 2018 had bijna de helft (49%) van de volwassen bevolking van 18 jaar en ouder overgewicht (BMI ≥ 25) en was 16% zwaarlijvig (BMI ≥ 30) op basis van zelfgerapporteerde lengte en gewicht uit de Belgische gezondheidsenquête.
  • Objectieve metingen van lengte en gewicht (uit het Belgische gezondheidsonderzoek) laten zelfs nog hogere cijfers zien: maar liefst 55% van de volwassen bevolking lijdt aan overgewicht en 21% aan obesitas.
  • De prevalenties van overgewicht en obesitas zijn hoger in Wallonië dan in de andere gewesten.
  • Na een geleidelijke toename vanaf 1997, bleef de prevalentie van overgewicht tussen 2013 en 2018 stabiel bij mannen, maar nam ze lichtjes verder toe bij vrouwen. Tussen 2013 en 2018 nam de prevalentie van obesitas toe bij mannen, maar bleef ze stabiel bij vrouwen.
  • Zowel overgewicht als obesitas hangen sterk samen met de sociaaleconomische status, met een veel hogere prevalentie onder mensen met een lager opleidingsniveau.
  • In 2018 was onder adolescenten de prevalentie van overgewicht (inclusief obesitas) 15,5% bij jongens en 14,5% bij meisjes.

2. Achtergrond

Overgewicht en obesitas worden gedefinieerd als een overmatige ophoping van lichaamsvet, wat de ontwikkeling van chronische ziekten bevordert (diabetes type 2, hart- en vaatziekten, kanker). De body mass index (BMI), berekend als het gewicht gedeeld door het kwadraat van de lengte, is een eenvoudig hulpmiddel waarmee de gewichtsstatus in brede categorieën kan worden ingedeeld: ondergewicht, normaal gewicht, overgewicht en obesitas. Bij volwassenen wordt zwaarlijvigheid gedefinieerd als een BMI ≥ 30. Een persoon kampt met overgewicht als zijn BMI ≥ 25 is; deze definitie omvat dus zowel mensen zonder als met obesitas. Dezelfde term (overgewicht) wordt echter soms ook gebruikt om mensen met overgewicht aan te duiden die geen obesitas hebben (BMI tussen 25 en 29,9). Om verwarring te voorkomen, wordt in dit rapport altijd aangegeven of de overgewichtcijfers obesitas omvatten of niet. Bij kinderen en adolescenten zijn de grenswaarden van de BMI-categorieën leeftijds- en geslachtsspecifiek. Wij gebruiken de grenswaarden aanbevolen door de International Obesity Task Force (IOTF) [1].

De BMI-categorieën kunnen worden beoordeeld aan de hand van zelfgerapporteerde informatie over gewicht en lengte, zoals verzameld in de Belgische gezondheidsenquête (Health Interview Survey, HIS) [2] en de Health Behavior in School-aged Children survey (HBSC) [3,4]. Daarnaast kunnen ze ook beoordeeld worden op basis van gemeten informatie, zoals verzameld door de het Belgische gezondheidsonderzoek (Health Examination Survey, HES) [5] en de voedselconsumptiepeiling (VCP). De HES is een deelmonster van de HIS; voor 1184 deelnemers aan de HIS werd een tweede bezoek gerealiseerd door een verpleegkundige die fysieke metingen uitvoerde en biologische monsters verzamelde. Zelfgerapporteerde gegevens leiden meestal tot enige onderschatting van de werkelijke prevalentie van overgewicht / obesitas. Mensen zijn zich namelijk niet precies bewust van hun exacte lengte en gewicht en overschatten hun lengte en onderschatten hun gewicht.

We presenteren eerst resultaten voor de volwassen (18+) populatie. De zelfgerapporteerde prevalentie van overgewicht en obesitas is gebaseerd op de HIS-gegevens van 1997 tot 2018, terwijl gemeten cijfers gebaseerd zijn op de HES 2018. Resultaten voor adolescenten zijn gebaseerd op de HBSC-onderzoeken uitgevoerd in de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. We berekenden een Belgisch gemiddelde op basis van de resultaten per Gemeenschap. Voor sociaaleconomische verschillen en internationale vergelijkingen worden gegevens gebruikt uit de meest recente internationale rapporten die zijn gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie.

3. Overgewicht en obesitas bij volwassenen

Toestand in 2018

België

Volgens de HIS was in 2018 de prevalentie van overgewicht (inclusief obesitas) op basis van zelfgerapporteerde lengte en gewicht 49% en de prevalentie van obesitas 16%. Meer mannen (55%) dan vrouwen (43%) hadden overgewicht (incl. obesitas), en meer mannen (17%) waren zwaarlijvig dan vrouwen (15%) (dit laatste is echter niet significant).

Volgens de HES waren de prevalenties van zowel overgewicht (inclusief obesitas) (55%) als obesitas (21%), berekend op basis van gemeten lengte en gewicht, hoger dan die op basis van zelfgerapporteerde gegevens. Het verschil tussen zelfgerapporteerde en gemeten cijfers was groter bij vrouwen.

De gemeten prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) was hoger bij mannen (59%) dan bij vrouwen (52%), zoals ook het geval was bij de zelfgerapporteerde prevalenties. De gemeten prevalentie van obesitas was hoger bij vrouwen (23%) dan bij mannen (20%), maar dit verschil was niet statistisch significant.

Zelfgerapporteerde en gemeten prevalentie van overgewicht en obesitas in de volwassen bevolking van 18 jaar en ouder, volgens geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2] and Gezondheidsonderzoek, Sciensano [5]

De zelfgerapporteerde prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) nam toe met de leeftijd tot de leeftijdsgroep van 65-74 jaar, waar het een piek bereikte bij zowel mannen (68%) als vrouwen (56%). Het nam vervolgens af onder 75-plussers bij beide geslachten. Deze stijging begint eerder bij mannen (25-34 jaar) dan bij vrouwen (35-44 jaar).

Zelfgerapporteerde obesitas volgt hetzelfde leeftijdspatroon als overgewicht en bereikte het hoogste niveau bij 65-74-jarigen, bij zowel mannen (26%) als vrouwen (20%).

  • Mannen
  • Vrouwen

Zelfgerapporteerde prevalentie van overgewicht en obesitas bij mannen, volgens leeftijdsgroep, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Zelfgerapporteerde prevalentie van overgewicht en obesitas bij vrouwen, volgens leeftijdsgroep, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Regionale verschillen

De prevalenties van zowel overgewicht als obesitas waren hoger in Wallonië dan in de andere gewesten, en dit voor alle edities van de HIS en voor beide geslachten.

Trends

Op Belgisch niveau is de prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) gestaag gestegen als we beide geslachten samen beschouwen. Vanaf 2013 bleef de prevalentie stabiel bij mannen, maar bleef ze stijgen bij vrouwen. De prevalentie van obesitas nam ook langzaam en continu toe over alle edities van de HIS, met een sterkere toename tussen 2013 en 2018.

Regionale verschillen

Op regionaal niveau is de prevalentie van overgewicht en obesitas in Wallonië altijd hoger geweest dan in de andere gewesten. Bij mannen waren de trends van obesitas en overgewicht vergelijkbaar, en in lijn met die beschreven voor België. Bij vrouwen werd in Vlaanderen een stabilisatie van de prevalentie van overgewicht en obesitas waargenomen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Leeftijdgestandaardiseerde prevalentie van overgewicht en obesitas bij mannen van 18 jaar en ouder, volgens gewest, België, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Leeftijdgestandaardiseerde prevalentie van overgewicht en obesitas bij vrouwen van 18 jaar en ouder, volgens gewest, België, 1997-2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Sociaaleconomische verschillen

Overgewicht, en in nog sterkere mate obesitas, zijn geassocieerd met het opleidingsniveau. De laagst opgeleide groep (61%) had een prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) die 1,5 keer hoger was dan de hoogst opgeleide groep (41%). Er waren twee keer zoveel mensen met obesitas onder de laagopgeleiden (23%) vergeleken met de hoger opgeleiden (12%).

Leeftijdsgestandaardiseerde prevalentie van overgewicht en obesitas in de volwassen bevolking van 18 jaar en ouder, volgens opleidingsniveau, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Internationale vergelijking

In 2018 was de prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) onder mannen lager in België (55,3%) dan het EU-15-gemiddelde (57,6%). Vrouwen in België (43,4%) bevonden zich op hetzelfde niveau als het EU-15-gemiddelde (43,9%) in 2018.

  • Mannen
  • Vrouwen

Prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij mannen van 18 jaar en ouder, volgens land van residentie (EU-15), 2018 of dichtsbijzijnde jaar
Bron: OECD Health statistics [6]

Prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij vrouwen van 18 jaar en ouder, volgens land van residentie (EU-15), 2018 of dichtsbijzijnde jaar
Bron: OECD Health statistics [6]

4. Overgewicht en obesitas bij adolescenten

Toestand in 2018

In 2018 lag de prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij adolescenten rond de 15%, berekend als het gemiddelde tussen de resultaten van de Franse en Vlaamse HBSC 2018. De prevalentie was hoger bij jongens (15,5%) dan bij meisjes (14,5%) en nam toe met de leeftijd (de statistische significantie is onbekend). De laagste prevalentie (ongeveer 13%) werd waargenomen bij de jongere meisjes (11-14 jaar), terwijl de hoogste prevalentie (ongeveer 16%) werd waargenomen bij jongens van 15-16 jaar en meisjes van 17-18 jaar.

De prevalentie van obesitas bij adolescenten was 4,0% bij jongens en 3,6% bij meisjes en was relatief gelijkaardig in alle leeftijdsgroepen.

  • Jongens
  • Meisjes

Prevalentie van overgewicht en obesitas bij adolescente jongens, per leeftijdsgroep, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen, ongewogen gemiddelde op basis van de HBSC [3,4] (IOTF cut-off [1])

Prevalentie van overgewicht en obesitas bij adolescente meisjes, per leeftijdsgroep, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen, ongewogen gemiddelde op basis van de HBSC [3,4] (IOTF cut-off [1])

Trends en verschillen tussen Gemeenschappen

In 2018 was de prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) onder 15-jarige adolescenten iets hoger in de Franse dan in de Vlaamse Gemeenschap. Dit was vooral uitgesproken bij jongens, met een prevalentie van overgewicht van 19% in de Franse Gemeenschap tegenover 13% in de Vlaamse Gemeenschap (de statistische significantie is onbekend). De prevalentie van overgewicht onder meisjes kwam in beide gemeenschappen meer overeen.

De prevalentie van overgewicht nam tussen 2006 en 2014 toe in elke Gemeenschap en voor beide geslachten. Tussen 2014 en 2018 daalde bij jongens de prevalentie in de Vlaamse Gemeenschap, terwijl deze bleef stijgen in de Franse Gemeenschap. Bij meisjes nam de prevalentie van overgewicht in beide gemeenschappen op dezelfde manier toe.

Trends in de prevalentie van obesitas zijn op dit moment niet beschikbaar.

  • Jongens
  • Meisjes

Prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij 15-jarige adolescente jongens, per Gemeenschap, 2006-2018
Bron: HBSC [3-4,7-9] (IOTF cut-off [1])

Prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij 15-jarige adolescente meisjes, per Gemeenschap, 2006-2018
Bron: HBSC [3-4,7-9] (IOTF cut-off [1])

Sociaaleconomische verschillen

Volgens het HBSC-rapport is overgewicht (incl. obesitas) bij adolescenten geassocieerd met een lagere welvaart van het gezin. In de Vlaamse Gemeenschap hadden jongens en meisjes uit de laagste sociaaleconomische groep 1,8 meer kans op overgewicht dan jongens en meisjes uit de hoogste sociaaleconomische groep. In de Franse Gemeenschap hadden jongens en meisjes uit de laagste sociaaleconomische groep respectievelijk 2 keer en 3 keer meer kans op overgewicht dan jongens en meisjes uit de hoogste sociaaleconomische groep. De laagste en hoogste sociaaleconomische groepen werden hier gedefinieerd als de laagste en hoogste welvaartskwintielen, respectievelijk.

Leeftijdsgestandaardiseerde prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij adolescenten, volgens geslacht, gemeenschap en welvaartsstatus, België, 2018
Bron: HBSC internationaal rapport [10]

Internationale vergelijking

Op basis van de resultaten van 2014 scoort België vrij gunstig onder de EU-15-landen met een prevalentie van overgewicht van 16% vergeleken met het EU-15-gemiddelde van 18% voor jongens. De prevalentie van overgewicht is onder meisjes vergelijkbaar met het EU-15-gemiddelde (12%).

  • Jongens
  • Meisjes

Prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij 15-jarige jongens, volgens land van residentie (EU-15), 2014
Bron:  OECD Health at a glance [11]

Prevalentie van overgewicht (incl. obesitas) bij 15-jarige meisjes, volgens land van residentie (EU-15), 2014
Bron: OECD Health at a glance [11]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Health-Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey - Franse Gemeenschap

Health-Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey - Vlaamse Gemeenschap

Definities

Body Mass Index (BMI)
De body mass index (BMI) is een maat voor het gewicht van een persoon in verhouding tot zijn lengte, en is redelijk goed gerelateerd aan lichaamsvet. Het wordt berekend als het gewicht van een persoon (in kilogram) gedeeld door het kwadraat van zijn / haar lengte (in meter).
BMI-categorieën
Bij volwassenen:
• Ondergewicht: BMI lager dan 18,5.
• Normaal gewicht: BMI tussen 18,5 en 24,9.
• Overgewicht: BMI tussen 25,0 en 29,9; we verwijzen soms ook naar overgewicht inclusief obesitas, i.e., een BMI ≥ 25.
• Obesitas: BMI groter of gelijk aan 30.
Bij kinderen en adolescenten zijn de afkappunten om BMI-categorieën te definiëren leeftijds- en geslachtsafhankelijk.
EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.

Referenties

  1. International Obesity Task Force. https://www.worldobesity.org/about/about-obesity/obesity-classification
  2. Gezondheidsenquête, Sciensano, 2018.https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/NS_NL_2018.pdf
  3. HBSC Franse Gemeenschap, ULB, 2018. http://sipes.ulb.ac.be/
  4. HBSC Vlaamse Gemeenschap, UGent, 2018. http://www.jongeren-en-gezondheid.ugent.be/
  5. Gezondheidsonderzoek, Sciensano, 2018. https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/HES_NL_2018.pdf
  6. OECD Health statistics. http://stats.oecd.org/
  7. Inchley J et al. eds. Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in young people's health and well-being. Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) study: international report from the 2013/2014 survey. Copenhagen, WHO Regional Office for Europe, 2016 (Health Policy for Children and Adolescents, No. 7). http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0003/303438/HSBC-No.7-Growing-up-unequal-Full-Report.pdf?ua=1
  8. Currie C et al. eds. Social determinants of health and well-being among young people. Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) study: international report from the 2009/2010 survey. Copenhagen, WHO Regional Office for Europe, 2012 (Health Policy for Children and Adolescents, No. 6). http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0003/163857/Social-determinants-of-health-and-well-being-among-young-people.pdf?ua=1
  9. Currie C, Nic Gabhainn S, Godeau E, Roberts C, Smith R, Currie D, Pickett W, Richter M, Morgan A & Barnekow V (eds.) (2008). Inequalities in young people's health: HBSC international report from the 2005/06 Survey. Health Policy for Children and Adolescents, No. 5, WHO Regional Office for Europe, Copenhagen, Denmark. http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0005/53852/E91416.pdf?ua=1
  10. Inchley J, Currie D, Budisavljevic S, Torsheim T, Jastad A, Cosma A. Spotlight on adolescent health and well-being. Findings from the 2017/2018 Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey in Europe and Canada. International report. Volume 2. Key data [Internet]. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2020 [cited 2020 Jun 15]. Available from: https://www.euro.who.int/en/health-topics/Life-stages/child-and-adolescent-health/health-behaviour-in-school-aged-children-hbsc/publications/2020/spotlight-on-adolescent-health-and-well-being.-findings-from-the-20172018-health-behaviour-in-school-aged-children-hbsc-survey-in-europe-and-canada.-international-report.-volume-2.-key-data
  11. OECD Health at a Glance 2017. http://www.oecd.org/health/health-systems/health-at-a-glance-19991312.htm

Lichaamsbeweging

1. Kernboodschappen

Minder dan een derde (30%) van de volwassen bevolking (18 jaar en ouder) voldoet aan de aanbevelingen van de WHO om gedurende de week ten minste 150 minuten aan matige intensiteit aerobe fysieke activiteit te doen. Meer mannen (36%) dan vrouwen (25%) voldoen aan de aanbeveling. Inwoners van Vlaanderen (37%) en mensen met tertiair opleidingsniveau (38%) voldoen vaker aan de aanbevelingen.

Bij kinderen van 11 tot 18 jaar voldoen één op de vijf jongens (20%) en één op de acht meisjes (13%) aan de aanbevelingen van de WHO om ten minste 60 minuten per dag matig tot intensief lichamelijk actief te zijn.

2. Achtergrond

Gebrek aan lichaamsbeweging is een van de belangrijkste risicofactoren in termen van zowel morbiditeit als mortaliteit voor een reeks chronische aandoeningen, waaronder hart- en vaatziekten, kanker en diabetes. Bovendien kan regelmatige lichaamsbeweging, wanneer een bepaalde drempel wordt bereikt, aanzienlijke voordelen voor de gezondheid opleveren. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) [1] beveelt aan dat volwassenen van 18-64 jaar ten minste 150 minuten matige lichamelijke inspanning leveren gedurende de hele week. Ze bevelen verder aan dat kinderen en tieners van 5 tot 17 jaar ten minste 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit leveren per dag.

Tot op heden is er geen consensus over de manier waarop lichaamsbewegingsniveaus ingeschat kunnen worden op basis van zelfgerapporteerde onderzoeken: het gebruik van verschillende instrumenten en verschillende afkappunten voor het classificeren van de activiteitsniveaus maken het hierdoor erg moeilijk om resultaten binnen en tussen landen te vergelijken. In de Belgische Gezondheidsenquête werd lichaamsbeweging in de edities 2001-2013 gemeten met de korte versie van de International Physical Activity Questionnaire (IPAQ). Sinds 2018 wordt de EHIS-PAQ-vragenlijst gebruikt zoals aanbevolen door de Europese gezondheidsenquête (EHIS), waardoor het niet meer mogelijk is evoluties in de tijd op te volgen, maar internationale vergelijkbaarheid wel verbeterd wordt.

In dit rapport evalueren we lichaamsbeweging onder volwassenen op basis van het aandeel volwassenen dat voldoet aan de aanbevelingen van de WHO om gedurende de week ten minste 150 minuten aan aërobe fysieke activiteit met een matige intensiteit te doen, berekend op basis van de zelfgerapporteerde gegevens van de Belgische gezondheidsenquête.

Lichaamsbeweging bij adolescenten wordt beoordeeld op basis van het aandeel adolescenten van 11-18 jaar die voldoen aan de aanbevelingen van de WHO om ten minste 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit uit te voeren per dag, berekend op basis van de zelfgerapporteerde gegevens van de Health Behaviour in School-aged Children studie (HBSC).

3. Lichaamsbeweging bij volwassenen

Toestand in 2018

België

In België deed in 2018 30% van de bevolking van 18 jaar en ouder ten minste 150 minuten aan minstens matige-intensieve aerobe fysieke activiteit per week. Meer mannen (36%) dan vrouwen (25%) voldeden aan de aanbevelingen, en dit voor alle leeftijden. De prevalentie was het hoogst in de jongste leeftijdsgroep (47%) en het laagst in de hoogste leeftijdsgroep (12%).

Aandeel van de bevolking van 18 jaar en ouder dat ten minste 150 minuten aan minstens matig-intensieve aerobe fysieke activiteit per week uitoefent volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Gezondheidsenquête, Sciensano [2]
Regionale verschillen

In Vlaanderen voldeden meer mensen aan de aanbevelingen voor lichaamsbeweging (43% van de mannen en 34% van de vrouwen) dan in Brussel (respectievelijk 29% en 18%) en Wallonië (respectievelijk 27% en 15%).

Aandeel van de bevolking van 18 jaar en ouder dat ten minste 150 minuten aan minstens matig-intensieve aerobe fysieke activiteit per week uitoefent volgens geslacht en gewest, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

Sociaaleconomische verschillen

Na de standaardisatie van de leeftijd voldeden mensen met tertiair onderwijs vaker aan de aanbevelingen (38%) dan mensen met hoger secundair onderwijs (26%), lager secundair onderwijs (22%) en basisonderwijs (12%).

Aandeel van de bevolking van 18 jaar en ouder dat ten minste 150 minuten aan minstens matig-intensieve aerobe fysieke activiteit per week uitoefent volgens opleidingsniveau, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van de Gezondheidsenquête, Sciensano [2]

4. Lichaamsbeweging bij adolescenten

Toestand in 2018

België

In België voldeden in 2018 meer jongens (20%) dan meisjes (13%) aan de aanbevelingen van de WHO om minstens 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit per dag uit te voeren. Jonge adolescenten van 11-12 jaar waren vaker lichamelijk actief dan oudere adolescenten.

Aandeel adolescenten van 11 tot 18 jaar dat ten minste 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit uitvoert per dag, volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen, ongewogen Belgisch gemiddelde op basis van de HBSC Franse Gemeenschap [3] en HBSC Vlaamse Gemeenschap [4]
Regionale verschillen

In de Vlaamse Gemeenschap voldeden meer jongeren aan de aanbevelingen van de WHO (21% van de jongens en 14% van de meisjes) dan in de Franse Gemeenschap (18% van de jongens en 11% van de meisjes).

Trends

In de Vlaamse Gemeenschap nam het aandeel jongens dat aan de aanbevelingen van de WHO voldeed tussen 2014 en 2018 toe, terwijl het in de Franse Gemeenschap afnam. Deze tegengestelde evoluties leidden tot een stabiel Belgisch gemiddelde.

In de Vlaamse Gemeenschap steeg het aandeel meisjes dat aan de aanbevelingen van de WHO voldeed tussen 2014 en 2018, terwijl het in de Franse Gemeenschap stabiel bleef. Beide evoluties samen leidden tot een stijgend Belgisch gemiddelde.

  • Jongens
  • Meisjes

Aandeel jongens van 11 tot 18 jaar dat ten minste 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit uitvoert per dag, volgens Gemeenschap, België, 2014-2018
Bron: HBSC Franse Gemeenschap [3] en HBSC Vlaamse Gemeenschap [4]

Aandeel meisjes van 11 tot 18 jaar dat ten minste 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit uitvoert per dag, volgens Gemeenschap, België, 2014-2018
Bron: HBSC Franse Gemeenschap [3] en HBSC Vlaamse Gemeenschap [4]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

HISIA: Interactive Analysis of the Belgian Health Interview Survey

Health-Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey - Vlaamse Gemeenschap

Health-Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey - Franse Gemeenschap

Definities

EHIS-PAQ vragenlijst
De EHIS-PAQ is een domeinspecifieke vragenlijst voor lichaamsbeweging, samengesteld uit acht vragen. Het houdt rekening met fysieke activiteit gerelateerd aan werk, verplaatsingen, en sport. De EHIS-PAQ is getest in verschillende regio's en culturele omgevingen in Europa. Hiermee kan de door de WHO gedefinieerde aanbeveling voor gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging worden geschat.
Gedurende de hele week ten minste 150 minuten minstens matig-intensieve aerobe fysieke activiteit leveren
Om deze indicator in de Belgische gezondheidsenquête te berekenen, werden aan de deelnemers drie vragen gesteld om de tijd te beoordelen die ze besteden aan verplaatsingen te fiets en aan vrijetijdsactiviteiten.
Per dag ten minste 60 minuten matige tot intensieve fysieke activiteit leveren
Om deze indicator in de HBSC te berekenen, werd de deelnemers gevraagd hoeveel dagen ze de afgelopen week in totaal minstens 60 minuten fysiek actief waren geweest.
Voor leeftijd gestandaardiseerde prevalentie
Aangezien leefstijlfactoren sterk worden beïnvloed door leeftijd, moeten vergelijkingen tussen regio's en opleidingsniveaus worden gestandaardiseerd voor leeftijd volgens een standaardpopulatie, om het effect van leeftijd in de vergelijking weg te filteren.

Referenties

  1. Global recommendations on physical activity for health. Genève: WHO; 2010. https://www.who.int/dietphysicalactivity/global-PA-recs-2010.pdf
  2. Gezondheidsenquête, Sciensano, 2001-2018. https://his.wiv-isp.be/fr/SitePages/Rapports_complets_2018.aspx
  3. HBSC Franse Gemeenschap, ULB, 2018. http://sipes.ulb.ac.be/
  4. HBSC Vlaamse Gemeenschap, UGent, 2018. http://www.jongeren-en-gezondheid.ugent.be/

Voeding

1. Kernboodschappen

Het Belgisch voedingspatroon wordt gekenmerkt door een excessieve consumptie van rood vlees, bereid vlees en gesuikerde dranken, en door een onvoldoende consumptie van fruit, groenten, noten en zaden, melk, eieren en vis. Het voedingspatroon is slechts weinig veranderd in de tijd.
In 2014 bedroeg de gemiddelde gebruikelijke inname van fruit en groenten 255 gram/dag. Slechts 14% van de populatie voldeed aan de WHO-aanbevelingen van 400 gram/dag. De consumptie van fruit en groenten is de laatste jaren licht toegenomen. Het is hoger bij vrouwen en neemt toe met het opleidingsniveau.
In 2014 consumeerde 97% van de Belgische bevolking gesuikerde dranken. De gemiddelde gebruikelijke inname is 151 ml/dag. De consumptie is het hoogst bij adolescenten en hoger bij mannen dan bij vrouwen. In 2014 nam de consumptie af in vergelijking met 2004. De consumptie neemt toe met afnemend opleidingsniveau.
In België bedraagt de consumptie van ultra-bewerkt voedsel 30% van de totale geconsumeerde energie. Deze proportie is het hoogst bij kinderen (33% van de totale geconsumeerde energie). De consumptie van ultra-bewerkt voedsel verschilt niet tussen mannen en vrouwen. Er werd ook geen significant verschil waargenomen in de consumptie van ultra-bewerkt voedsel in 2014 vergeleken met 2004. De consumptie van ultra-bewerkt voedsel is hoger in Wallonië dan in Vlaanderen. Er worden geen verschil waargenomen tussen de opleidingsniveaus.

2. Achtergrond

De kwaliteit van het voedingspatroon is een belangrijke factor voor de gezondheid en ziektelast. Een gezond voedingspatroon helpt niet-overdraagbare ziekten zoals diabetes, kanker, hartziekten en beroerte te voorkomen [1]. Aanbevelingen zijn vastgesteld op internationale [2] en nationale [3-4] niveaus.

In België zijn voedingsconsumptiegegevens beschikbaar uit twee nationale voedselconsumptiepeilingen uitgevoerd in 2004 en 2014 [5-7]. In dit rapport wordt de focus gelegd op:

  1. De consumptiepatronen van 9 voedingsgroepen die vergeleken worden met internationale aanbevelingen [2].
  2. Een meer gedetailleerde analyse van 3 indicatoren voor de kwaliteit van het voedingspatroon, namelijk de consumptie van fruit en groenten, van gesuikerde dranken, en van ultra-bewerkt voedsel.

Fruit en groenten zijn voedingsmiddelen met een lage energie-inhoud en zijn belangrijke bronnen van voedingsvezels, vitaminen en mineralen. Een hoge consumptie van fruit en groenten is geassocieerd met een afname van het risico voor coronaire hartaandoeningen, beroerte en obesitas [8]. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beveelt aan om dagelijks 400 gram groenten en fruit te consumeren [9].

Daarentegen wordt te hoge inname van toegevoegde suikers, en meer specifiek gesuikerde dranken, geassocieerd met slechte voedingsgewoonten, een ongezonde gewichtstoename, en het risico voor tandcariës en andere niet-overdraagbare ziekten [1;8]. De WHO beveelt aan om de consumptie van toegevoegde suikers te beperken tot 10% van de totaal geconsumeerde energie en dit voor alle leeftijden [10]. Rekening houdende met deze aanbeveling zou de consumptie van gesuikerde dranken vermeden moeten worden.

Ultra-bewerkte voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen die samengesteld worden op basis van industriële ingrediënten en weinig intacte voedingsmiddelen bevatten. Deze voedingsmiddelen worden vaak geassocieerd met een minder goede voedingskwaliteit. Ze worden geassocieerd met een hogere incidentie van dyslipidemie en een hoger risico voor overgewicht, obesitas en hypertensie. De consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen dient dus, in de mate van het mogelijke, vermeden te worden [11;12]. Voor de analyses die hier werden uitgevoerd, werden de voedingsmiddelen geclassificeerd volgens de NOVA-classificatie die gebaseerd is op de mate en het doel van industriële bewerking. De resultaten worden voorgesteld als de proportie van de totale geconsumeerde hoeveelheid energie [13].

3. Algemeen consumptiepatroon

Het Belgische voedingspatroon wordt gekarakteriseerd door een excessieve consumptie van rood vlees, bewerkt vlees en gesuikerde dranken en door een onvoldoende consumptie van fruit, groenten, noten en zaden, melk, eieren en vis. Algemeen is het voedingspatroon tussen 2004 en 2014 slechts weinig verbeterd. Voor de consumptie van rood vlees werd echter een verbetering vastgesteld, met een daling van het aandeel van de overmatige consumptie van 59% tot 36%.

Proportie van de populatie met consumptieniveau boven en onder de nationale en internationale aanbevelingen, volgens voedingsgroep en volgens jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]
hsr nl nutrition overview

4. Consumptie van fruit en groenten

België

In 2014 bedroeg de gebruikelijke inname van groenten en fruit 255 gram per dag. Slechts 14% van de bevolking voldeed aan de WHO-richtlijnen van 400 gram per dag.

De consumptie van fruit en groenten was vergelijkbaar bij kinderen en adolescenten (respectievelijk 206 gram/dag en 210 gram/dag). Bij volwassenen was de consumptie 269 gram/dag. Tijdens de kindertijd en adolescentie werd tussen jongens en meisjes geen verschil waargenomen in groente- en fruitconsumptie. Bij volwassenen (18-64 jaar) werd vastgesteld dat mannen  minder groenten en fruit consumeren dan vrouwen (258 gram/dag tegenover 284 gram/dag).

Gemiddelde gebruikelijke inname van fruit en groenten (in gram per dag) bij de populatie (3-64 jaar), volgens leeftijdsgroep en geslacht, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Trends

De gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit is tussen 2004 en 2014 licht gestegen van 243 gram/dag tot 269 gram/dag. De toename in de tijd was bij adolescenten en volwassenen vergelijkbaar. Het aandeel van de bevolking dat aan de aanbevelingen voldoet, steeg van 7,5% naar 16%. De consumptiegegevens van kinderen (3-14 jaar) konden niet vergeleken worden met die van 2004 omdat de voedselconsumptiepeiling van 2004 geen gegevens van kinderen bevat.

Gemiddelde gebruikelijke inname van fruit en groenten (gram/dag) in de populatie van 15-64 jaar, volgens leeftijdsgroep en jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]

Regionale verschillen

In alle leeftijdsgroepen was de gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit hoger in Vlaanderen dan in Wallonië (275 gram/dag tegenover 212 gram/dag). In totaal voldeed 16% van de Vlamingen aan de aanbevelingen voor de consumptie van groenten en fruit, tegenover 8% in Wallonië.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) in de bevolking van 3-64 jaar, per leeftijdsgroep en per regio van residentie, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Verschillen volgens opleidingsniveau

De consumptie van groenten en fruit nam toe met het opleidingsniveau met een gemiddelde gebruikelijke inname van 211 gram/dag voor personen met het laagste opleidingsniveau en gemiddeld 300 gram/dag voor personen met het hoogste opleidingsniveau. Slechts 6% van de laagopgeleide bevolking voldoet aan de aanbevelingen voor de consumptie van groenten en fruit, vergeleken met 22% van de hoger opgeleide bevolking.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij de bevolking van 3-64 jaar, volgens opleidingsniveau, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Internationale vergelijking

In alle leeftijdsgroepen lag de gemiddelde groente- en fruitconsumptie in België onder het EU-15-gemiddelde. Het verschil met het EU-15-gemiddelde was echter kleiner bij kinderen van 3-9 jaar (206 gram/dag versus 210 gram/dag) dan bij adolescenten (210 gram/dag versus 226 gram/dag) en volwassenen 269 gram/dag versus 307 gram/dag).

  • Kinderen
  • Adolescenten
  • Volwassenen

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij kinderen (3-9 jaar), EU-15, laatste voedselconsumptiepeilingen
Bron: EFSA Comprehensive Food Consumption Database [14]; gegevens voor Luxemburg en Ierland ontbreken. Gebruikelijke inname van groenten en fruit werd berekend als de som van de gebruikelijke innames van groenten en fruit afzonderlijk.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij adolescenten (10-17 jaar), EU-15, laatste voedselconsumptiepeilingen
Bron: EFSA Comprehensive Food Consumption Database [14]; gegevens voor Griekenland, Luxemburg en Ierland ontbreken. Gebruikelijke inname van groenten en fruit werd berekend als de som van de gebruikelijke innames van groenten en fruit afzonderlijk.

Gemiddelde gebruikelijke inname van groenten en fruit (in gram per dag) bij volwassenen (18-64 jaar), EU-15, laatste voedselconsumptiepeilingen
Bron: EFSA Comprehensive Food Consumption Database [14]; gegevens voor Luxemburg en Griekenland ontbreken. Gebruikelijke inname van groenten en fruit werd berekend als de som van de gebruikelijke innames van groenten en fruit afzonderlijk.

5. Consumptie van gesuikerde dranken

België

In 2014 bedroeg de gebruikelijke inname van suikerhoudende dranken 151 ml/dag, en consumeerde 97% van de bevolking suikerhoudende dranken. De consumptie was het hoogst bij adolescenten (220 ml/dag); het was ook hoger bij mannen dan bij vrouwen (respectievelijk 196 ml/dag en 112 ml/dag).

Gemiddelde gebruikelijke inname van gesuikerde dranken (in ml per dag) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en geslacht, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Trends

De consumptie van gesuikerde dranken daalde in de periode van 2004 tot 2014 van 387 ml/dag tot 298 ml/dag bij adolescenten (15-17 jaar) en van 250 ml/dag tot 211 ml/dag bij jonge volwassenen (18-39 jaar). Bij de oudere volwassen bevolking (40-64 jaar) veranderde de consumptie niet tussen 2004 en 2014 (89 ml/dag). De consumptiegegevens van kinderen (3-14 jaar) konden niet vergeleken worden met die van 2004 omdat de voedselconsumptiepeiling van 2004 geen gegevens van kinderen bevat.

Gemiddelde gebruikelijke inname van gesuikerde dranken (in ml per dag) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]

Regionale verschillen

De consumptie van suikerhoudende dranken was in Vlaanderen (167 ml/dag) iets hoger dan in Wallonië (148 ml/dag), maar het verschil was niet significant.

Gemiddelde gebruikelijke inname van gesuikerde dranken (in ml per dag) in de populatie van 3-64 jaar, volgens leeftijd en regio, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Voor de consumptie van suikerhoudende dranken werd een sociaaleconomische gradiënt waargenomen: de consumptie van suikerhoudende dranken daalt van 227 ml bij mensen met het laagste opleidingsniveau naar 89 ml/dag bij mensen met het hoogste opleidingsniveau. Het aandeel van de bevolking dat meer consumeert dan de maximaal aanbevolen hoeveelheid (0 ml/dag) neemt hierbij slechts licht af van 98% naar 96%.

Gemiddelde gebruikelijke inname van suikerhoudende dranken (in ml per dag) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens opleidingsniveau, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

6. Consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen

In 2014 was de bijdrage van ultra-verwerkte voedingsmiddelen (UPF) tot de totale energie-inname gelijk aan 29,9%. Dit aandeel was significant hoger bij jonge kinderen (33,3%) dan bij adolescenten (29,2%) en volwassenen (29,6%). De dagelijkse energie-inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen was niet significant verschillend voor mannen en vrouwen.

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie-inname) bij de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en geslacht, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Trends

De dagelijkse energie-inname van UPF is in 2014 niet veranderd (29,9% van de totale energie-inname) ten opzichte van 2004 (29,8%).

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie inname) in de populatie van 15-64 jaar, volgens leeftijd en jaar, België, 2004-2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2004-2014 [7]

Regionale verschillen

Het aandeel van de gebruikelijke dagelijkse energie-inname van UPF was in Wallonië hoger (36,8%) dan in Vlaanderen (28,7%). Dit verschil was meer uitgesproken bij kinderen dan bij volwassenen.

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie-inname) in de bevolking van 3 tot 64 jaar, per leeftijd en regio, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

Verschillen volgens opleidingsniveau

Er werden geen significant verschillen waargenomen in het aandeel van ultra-bewerkte voedingsmiddelen tot de totale energie-inname van de verschillende onderwijsniveaus.

Gemiddelde gebruikelijke inname van ultra-bewerkte voedingsmiddelen (in % van de totale energie-inname) in de bevolking van 3 tot 64 jaar, volgens leeftijd en opleidingsniveau, België, 2014
Bron: Voedselconsumptiepeiling, Sciensano, 2014 [7]

7. Meer informatie

Bekijk de metadata van deze indicator

VCP: Belgische voedselconsumptiepeiling

Definities

Gebruikelijke inname
De gebruikelijke inname is de gemiddelde inname over een lange termijn.
NOVA-classificatie
NOVA is een instrument voor de classificatie van voedingsmiddelen op basis van de graad van voedselbewerking en het doel van de bewerking. De levensmiddelen worden hierbij onderverdeeld in vier verschillende voedingsgroepen, namelijk “ultra-bewerkt”, “bewerkt”, “onbewerkt of minimaal bewerkt” of “bewerkt culinair ingrediënt”.
Ultra-bewerkte voedingsmiddelen
Ultra-bewerkte voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen die samengesteld zijn uit industriële ingrediënten en bevatten weinig of geen intacte voedingsmiddelen. Ultra-bewerkte voedingsmiddelen worden vaak gekenmerkt door een mindere kwaliteit en worden in verband gebracht met een hogere incidentie van dyslipidemie en een hoger risico op overgewicht, obesitas en hypertensie. De consumptie van ultra-bewerkte voedingsmiddelen moet worden vermeden.

Referenties

  1. Amine EK, Baba NH, Belhadj M, Deurenberg-Yap M, Djazayery A, Forrestre T, et al. Diet, nutrition and the prevention of chronic diseases. World Health Organization technical report series 2003;(916).
  2. GBD 2016 Risk Factors Collaborators. Global, regional, and national comparative risk assessment of 84 behavioural, environmental and occupational, and metabolic risks or clusters of risks, 1990-2016: a systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2016. Lancet. 2017;390(10100):1345-1422.
  3. Vanhauwaert E. De actieve voedingsdriehoek: een praktische voedings- en beweeggids. Brussel; 2012.
  4. Lebacq T, Oost C. Recommandations alimentaires. In: Tafforeau J, editor. Enquête de consommation alimentaire 2014-2015. 2016.
  5. De Ridder K, Bel S, Brocatus L, Lebacq T, Ost C, et al. (2016) La consommation alimentaire : résumé des résultats. In: Tafforeau J, editors. Enquête de consommation alimentaire 2014-2015. Bruxelles: WIV-ISP. 
  6. Debacker N, Cox B, Temme L, Huybrechts I, Van Oyen H. De Belgische voedselconsumptiepeiling 2004: voedingsgewoonten van de Belgische bevolking ouder dan 15 jaar. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid; 2007
  7.  Sciensano (2019) Website of the Belgian National Food Consumption survey 2014. https://fcs.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx.
  8. EFSA Panel on Dietetic Products. Scientific opinion on establishing food-based dietary guidelines. EFSA Journal 2010;8(3):1460.
  9. World Health Organization. Diet, nutrition, and the prevention of chronic diseases. Report of a WHO Study Group. Diet, nutrition, and the prevention of chronic diseases Report of a WHO Study Group 1990;(797).
  10. World Health Organization. Guideline: sugars intake for adults and children. World Health Organization; 2015.
  11. Vandevijvere S, De Ridder K, Fiolet T, Bel S, Tafforeau J (2018) Consumption of ultra-processed food products and diet quality among children, adolescents and adults in Belgium. European Journal of Nutrition 1-12.
  12. Fiolet T, Srour B, Sellem L, Kesse-Guyot E, Allès B, Méjean C, et al. Consumption of ultra-processed foods and cancer risk: results from NutriNet-Santé prospective cohort. BMJ 2018;360:k322.
  13. Monteiro CA, Cannon G, Levy R, Moubarac JC, Jaime P, Martins AP, et al. NOVA. The star shines bright. World Nutrition 2016;7(1-3):28-38.
  14. European Food Safety Authority (EFSA), Comprehensive Food Consumption Database. https://www.efsa.europa.eu/en/food-consumption/comprehensive-database