Andere informatie en diensten van de overheid : www.belgium.be  belgium

Toegankelijkheid in termen van wachttijden

Wachttijden voor een afspraak bij een specialist kunnen een obstakel vormen om tijdig toegang te krijgen tot zorg.

Een eerste indicator betreft de wachttijd voor een afspraak bij een specialist (A-9). Het gaat om een zelfgerapporteerde wachttijd die bevraagd wordt in de Gezondheidsenquête van Sciensano.

Een andere indicator betreft de wachttijd voor een eerste afspraak in een ambulante instelling voor geestelijke gezondheidszorg (MH-3). Deze wordt meer in detail besproken in het domain van de geestelijke gezondheidszorg.

Wachttijd van meer dan twee weken voor een consultatie bij een specialist (A-9)

Deze indicator kwantificeert het percentage afspraken bij een specialist waarvoor een wachttijd was van twee weken of meer.

Het gaat om een zelfgerapporteerde wachttijd die bevraagd wordt in de Gezondheidsenquête van Sciensano.

RESULTATEN
  • Van de bevraagde populatie (2013) gaf 38% aan meer dan twee weken te hebben moeten wachten voor ze bij een specialist terechtkonden.
  • Er waren geen grote verschillen tussen de verschillende regio’s in België.
  • De wachttijd werd als problematisch beschouwd door 10,2% van de bevraagde personen.

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

 

Toegankelijkheid van gekwalificeerd personeel

De toegankelijkheid van de gezondheidszorg kan ook worden gemeten aan de hand van het aantal gekwalificeerde zorgverleners die professioneel actief zijn in België en het aantal beschikbare bedden in bepaalde zorgsectoren. Deze informatie is ook essentieel voor de planning van het zorgaanbod in de komende jaren. In dit hoofdstuk vindt u indicatoren met betrekking tot de beschikbaarheid van artsen en verpleegkundigen in het algemeen:

- het aantal praktiserende artsen (A-5) 

- het aantal praktiserende verpleegkundigen (A-6) 

- het aantal vacatures voor verplegend personeel in ziekenhuizen (A-7)

- het aantal patiënten per verpleegkundige (A-8)

Een aantal indicatoren die in specifieke domeinen worden besproken, zijn eveneens relevant in verband met de toegankelijkheid

Tot slot worden projecties over het aantal toekomstige gezondheidsprofessionals (indicatoren S-4 tot en met S-10) besproken in de dimensie'Duurzaamheid'.

Aantal praktiserende artsen (A-5)

Deze indicator evalueert het aantal praktiserende artsen per 1000 inwoners. Een arts wordt als 'praktiserend' beschouwd als hij of zij in een bepaald jaar een of meer dan één prestaties heeft uitgevoerd (d.w.z. ten minste twee raadplegingen, bezoeken of technische procedures - voorschriften worden hiervoor niet in aanmerking genomen). Artsen die nog in opleiding zijn worden niet meegerekend.

Tot 2009 werd bij de berekening van de dichtheid aan artsen rekening gehouden met alle geregistreerde artsen (zonder te beperken tot praktiserende artsen), wat verklaart waarom België al lang een van de hoogste dichtheden aan artsen in Europa had. Deze gegevens zijn nu met terugwerkende kracht gecorrigeerd.

Bovendien hebben de OESO-gegevens (opgenomen in deze fiche) voor 2016 betrekking op het aantal artsen die ten minste één prestatie hebben verricht (en niet meer dan één klinische dienst). Meer informatie over het aantal artsen dat meer dan één prestatie hebben uitgevoerd (34.502 in plaats van 34.834) is beschikbaar op de website van het RIZIV.

RESULTATEN 
  • In 2016 waren er 34.834 praktiserende artsen in België, wat overeenkomt met een dichtheid van 3,07 per 1000 inwoners. Tussen 2000 en 2016 is deze dichtheid redelijk stabiel gebleven. We stellen echter wel een toenemende vergrijzing van artsen vast (zie de indicatoren voor de leeftijd van artsen in het hoofdstuk over duurzaamheid).
  • De dichtheid van praktiserende artsen in België is lager dan het Europese gemiddelde (3,54 per 1000 inwoners). Niet alle OESO-landen gebruiken echter dezelfde methoden om deze indicator te berekenen (vb. om de minimumactiviteit van een praktiserende arts te definiëren). De gegevens zijn dus mogelijk niet goed vergelijkbaar.
  • Deze indicator geeft geen nauwkeurige weergave van het werkelijke aantal actieve artsen, aangezien de indicator alle artsen omvat die ten minste één klinische procedure uitvoeren, wat een zeer ruime definitie is. Om dit probleem op te lossen, heeft het RIZIV ook een schatting gemaakt van het aantal praktiserende artsen uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTEn). VTEn worden gedefinieerd op basis van het totaal aan terugbetaalde bedragen voor geleverde prestaties. Volgens deze benadering bedroeg het aantal praktiserende huisartsen in 2016 8 988 VTE (12 929 in absolute cijfers), waarvan 7 719 VTE geconventioneerd. Uitgedrukt in een dichtheid komt dit overeen met 0,79 huisartsen per 1000 inwoners, waarvan er 0,68 geconventioneerd zijn. Het detail per specialiteit per 1000 inwoners wordt gegeven in tabel 1.
  • Uitgedrukt in VTE is de dichtheid van geconventioneerde praktiserende huisartsen en geconventioneerde praktiserende gynaecologen dus vrij laag (zie ook de indicator voor geconventioneerde artsen).
  • Let wel: deze analyse is gebaseerd op het domicilieadres van de arts en niet op het adres van zijn of haar praktijk. Uit een recente studie naar de locatie van huisartsenpraktijken blijkt dat er in 2017 in Brussel 1,23 huisartsen per 1000 inwoners waren (tegenover 1,17 per 1000 inwoners in 2016 op basis van de woonplaats van de arts; de gegevens van het RIZIV voor 2017 zijn nog niet beschikbaar).
Tabel 1 – Aantal Aantal praktiserende artsen die actief zijn, actief zijnin absolutt aantal, in VTE en actief en en geconventioneerd zijn in VTE (per 1000 inwoners)
Bron: RIZIV (gegevens) – KCE (berekeningen)
 

Actief

Actief, in VTE

Actief en geconventioneerd, in VTE

Huisartsen

1,14

0,79

0,68

Kinderartsen

0,14

0,08

0,07

Gynaecologen

0,13

0,08

0,03

Psychiaters

0,17

0,11

0,10

Medisch specialisten

0,86

0,59

0,45

Chirurgisch specialisten

0,59

0,41

0,28

 
Figuur 1 - Aantal van praktiserende artsen, per 1000 inwoners, internationale vergelijking, 2000-2016
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018; EU Gemiddelde= Gebaseerd op 10 van de EU-15-landen waarvoor gegevens beschikbaar waren
Figuur 2 - Aantal van praktiserende artsen, per 1000 inwoners, internationale vergelijking, 2016
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018; EU Gemiddelde= Gebaseerd op 10 van de EU-15-landen waarvoor gegevens beschikbaar waren
Aantal van praktiserende artsen per 1000 inwoners

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Aantal praktiserende verpleegkundigen (A-6)

Verpleegkundigen spelen een essentiële rol bij de zorgverlening in ziekenhuizen en andere zorginstellingen, maar ook op het niveau van de eerstelijns- en thuiszorg.
In de meeste landen vormen zij de grootste beroepsgroep in de gezondheidssector. Daarom kan een tekort aan verpleegkundigen leiden tot toegankelijkheidsproblemen (vb. langere wachtlijsten) of gevolgen hebben voor de kwaliteit van de zorg (vb. te veel patiënten per verpleegkundige).
Het PlanCAD-project, dat het resultaat is van de koppeling van verschillende administratieve databanken, maakt het mogelijk om een onderscheid te maken tussen verpleegkundigen die werkzaam zijn in de gezondheidssector en verpleegkundigen die actief zijn op de Belgische arbeidsmarkt, maar in andere sectoren dan de gezondheidszorg.

De belangrijkste indicator is het aantal praktiserende verpleegkundigen in de gezondheidszorg (practising nurses). Hieronder vallen verpleegkundigen die in de gezondheidssector werkzaam zijn en een bepaald volume aan activiteiten hebben verricht (ten minste 893 handelingen per jaar volgens de RIZIV-nomenclatuur), of die voor een werkgever in de gezondheidssector werken.

De secundaire indicatoren zijn:

  • het aantal verpleegkundigen met een visum (license to practice), d.w.z. verpleegkundigen die een erkend diploma in de Verpleegkunde hebben behaald, met inbegrip van personen met een diploma van verloskundige die in de categorie Verpleegkundige in de kadastrale databank zijn ingeschreven.
  • het aantal professioneel actieve verpleegkundigen, d.w.z. verpleegkundigen die als zelfstandige of als werknemer zijn ingeschreven met ten minste 0,1 voltijdequivalent (VTE) per jaar, maar die niet noodzakelijkerwijs in de gezondheidszorg werken.

Het verschil tussen praktiserende verpleegkundigen en professioneel actieve verpleegkundigen is de sector waarin ze werkzaam zijn. De eerstgenoemden zijn enkel actief in de gezondheidszorg en niet op de volledige Belgische arbeidsmarkt.

RESULTATEN
  • In 2016 waren er 124 196 verpleegkundigen werkzaam in de gezondheidszorg (hoofdindicator), oftewel 105.718 VTE.
  • In 2016 waren er 202 402 verpleegkundigen met een visum en 143 470 professioneel actieve verpleegkundigen op de gehele arbeidsmarkt.
  • De meeste professioneel actieve verpleegkundigen werken als werknemers in ziekenhuizen (65,5%), gevolgd door woonzorgcentra (13,7%) en de thuiszorg (7,9%).
  • In België steeg het aantal verpleegkundigen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg per 1000 inwoners tussen 2004 (8,8 per 1000) en 2015 (10,8 per 1000). Deze opwaartse trend wordt ook in andere Europese landen waargenomen. Het cijfer voor België is lichtjes hoger dan het Europese gemiddelde van de EU-11 (dat 9,4 bedraagt). 
Figuur 3 - Aantal verpleegkundigen met een oefenvisum, professioneel actief en praktiserende verpleegkundigen, 2004-2016
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018 voor 2004-2015; PlanCAD (FOD Volksgezondheid) voor 2016
Figuur 4 - Aantal van praktiserende verpleegkundigen, per 1000 inwoners, internationale vergelijking, 2004-2015
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018; EU Gemiddelde= Gebaseerd op 11 van de EU-15-landen waarvoor gegevens beschikbaar waren
Figuur 5 - Aantal van praktiserende verpleegkundigen, per 1000 inwoners, internationale vergelijking, 2015
Gegevensbron: OESO Health Statistics 2018; EU Gemiddelde= Gebaseerd op 11 van de EU-15-landen waarvoor gegevens beschikbaar waren
Aantal van praktiserende verpleegkundigen per 1000 inwoners

Opmerking: Op OESO-niveau verschillen de criteria voor opname en uitsluiting van land tot land, waardoor internationale vergelijkingen van deze gegevens voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden.

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

 Aantal vacatures voor verpleegkundigen (in ziekenhuizen) (A-7)

Sinds het begin van de jaren 2000 wordt in de meeste geïndustrialiseerde landen, waaronder België, een tekort aan verpleegkundigen vastgesteld. Het probleem zal alleen maar toenemen met de vergrijzing van de bevolking (en die van de verpleegkundigen).

Het meten van het aantal vacatures is een contextuele indicator die het mogelijk maakt om dit tekort aan verpleegkundigen op te volgen.

RESULTATEN
  • Op 31 december 2016 waren er 1274 vacatures voor verplegend personeel in de Belgische ziekenhuizen, waarvan het merendeel voor verpleegkundigen met een bachelordiploma (niveau A1):
    • 708 in Vlaanderen
    • 290 in Wallonië
    • 276 in Brussel 
Figuur 6 - Aantal vacatures voor verpleegkundigen in ziekenhuizen, per regio, 2013-2016
Gegevensbron: FOD Volksgezondheid, KCE berekening

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Gemiddeld aantal patiënten per verpleegkundige in de ziekenhuizen (A-8)

Uit de internationale wetenschappelijke literatuur blijkt dat een tekort aan verpleegkundigen een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van de zorgverlening en de mortaliteit onder gehospitaliseerde patiënten. Het is daarom van cruciaal belang om het huidige gelimiteerde aantal verpleegkundigen goed in te zetten om deze potentiële negatieve impact te minimaliseren. Het aantal uren verpleging per patiënt per dag in ziekenhuizen voor acute zorg is in dit opzicht dan ook een interessante indicator.

Gegevens voor de berekening van deze indicator zullen in de toekomst echter niet langer worden verzameld als gevolg van administratieve wijzigingen in de registratiesystemen. Deze indicator wordt dus vervangen door een 'oude' indicator, namelijk de gemiddelde verhouding tussen patiënt en verpleegkundige (meer bepaald het gemiddeld aantal patiënten dat door een voltijds verpleegkundige wordt verzorgd). Deze indicator is afkomstig uit een Europese studie (RN4CAST, 2009-2010) op basis van gegevens van ongeveer 500 ziekenhuizen in 12 landen en wordt eind 2019 geactualiseerd voor België. Deze indicator kan ook indirecte informatie geven over de kwaliteit van de zorg in ziekenhuizen.

RESULTATEN
  • Tussen 2011 en 2015 is het aantal verpleeguren per patiënt per dag gestegen van 4,3 naar 6,3 op chirurgische afdelingen en van 4,8 naar 5,5 op medische afdelingen.
  • Het aantal verpleeguren per patiënt per dag verschilt aanzienlijk van ziekenhuis tot ziekenhuis. Een deel van deze variabiliteit kan worden verklaard door verschillen in de intensiteit van de zorg, maar ze blijven bestaan na aanpassing voor deze factor.
  • Volgens de RN4CAST-studie bedroeg de gemiddelde verhouding tussen patiënt en verpleegkundige in 2010 in België 10,7, wat een hoog cijfer is in vergelijking met andere Europese landen (gemiddelde voor de EU-12 = 9). Alleen in Duitsland (13,0) en Spanje (12,6) ligt het cijfer nog hoger. In Noorwegen is het maar de helft (5,4). Als we ook rekening houden met lager gekwalificeerde verpleegkundigen, stijgt de gemiddelde verhouding patiënt/verpleegkundige tot 7,9. 
Figuur 7 - Aantal verpleeguren per patiëntdag in chirurgische (C) en interne geneeskunde (D) diensten, 2009-2015 (2de semester)
Gegevensbron: FOD Volksgezondheid, KCE berekening

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Financiële toegang tot gezondheidszorg

Een goed functionerend gezondheidssysteem moet financieel toegankelijk zijn voor zoveel mogelijk mensen. Het gezondheidszorgsysteem wordt als financieel ontoegankelijk beschouwd, als mensen noodzakelijke zorg of behandelingen moeten beperken of uitstellen omdat deze te duur zijn of indien ze andere basisbehoeften moeten opgeven om gezondheidszorg te kunnen betalen. Bovendien kan het stopzetten of uitstellen van een behandeling vanwege de kostprijs nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid op (middel)lange termijn, met soms hogere gezondheidskosten tot gevolg.

We meten de financiële toegankelijkheid aan de hand van de volgende indicatoren: 

  • het aandeel van de bevolking dat gedekt wordt door verplichte ziekteverzekering (A-1);
  • het belang van de eigen betalingen van de huishoudens voor de gezondheidszorg (A-2, A-3, A-10, A11);
  • het percentage personen die zorg hebben moeten uitstellen omwille van financiële redenen (A-4);
  • de toegankelijkheid tot de tarieven van geconventioneerde zorg voor huisartsen en tandartsen (A-12, A-13);
  • het belang van ereloonsupplementen (in % van de officiële erelonen) bij een ziekenhuisopname (klassiek of dagopname) (A-14);
  • catastrofale gezondheidsuitgaven (A-15). Deze indicator wordt beschikbaar in de loop van 2019. 

Bevolking gedekt door de verplichte ziekteverzekering (A-1)

Deze indicator geeft het percentage van de bevolking aan dat bij een mutualiteit is aangesloten en dus gedekt is door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

België heeft een verplichte ziekteverzekering die in principe de hele bevolking dekt: werknemers, zelfstandigen, ambtenaren, werklozen, gepensioneerden, mensen die een verhoogde tegemoetkoming ontvangen, gehandicapten, studenten, buitenlanders en alle personen die zij ten laste hebben.

RESULTATEN
  • 99% van de bevolking is gedekt door de ziekteverzekering (cijfers uit 2017).
  • Dit percentage is stabiel sinds 2009.
  • Mannen zijn iets minder gedekt dan vrouwen (98,7% versus 99,3%).

Opmerking: Mensen die niet verzekerd zijn, zijn niet noodzakelijkerwijs uitgesloten van (terugbetalingen in) de gezondheidszorg, omdat hun uitgaven meestal worden gedekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten (OCMW's).

  • Het percentage niet-verzekerde personen ligt hoger in Brussel (1,9%) dan in Vlaanderen (0,5%) of Wallonië (0,7%).
  • In de leeftijdscategorie 25-40 jaar stijgt het percentage niet-verzekerden tot boven de 2%.
  • Alle landen van de EU-15 hebben een dekkingsgraad tussen 99% en 100%, met uitzondering van Griekenland (86%), Duitsland (89,2%) en Luxemburg (95,2%). 

Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

Het belang van uitgaven die niet terugbetaald worden door de verplichte ziekteverzekering (eigen betalingen) (A-2, A-3, A-10, A-11)

Deze reeks indicatoren kwantificeert het belang van de uitgaven voor gezondheidszorg die niet door de verplichte ziekteverzekering worden gedekt en dus ten laste zijn van de patiënt :

  • Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt als percentage van de totale gezondheidsuitgaven (A-2)
    • Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt in KKP ($ KKP), een internationale eenheid waarmee landen met elkaar kunnen worden vergeleken, rekening houdend met de koopkracht van elk land (A-3);
      • Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt als percentage van de totale consumptie van huishoudens (gezondheid, voeding, onderdak, water, elektriciteit enz.)(A-10)
        •  Eigen betalingen voor tandheelkundige zorg, uitgedrukt in percentage van de totale uitgaven voor tandheelkundige zorg (A-11).  

        Welke kosten voor gezondheidszorg zijn ten laste van de patiënt?
        - Het remgeld = het persoonlijk aandeel van de patiënt in het officiële tarief voor een zorgprestatie die in het verzekerde pakket van de verplichte ziekteverzekering zit, met andere woorden het deel van het officiële honorariumbedrag van de zorgverleners (arts, tandarts, kinesist enz.) dat niet door de mutualiteit wordt terugbetaald.
        - De uitgaven voor (vrij verkrijgbare) geneesmiddelen en andere behandelingen die niet in het verzekerde pakket van de ziekteverzekering zitten.
        - De ereloonsupplementen die door niet-geconventioneerde zorgverleners worden aangerekend (voor ambulante zorg) alsook de supplementen (voor erelonen en kamer) bij een ziekenhuisopname in een éénpersoonskamer (de ereloonsupplementen bij een ziekenhuisopname in een tweepersoonskamer zijn afgeschaft in 2013 voor de traditionele ziekenhuisopnames en in 2015 voor dagopnames).

        RESULTATEN
        Eigen betalingen ten laste van de patiënt, uitgedrukt in % van de uitgaven voor gezondheidszorg (A-2)
        • De eigen betalingen zijn tussen 2004 en 2016 relatief stabiel gebleven en zijn zelfs lichtjes afgenomen (18,2% in 2004 en 15,9% in 2016). Het aandeel van de publieke financiering van de gezondheidszorg is daarentegen licht gestegen (zie ook de fiches over gezondheidsuitgaven, in de sectie duurzaamheid).
        • Op internationaal niveau zijn de eigen betalingen lager dan het gemiddelde van de EU-15 sinds 2013 (Figuren 2 en 3).
        • Het totale jaarlijkse bedrag aan eigen betalingen is tussen 2004 en 2014 gestegen van 4,93 miljard euro tot 7,09 miljard euro en vervolgens licht gedaald tot 6,73 miljard euro in 2016. Uitgedrukt per inwoner zijn de eigen betalingen gestegen van € 473,3 in 2004 tot € 632,9 per inwoner in 2014 en vervolgens lichtjes gedaald tot € 593,8 per inwoner in 2016.
        • Het bedrag van het remgeld ten laste van de patiënt, is vrij stabiel in vergelijking met de evolutie van de totale eigen betalingen. Eén van de verklaringen is dat de 'vangnetten' in het Belgische gezondheidszorgsysteem (de maximumfactuur, de verhoogde tegemoetkoming) tot doel hebben de patiënten te beschermen tegen buitensporige betalingen van remgeld, maar niet tegen andere eigen betalingen zoals voor vrij verkrijgbare geneesmiddelen of ereloonsupplementen (Figuur 1).
        • Naast de uitgaven die worden gedragen door publieke financiering (verplichte ziekteverzekering en andere overheidsuitgaven) en de door de patiënten, zijn er nog de uitgaven die worden gedekt door vrijwillige verzekeringen. Deze laatste zijn gestegen van € 132 per inwoner in 2004 tot € 189 per inwoner in 2016 (Figuur 1).
        Figuur 1 - Evolutie van de eigen betalingen van de patiënt voor gezondheid en gezondheidsuitgaven die door de vrijwillige verzekering worden gedekt, in miljoen €, 2004-2016
        Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018;>Assuralia 2018;na MAF = na terugbetaling door maximumfactuur
        Figuur 2 - Eigen betalingen voor gezondheid, als percentage van de totale gezondheidsuitgaven, internationale vergelijking, 2004-2016
        Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018
        Figuur 3 - Eigen betalingen voor gezondheid, als percentage van de totale gezondheidsuitgaven, internationale vergelijking, 2016
        Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018
        Eigen betalingen voor gezondheid, als percentage van de totale gezondheidsuitgaven
        Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt in KKP ($ KKP)(A-3)
        • Op internationaal niveau nemen de eigen betalingen per inwoner dat (uitgedrukt in $ KKP) lichtjes af sinds 2014 en is het vergelijkbaar met het Europese gemiddelde (739 $ KKP in België in 2016 in vergelijking met 732 $ KKP voor het Europese gemiddelde).
        Figuur 4 - Eigen betalingen voor gezondheid per capita, in US $ PPP, internationale vergelijking, 2004-2016
        Gegevensbron: SHA, OESO Health Statistics 2018
        Figuur 5 - Eigen betalingen voor gezondheid per capita, in US $ PPP, internationale vergelijking, 2016
        Gegevensbron: SHA, OECD Health Statistics 2018
        Eigen betalingen voor gezondheid per capita, in US $ PPP
        Eigen betalingen voor gezondheidszorg, uitgedrukt als percentage van de totale consumptie van huishoudens (A-10)
        • Volgens cijfers van de OESO bedroeg het aandeel van de totale consumptie van huishoudens in de gezondheidszorg 3,01% in 2016, tegenover 2,64% voor het EU-15-gemiddelde.
        • Uit het huishoudbudgetonderzoek bleek dat huishoudens met een hoog inkomen twee keer zoveel uitgeven aan gezondheidszorg dan huishoudens met een laag inkomen (in 2016 was dat € 2154 voor huishoudens met een hoog inkomen versus € 954 voor huishoudens met een laag inkomen).
          Eigen betalingen voor tandheelkundige zorg, uitgedrukt in percentage van de totale uitgaven voor tandheelkundige zorg (A-11)
          • Eigen betalingen voor tangheelkundige zorg zijn hoog. Hoewel het aandeel vergelijkbaar is met het Europese gemiddelde (57,6% in 2016 in vergelijking met 59,2% voor het Europese gemiddelde op basis van 10 landen), is het aanzienlijk hoger dan in de buurlanden zoals Duitsland (25,5%) en Nederland (21,7%).

          Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

          Uitstel van zorg om financiële redenen (A-4)

          Deze indicator rapporteert het aandeel huishoudens (hoofdindicator) / personen (secundaire indicator) die zelf aangeven dat ze gezondheidszorg hebben moeten uitstellen vanwege de kosten. De indicator is gebaseerd op gegevens uit officiële enquêtes op Belgisch en Europees niveau; het zijn cijfers die door de respondenten zelf worden gerapporteerd (self-reported).

          Hoofdindicator:

          De hoofdindicator (A-4) komt voort uit de Gezondheidsenquête van Sciensano, waarvan de meest recente editie in 2013 werd afgenomen. De volgende editie wordt aan het einde van 2019 gepubliceerd en op dat moment zal ook de indicator worden geactualiseerd.

          De vraag die aan de respondenten werd gesteld is: 'Is het de afgelopen 12 maanden voorgekomen dat u of iemand in uw huishouden de volgende zorgen nodig had, maar niet kon betalen (medische zorgen of een operatie; tandverzorging; voorgeschreven geneesmiddelen; een bril of contactlenzen; mentale zorgen, zoals van een psycholoog of psychiater)?'

          Secundaire indicator:

          Ook in de EUROSTAT-databank zijn er gegevens over uitstel van medische zorgen omwille van financiële redenen. Deze zijn gebaseerd op de enquête European Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC). Er wordt bevraagd of de respondent medische zorgen dan wel tandheelkundig onderzoek heeft uitgesteld en wat de belangrijkste reden van dit uitstel was (te hoge kosten, te grote afstand, wachttijden enz.). In de EU-SILC enquête wordt uitstel van zorg gevraagd op het niveau van het individu en niet het huishouden. De hoofdindicator en secundaire indicator geven dus andere informatie. Bovendien is het de secundaire indicator die gebruikt wordt voor de internationale vergelijking.  

          RESULTATEN
          Hoofdindicator - gezondheidsenquête 2013
          • In 2013 gaf 8% van de huishoudens aan dat ze zorg om financiële redenen moesten uitstellen.
            • De geografische verdeling van deze huishoudens is heel heterogeen: 22% van de Brusselse huishoudens zeiden dat ze zorg hebben moeten uitstellen ten opzichte van 9% in Wallonië en 5% in Vlaanderen.
              • Er is een duidelijk verband tussen het socio-economische profiel van het gezin (opleidingsniveau van het gezinshoofd en gezinsinkomen) en uitstel van zorg:
                • 12,5% van de huishoudens waarvan het gezinshoofd het laagste opleidingsniveau had, hebben zorg moeten uitstellen tegenover 6,2% van de huishoudens met het hoogste opleidingsniveau.
                  • 19% van de huishoudens met de laagste inkomens hebben zorg moeten uitstellen tegenover 3% van de huishoudens met de hoogste inkomens.  
                  Figuur 6 - Percentage van huishoudens die medische consumptie dienden uit te stellen omwille van financiële redenen, 1997-2013
                  Gegevensbron: Gezondheidsenquête, 1997-2013
                  Secundaire indicator -  EU-SILC (2017)
                  • Het percentage individuen (16 jaar en ouder) die rapporteren dat ze medische zorgen hadden uitgesteld en daarvoor de hoge kostprijs als belangrijkste reden gaven, is in de loop der tijd toegenomen van 0,5% in 2008 tot 2,2% in 2014 en vervolgens gestabiliseerd op ongeveer 2,0% in 2017 (Fig 7).
                    • Voor tandheelkundige zorg zien we dezelfde tendensen, maar zijn de percentages hoger: van 1,4% in 2008 tot 3,5% in 2017 (Fig 8).
                      • Zowel voor medische als voor tandheelkundige zorg zijn deze percentages hoger bij vrouwen dan bij mannen.
                        • Zowel voor medische als voor tandheelkundige zorg is dit percentage het hoogst in de categorie tussen 35 en 64 jaar; bij mensen die ouder zijn dan 65 jaar is het lager.
                          • Er zijn grote verschillen in functie van het inkomen. Voor medische zorg gaat dit van 0% van de bevolking die zorg uitstelt omwille van de kostprijs voor het kwintiel met de hoogste inkomens tot 6,7% voor het kwintiel met de laagste inkomens. Voor tandheelkundige zorg wordt de kloof nog groter, met 0,3% voor het kwintiel met de hoogste inkomens tot 10,5% voor het kwintiel met de laagste inkomens.
                            • In vergelijking met andere Europese landen, is het aandeel in België hoger (2,0%) dan het gemiddelde van 1,2% van de EU-15 (cijfers uit 2017, Fig 7). Alleen Griekenland doet het minder goed dan België (8,2% in Griekenland). Dit verschil is nog groter voor het laagste inkomenskwintiel (6,7% vergeleken met een EU-gemiddelde van 3,0% voor medische zorgen) en dit percentage neemt in de loop der jaren toe.
                              • Anderzijds is het aandeel van de uitgestelde tandheelkundige zorg in België (3,5%) eveneens hoger dan het EU-15-gemiddelde van 3,2% (cijfers van 2017, Fig 8).
                              Figuur 7 - Zelfgerapporteerde uitgestelde medisch onderzoek om financiële redenen (% van personen), internationale vergelijking, 2008-2017
                              Gegevensbron: Eurostat 2018 EU gemiddelde = Gebaseerd op 9 van de EU-15-landen waarvoor gegevens beschikbaar waren
                              Figuur 8 - Zelfgerapporteerde uitgestelde tandheelkundig onderzoek om financiële redenen (% van personen), internationale vergelijking, 2008-2017
                              Gegevensbron: Eurostat 2018 Gemiddelde EU = Gebaseerd op 13 van de EU-15-landen waarvoor gegevens beschikbaar waren

                              Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

                              Toegang tot tarieven voor geconventioneerde zorg (A-12, A-13)

                              Elk jaar (in principe) sluiten de zorgverleners overeenkomsten met de verzekeraars (bijv. artsen en tandartsen met mutualiteiten) waarin voor een bepaalde periode per prestatie het maximale honorarium wordt vastgesteld waarop zij aanspraak kunnen maken. Dit zorgt ervoor dat patiënten een zekerheid hebben over het aangerekende tarief, en ze bijgevolg van tevoren weten hoeveel ze moeten betalen voor hun consultaties en zorg, zonder bijkomende supplementen. Deze maatregel geldt echter alleen voor zorgverleners die deze overeenkomst hebben ondertekend (= die 'geconventioneerd' zijn). Telkens wanneer een nieuwe overeenkomst wordt opgesteld, beslist iedere zorgverlener of ze al dan niet opnieuw willen toetreden. In ruil voor het ondertekenen ontvangen zorgverleners bepaalde sociale voordelen.

                              De dichtheid van de geconventioneerde zorgverleners per provincie en arrondissement kan als maatstaf worden gebruikt voor zowel de financiële toegankelijkheid als de geografische toegankelijkheid van de gezondheidszorg. We hebben ervoor gekozen om deze dichtheid te meten voor de huisartsen en als secundaire indicator ook voor specialisten (vertegenwoordigd door gynaecologen) (A-12) en voor de tandartsen (A-13). Deze dichtheid wordt uitgedrukt in termen van voltijdequivalenten per 10 000 inwoners om de onderlinge vergelijking te vergemakkelijken.

                              RESULTATEN
                              dichtheid van geconventioneerde huisartsen (A-12)
                              • De dichtheid van geconventioneerde huisartsen is redelijk uniform.
                                • De dichtheid van de geconventioneerde gynaecologen is over het algemeen laag in België, met uitzondering van het arrondissement Bergen.
                                Dichtheid van de geconventioneerde tandartsen (A-13)
                                • De dichtheid van de geconventioneerde tandartsen is redelijk uniform (met lagere waardes in de arrondissement van Antwerpen, Veurne en Charleroi). 
                                Tabel 1 : Dichtheid van geconventioneerde practici (VTE), per provincie, voor 10 000 inwoners (2016)
                                Gegevensbron: RIZIV
                                ProvincieHuisartsenGynaecologenTandartsen
                                Antwerp 6,23 0,22  1,84
                                Brabant wallon 5,70 0,68 3,14
                                Brussel 4,95 0,52 4,29
                                Hainaut 6,02 0,51 2,50
                                Liège 7,47 0,31 4,81
                                Limburg 8,48 0,28 3,93
                                Luxembourg 6,85 0,08 3,57
                                Namur 8,33 0,26 2,84
                                Oost-Vlaanderen 7,80 0,22 2,99
                                Vlaams Brabant 7,26 0,48 3,32
                                West-Vlaanderen  8,03  0,17 3,01 

                                Tabel 2: Dichtheid van de actieve artsen (VTE) per specialiteiten (voor 10 000 inwoners)(2016)
                                Bron: RIZIV

                                 

                                Actieve artsen

                                Actieve artsen
                                (in VTE)

                                Geconventioneerde actieve
                                artsen (in VTE)

                                Huisartsen

                                12 929 (1,14)

                                8 988 (0,79)

                                7 719 (0,68)

                                Pediaters

                                1 532 (0,14)

                                952 (0,08)

                                824 (0,07)

                                Gynaecologen

                                1 462 (0,13)

                                948 (0,08)

                                369 (0,03)

                                Psychiaters

                                1 958 (0,17)

                                1 289 (0,11)

                                1 129 (0,10)

                                Medische specialisten

                                9 753 (0,86)

                                6 683 (0,59)

                                5 077 (0,45)

                                Chirurgische specialisten

                                6 719 (0,59)

                                4 678 (0,41)

                                3 202 (0,28)

                                Figuur 9 - Geconventioneerde praktiserende huisartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners, per district, 2016 
                                RIZIV
                                Geconventioneerde praktiserende huisartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners
                                Figuur 10 - Geconventioneerde gynecologen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners, per district, 2016
                                Gegevensbron: RIZIV
                                Geconventioneerde gynecologen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners
                                Figuur 11 - Geconventioneerde tandartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners, per district, 2016
                                Gegevensbron: RIZIV
                                Geconventioneerde tandartsen, in voltijdsequivalent (VTE) per 10 000 verzekerde inwoners

                                Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

                                Het aandeel van ereloonsupplementen (A-14)

                                In het Belgische ziekenhuissysteem mogen zorgverleners een extra vergoeding (ereloonsupplementen) aanrekenen aan patiënten die ervoor gekozen hebben om in een éénpersoonskamer te verblijven (met uitzondering van verblijven in éénpersoonskamer die het gevolg zijn van medische noodzaak of het niet beschikbaar zijn van een ander type kamer). Zo kunnen deze ziekenhuizen artsen aantrekken door hen aantrekkelijkere financiële voorwaarden aan te bieden. Daarnaast kunnen ziekenhuizen ook zelf beslissen om toeslagen (kamersupplementen) in rekening brengen voor de bezetting van een éénpersoonskamers. Vanaf 2010 (2015 voor dagopnames) zijn deze supplementen niet meer toegelaten in tweepersoonskamers. Sinds deze wijziging is het aantal gefactureerde toeslagen gedaald, maar is het bedrag van de supplementen op de factuur toegenomen.

                                De meeste hospitalisatieverzekeringen vergoeden - geheel of gedeeltelijk - de toeslagen die worden aangerekend aan patiënten die voor een éénpersoonskamer kiezen. In lijn met de stijging van de toeslagen stijgen ook de verzekeringspremies, waardoor deze voor sommige mensen onbetaalbaar zouden kunnen worden.

                                We stellen vast dat bepaalde ziekenhuizen systematisch éénpersoonskamers voorstellen aan hun patiënten. Deze tendens zou kunnen leiden tot een gezondheidssysteem op twee niveaus, met 'ziekenhuizen voor de rijken', waar meer éénpersoonskamers beschikbaar zijn, en 'ziekenhuizen voor de armen'. Daardoor hebben niet alle patiënten gelijke toegang tot zorg van gelijke kwaliteit.

                                RESULTATEN
                                • Voor een klassieke ziekenhuisopname vertegenwoordigde het totale bedrag aan ereloonsupplementen 20% van het totale bedrag aan erelonen dat in 2017 officieel werd gefactureerd, een snelle stijging ten opzicht van 2006 met een percentage van 14% en 2015 met een percentage 18% (figuur 12).
                                  • Voor een dagopname is het totale bedrag aan ereloonsupplementen licht gedaald, van 15% van het totale aantal officieel gefactureerde erelonen in 2015 tot 13% in 2017 (figuur 12). Deze daling is te verklaren door de afschaffing van de supplementen voor tweepersoonskamers, die voor dagopnames pas midden 2015 werd ingevoerd.
                                    • Op 11% van de prestaties (12% van de traditionele ziekenhuisopnames en 8% van de dagopnames) worden ereloonsupplementen aangerekend (tabel 3).
                                      • Sinds de afschaffing van supplementen voor tweepersoonskamers is het aantal patiënten die supplementen moesten betalen met 10,8% gedaald (klassieke ziekenhuisopnames en dagopnames gecombineerd). Deze daling geldt echter alleen voor 'lage' toeslagen (< € 1000). Het aantal patiënten met 'hoge' supplementen (> € 1000) is aanzienlijk toegenomen. Dat betekent dat er minder patiënten supplementen hoefden te betalen, maar dat het gemiddelde bedrag van de supplementen wel is toegenomen (tabel 4).
                                        • De regionale verschillen zijn beperkt: er worden supplementen aangerekend bij 14% van de ziekenhuisopnames in Vlaanderen, bij 13% in Wallonië en bij 17% in Brussel. De bedragen variëren echter aanzienlijk van regio tot regio, met een gemiddelde van € 800 in Vlaanderen, € 1350 in Wallonië en € 1700 in Brussel (zie technische fiche).
                                        Figuur 12 - Percentage van de totale massa gefactureerde ereloonsupplementen ten opzichte van de officiële gefactureerde erelonen – evolutie 2006-2015-2017
                                        Bron: IMA
                                        Tabel 3: Hoogte en frequentie van ereloonsupplementen (2017)
                                        Bron: RIZIV

                                         

                                        Officiële erelonen
                                        (millioen €)

                                        Gefactureerde
                                        ereloonsupplementen
                                        (millioen €)

                                        % gefactureerde ereloonsupplementen
                                        t.o.v. de gefactureerde officiële erelonen

                                        % gefactureerde
                                        ereloonsupplementen

                                                 

                                        Klassieke
                                        ziekenhuisopname

                                        2 431

                                        476

                                        20%

                                        12%

                                        Dagopname

                                        673

                                        87

                                        13%

                                        8%

                                        Totaal

                                        3 104

                                        563

                                        18%

                                        11%

                                         

                                        Tabel 4: Aantal patiënten geconfronteerd met ereloonsupplementen (2014-2017)
                                        Bron: RIZIV

                                         

                                        Aantal patiënten (meer dan een opname is mogelijk)

                                         

                                        2014

                                        2017

                                        Evolutie 2014-2017

                                        Alle opnames

                                        2 072 245

                                        2 146 435

                                        3,6%

                                        Zonder ereloonsupplementen

                                        1 598 822

                                        1 723 799

                                        7,8%

                                        Met ereloonsupplementen, waaronder :

                                        473 423

                                        422 636

                                        -10,7%

                                        0 tot 1 000€

                                        308 263

                                        236 639

                                        -23,2%

                                        1 000€ tot 3 000€

                                        135 128

                                        148 589

                                        10,0%

                                        3 000€ tot 5 000€

                                        19 864

                                        23 535

                                        18,5%

                                        5 000€ tot 10 000€

                                        8 270

                                        10 960

                                        32,5%

                                        10 000€ tot 30 000€

                                        1 874

                                        2 880

                                        53,7%

                                        30 000€ en meer

                                        24

                                        33

                                        37,5%

                                        Naar technische fiche en gedetailleerde resultaten

                                         

                                        Sciensano    KCE    Inami-Riziv SPF-FOD