Andere informatie en diensten van de overheid : www.belgium.be  belgium

Laatste nieuws

Covid 4948866 640

13.11.2020 Nieuwe COVID-19 pagina's !

Ontdek waar je epidemiologische informatie over COVID-19 kunt vinden.

Corona

11.03.2020 Uitbraak COVID-19

Na China en andere Aziatische landen, is Europa nu getroffen.

Mortality and Causes of Death

Ischemic heart disease is the main cause of death, while suicide is the main cause of potential years of life lost.

COVID-19-sterfte

1. COVID-19-sterfte

Achtergrond

COVID-19 is de ziekte veroorzaakt door het SARS-CoV-2-virus. De meest voorkomende symptomen zijn koorts, hoesten en kortademigheid. In 80% van de gevallen zijn de infecties mild. Het risico op het ontwikkelen van een ernstige infectie neemt aanzienlijk toe met de leeftijd en met onderliggende aandoeningen zoals hart-, long- of nierziekte, diabetes, immunosuppressie of een actieve kwaadaardige ziekte.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat “een sterfgeval als gevolg van COVID-19 voor surveillancedoeleinden wordt gedefinieerd als een overlijden als gevolg van een klinisch compatibele ziekte, in een waarschijnlijk of bevestigd COVID-19-geval, tenzij een duidelijke alternatieve doodsoorzaak die niet in verband kan worden gebracht met de ziekte van COVID (bv. trauma) ”[1]. Het ECDC heeft later ook deze inclusiecriteria overgenomen [2]. België heeft een bredere inclusiestrategie aangenomen voor de surveillance van sterfgevallen, waarbij ook sterfgevallen in mogelijke gevallen op basis van klinische symptomen worden gerapporteerd. De grondgedachte voor het verbreden van de gevalsdefinitie van een COVID-19-sterfte was de lage testcapaciteit tijdens de eerste weken van de epidemie, wat leidde tot een quasi-onmogelijkheid om een door het laboratorium bevestigde diagnose te krijgen voor patiënten in instellingen voor langdurige zorg (long-term care facilities, LTCF's). Als gevolg hiervan zou het monitoren van alleen sterfgevallen in bevestigde gevallen de ernst van de epidemie hebben verborgen. Er werden sterfgevallen gemeld in ziekenhuizen, LTCF's, en in de gemeenschap.

In tijden van pandemieën is de quasi-realtime monitoring van de mortaliteit essentieel. In België is de oorzaakspecifieke sterfteregistratie via overlijdensakten een tweejarig proces, dat niet geschikt was voor operationeel toezicht. Om deze reden is een ad-hocregistratie opgezet voor de quasi-realtime monitoring van de COVID-19-mortaliteit. Sterfgevallen in ziekenhuizen worden geregistreerd via de Hospital Surge Capacity-enquête die wordt beheerd door Sciensano. Sterfgevallen buiten het ziekenhuis (in woonzorgcentra, andere instellingen, thuis en andere plaatsen) worden via specifieke tools aan de regionale autoriteiten gemeld. Sciensano is verantwoordelijk voor het compileren van de informatie uit de verschillende databronnen. COVID-19-sterfgevallen kunnen alleen volledig worden gerapporteerd volgens plaats van overlijden, om redenen van beschikbaarheid van gegevens (de woonplaats was namelijk niet beschikbaar voor ziekenhuissterfgevallen tot 24/04). Wanneer plaats van residentie niet beschikbaar was, werden overlijdens ingedeeld volgens plaats van overlijden.

Aangezien de situatie voortdurend evolueert, biedt deze pagina eerst links naar de continue monitoring van de COVID-19-mortaliteit op de Sciensano-website. Daarna wordt de situatie in het jaar 2020 (10 maart - 31 december 2020) van de COVID-19-epidemie in België gepresenteerd. We gebruiken het aantal COVID-19-sterfgevallen en het bruto COVID-19 cumulatief sterftecijfer per miljoen inwoners uit de surveillance van Sciensano.

Er bestaan belangrijke beperkingen in de internationale vergelijkbaarheid van deze indicatoren. Vanwege belangrijke verschillen in overlijdensmeldingsmethoden tussen landen [3,4], is de gerapporteerde COVID-19-sterfte niet goed geschikt voor internationale vergelijkingen. In België worden inderdaad sterfgevallen in ziekenhuizen en daarbuiten geteld, bovendien worden sterfgevallen van patiënten met een positieve laboratoriumtest, een suggestieve CT-scan van de thorax, of klinische symptomen gemeld als overlijden door COVID-19, terwijl veel andere landen meer restrictief waren. Hier presenteren we het bruto COVID-19 cumulatief sterftecijfer per miljoen inwoners in geselecteerde landen voor internationale vergelijkingen (bron: rapport van ULB-VUB [5], obv originele ECDC-gegevens [6]). Omwille van de beperkingen, zullen we de COVID-19-sterftecijfers aanvullen met andere indicatoren (zie de sectie "oversterfte").

Continue opvolging van de COVID-19-sterfte

Gezien de constant evoluerende situatie, worden sterftecijfers elke dag bijgewerk op de website van Sciensano. Meer specifiek zijn de volgende bronnen beschikbaar:

  1. Dynamisch dashboard Epistat
  2. Rapporten met info over COVID-19-sterfte:
    1. Dagelijkse rapporten, de sectie "Evolutie van de COVID-19 mortaliteit" presenteert de belangrijkste indiatoren volgens gewest en hun evolutie
    2. Wekelijkse rapporten, de sectie "Evolutie van de COVID-19 mortaliteit" presenteert indicatoren van COVID-19-sterfte volgens gewest en provincie, terwijl de sectie "Surveillance van de mortaliteit" indicatoren presenteert rond de opvolging van algemene sterfte
    3. Sterfte in woonzorgcentra wordt gepresenteerd in het wekelijkse rapport rond de opvolging van COVID-19 in woonzorgcentra
  3. Open data zijn beschikbaar voor de belangrijkste indicatoren. Gegevens voor COVID-19-sterfte omvatten het aantal sterfgevallen volgens leeftijdsgroep, geslacht, datum van ovrelijden, en gewest.
  4. Veelgestelde vragen over de datacollectie worden beantwoord in een specifiek document.

COVID-19-sterfte, overzicht 2020

België

Het eerste COVID-19-overlijden in België vond plaats op 10 maart 2020. Op 31 december 2020 werden in België 19.588 sterfgevallen gemeld, wat neerkomt op een ruw cumulatief sterftecijfer van 1.704 per miljoen inwoners.

In 2020 kende de epidemie 2 golven; de eerste golf werd waargenomen van 10 maart tot 21 juni en het aantal sterfgevallen piekte op 8 april met 322 COVID-19-sterfgevallen. Na een intergolfperiode begon de tweede golf op 31 augustus met een piek op 10 november met 217 COVID-19-sterfgevallen, en was eind 2020 nog steeds aan de gang.

Aantal COVID-19-sterfgevallen volgens datum van overlijden en gewest*, 2020, België
Bron: COVID-19-sterftedatabase, Sciensano
* Sterftecijfers worden uitgedrukt per gewest van residentie, indien bekend (het gewest van overlijden wordt gebruikt als proxy indien onbekend)

Meer dan de helft van alle overleden personen was ouder dan 85 jaar.

  • Aantal sterfgevallen
  • Sterftecijfers

Aantal COVID-19-sterfgevallen volgens leeftijdsgroep en geslacht, 2020, België
Bron: COVID-19-sterftedatabase, Sciensano

Leeftijdsspecifieke COVID-19-sterftecijfers (per miljoen inwoners) volgens geslacht, 2020, België
Bron: COVID-19-sterftedatabase, Sciensano

Regionale verschillen

Er zijn matige regionale verschillen in COVID-19-sterftecijfers. Tijdens de eerste golf bedroegen de cumulatieve sterftecijfers per miljoen inwoners respectievelijk 1.171 in Brussel, 927 in Wallonië en 719 in Vlaanderen. Het hogere sterftecijfer in Brussel kan waarschijnlijk op de een of andere manier worden verklaard door een hogere concentratie van ziekenhuizen (aangezien het woongebied vaak onbekend was en tijdens de eerste golf werd vervangen door het gebied van overlijden). Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bestaat ook uitsluitend uit een grote stad, en het is bekend dat de hoge bevolkingsdichtheid de circulatie van het virus vergemakkelijkt.

Tijdens de tweede golf in 2020 bedroegen de cumulatieve sterftecijfers per miljoen inwoners respectievelijk 772 in Brussel, 1.107 in Wallonië en 714 in Vlaanderen. Wallonië werd zwaar getroffen in de tweede golf.

Internationale vergelijking eerste golf (geselecteerde landen)

België heeft internationaal de aandacht getrokken vanwege de hoge COVID-19-sterfte tijdens de eerste golf. België heeft inderdaad een van de hoogste cumumsterftecijfers in Europa. Vanwege de genoemde methodologische beperkingen moeten deze cijfers echter met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd. Andere indicatoren zijn meer geschikt voor vergelijkingen tussen verschillende landen (zie de sectie "algemene oversterfte"). Een vergelijking van COVID-19-mortaliteit en oversterfte werd gemaakt in een ULB-VUB-rapport over een selectie van landen in de buurt van België. Momenteel is deze vergelijking alleen voor de eerste golf gepubliceerd.

Cumulatief COVID-19-sterftecijfer (per miljoen inwoners), 15/02 tot 29/06, geselecteerde landen
Bron: ULB-VUB rapport over COVID-19-sterfte [5], sterftedata onttrokken aan ECDC [6]

Internationale epidemiologische data zijn beschikbaar op verschillende platformen:

2. Oversterfte

Achtergrond

Om de impact van COVID-19 op de mortaliteit te meten, is aanbevolen [5,7] om de algemene oversterfte te gebruiken om:

  • De globale impact van COVID-19 op de sterftelast te meten;
  • Internationale vergelijkingen toe te laten die minder vertekend zijn dan die op basis van de COVID-19-mortaliteit; en
  • De rapportering van de COVID-19-sterfte via het ad hoc surveillancesysteem te beoordelen.

Het aantal sterfgevallen in België wordt bijna in realtime geregistreerd door het Belgisch Rijksregister (95% van de sterfgevallen in 3 weken). Deze informatie bevat echter niet de doodsoorzaak, die slechts na 2 jaar beschikbaar komt. De informatie wordt via het Be-MOMO-project naar Sciensano gestuurd.

Het Be-MOMO-project (Belgische mortaliteitsmonitoring) is een wekelijkse opvolging van de algemene sterfte door Sciensano. Het mortaliteitsmonitoringsmodel is een hulpmiddel voor snelle detectie en kwantificering van ongebruikelijke sterfte (die het gevolg kan zijn van ziekte-epidemieën zoals griep of van extreme omgevingscondities zoals hitte, koudegolven of milieuverontreiniging). Een tijdige beoordeling van de impact van bepaalde gebeurtenissen op de mortaliteit kan nuttig zijn als leidraad voor volksgezondheidsmaatregelen, bv. vaccinaties tegen influenza en het nationale hitte-actieplan [8].

Het model voorspelt het dagelijks verwachte aantal sterfgevallen samen met een voorspellingsinterval, door de sterftegegevens van de afgelopen 5 jaar en voorbije epidemische seizoenen en extreme milieugebeurtenissen (koude en hittegolven en luchtverontreiniging) te modelleren. Wanneer het aantal waargenomen sterfgevallen de bovengrens van de voorspelling overschrijdt, is er een significante oversterfte voor deze dag, waardoor de correlaties tussen sterfte-afwijkingen en die gebeurtenissen kunnen worden gevisualiseerd [8,9]. De wekelijks bijgewerkte cijfers van Be-MOMO zijn te vinden op Epistat.

In 2020 berekenden zowel Be-MOMO als Statbel de oversterfte, met iets andere methoden, maar met zeer vergelijkbare resultaten [5,10]. In tegenstelling tot Statbel omvat Be-MOMO ook niet de sterfgevallen van burgers die in het buitenland hebben plaatsgevonden.

In dit rapport gebruiken we de volgende indicatoren en databronnen:

Voor België:

  • Algemene oversterfte voor de eerste en tweede golf, berekend door Be-MOMO, uitgedrukt als een “P-score
  • Vergelijking tussen de oversterfte en de COVID-19-sterfte tijdens de eerste golf

Voor internationale vergelijkingen:

Momenteel zijn internationale vergelijkingen alleen gepubliceerd voor de eerste golf. We zullen geselecteerde internationale en regionale vergelijkingen gebruiken uit het mortaliteitsrapport van de ULB-VUB [5]. De onderzoekers hebben enkele EU-landen geselecteerd op basis van de relevantie van de vergelijking met België. De oorspronkelijke gegevens waren afkomstig van ECDC [6] en ONS-UK [10].

Algemene oversterfte

Volgens Be-MOMO waren er 17.955 extra sterfgevallen in 2020. Dit kan worden verklaard door 19.588 COVID-19-sterfgevallen in 2020 en extra sterfte tijdens de hittegolf van augustus met 1.503 extra sterfgevallen [11]. Het verschil tussen extra sterfgevallen enerzijds en sterfte door COVID-19 en de hittegolf anderzijds wordt verklaard door het feit dat een deel van de COVID-19-sterfgevallen plaatsvond bij mensen die toch binnen een jaar zouden zijn overleden, en een klein deel van de sterfgevallen is waarschijnlijk voorkomen door lockdown-maatregelen. Een meer gedetailleerde analyse is alleen mogelijk als er informatie over de doodsoorzaken beschikbaar is.

Een oversterfte werd waargenomen in Be-MOMO tijdens de eerste golf van de COVID-19-epidemie van week 12 van 2020 (beginnend op 16/3/2020) tot week 19 (eindigend op 10/05/2020) en tijdens de tweede golf van week 43 (start 19/10/2020) tot week 52 (eindigend 27/12/2020). Dit is een goede indicator van de algemene impact van de COVID-19 op de mortaliteit.

  • Eerste golf
  • Tweede golf

Aantal sterfgevallen door alle oorzaken per week, eerste golf, België
Bron: Be-MOMO [8], Sciensano
ExcessMort_1wave_EN.PNG

Aantal sterfgevallen door alle oorzaken per week, tweede golf, België
Bron: Be-MOMO [8], Sciensano
ExcessMort 2wave EN

Vergelijking oversterfte en COVID-19-sterfte

Tijdens de eerste golf was er een heel goede correlatie (91%) tussen de algemene oversterfte en de COVID-19-sterfte. Dit was een belangrijke externe validatie van de Belgische inclusiecriteria voor COVID-19-sterfgevallen [7].

Verwacht aantal sterfgevallen en betrouwbaarheidsintervallen, waargenomen aantal sterfgevallen, en COVID-19-sterfgevallen in 2020, België
Bron: Be-MOMO [8] en COVID-19-sterftedatabase, Sciensano

 

Grafiek gemaakt door Mathias Leroy.
Voor beste kwaliteit, gelieve Firefox, Chrome of Microsoft Edge browsers te gebruiken

Internationale vergelijking eerste golf (geselecteerde landen)

Vanwege de eerder genoemde methodologische problemen, is de algemene oversterfte tijdens de eerste COVID-19-golf een geschiktere indicator dan de specifieke COVID-19-sterfte voor internationale vergelijkingen van de impact van de COVID-19. Met behulp van deze indicator hebben het VK, Spanje en Italië de hoogste sterftecijfers in de selectie van landen. Tot dusver werd deze vergelijking nog niet gemaakt voor de tweede golf.

Cumulatief oversterftecijfer (per miljoen inwoners), tijdens de respectievelijke periodes van oversterfte, geselecteerde landen
Bron: ULB-VUB rapport over COVID-19-sterfte [5], sterftedata onttrokken aan ECDC [6]
Meer informatie

Definities

P-score
De p-score is een maat voor oversterfte. Het wordt berekend als het aantal extra sterfgevallen (waargenomen sterfgevallen - verwachte sterfgevallen) gedeeld door het aantal verwachte sterfgevallen * 100.

Referenties

  1. WHO. International guidelines for certification and classification (coding) of COVID-19 as cause of death. WHO; 2020 Apr. Report No.: WHO/HQ/DDI/DNA/CAT.
  2. ECDC. Case definition for coronavirus disease 2019 (COVID-19), as of 5 May 2020. European Centre for Disease Prevention and Control. https://www.ecdc.europa.eu/en/covid-19/surveillance/case-definition
  3. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Weekly surveillance report on COVID-19, Week 24, 2020. https://covid19-surveillance-report.ecdc.europa.eu/#4_severity
  4. Institut national d’études démographiques (Ined). The demography of COVID-19 deaths - Seven data-related key issues. Ined - Institut national d’études démographiques. https://dc-covid.site.ined.fr/en/presentation/
  5. Lagasse R, Deboosere P. Évaluation épidémiologique de l’impact du Covid-19 en Belgique à la date du 15 juillet 2020 - Page 48. Brussels; 2020. https://esp.ulb.be/fr/les-actus/l-esp-dans-les-medias/rapport-d-analyse-de-l-epidemie-covid-19-n-ii
  6. ECDC. Daily number of new reported cases of COVID-19 by country worldwide. European Centre for Disease Prevention and Control. https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/download-todays-data-geographic-distribution-covid-19-cases-worldwide
  7. Bustos Sierra N, Bossuyt N, Braeye T, Leroy M, Moyersoen I, Peeters I, et al. All-cause mortality supports the COVID-19 mortality Belgium: comparison with major fatal events of the last century. Submitted.
  8. Leroy M, Dupont Y, Braeye T, Bossuyt N, Bustos Sierra N. Epistat – Belgian Mortality Monitoring (Be-MOMO). https://epistat.wiv-isp.be/momo/
  9. Cox B, Wuillaume F, Van Oyen H, Maes S. Monitoring of all-cause mortality in Belgium (Be-MOMO): a new and automated system for the early detection and quantification of the mortality impact of public health events. Int J Public Health. 2010 Aug 1;55(4):251–9.
  10. Campbell A, Morgan E. Comparisons of all-cause mortality between European countries and regions.
  11. Sciensano. Analyse van de oversterfte gelinkt aan COVID-19 in 2020. https://www.sciensano.be/nl/pershoek/analyse-van-de-oversterfte-gelinkt-aan-covid-19-2020

Vroegtijdige sterfte naar doodsoorzaak

1. Kernboodschappen

De oorzaken van vroegtijdige sterfte (vóór de leeftijd van 75) met de hoogste impact in termen van verloren levensjaren, zijn als volgt:
  • zelfmoord, longkanker, en coronaire hartziekte, bij mannen
  • borstkanker, longkanker, en zelfmoord, bij vrouwen.
De meeste oorzaken van vroegtijdige sterfte zijn tussen 2000 en 2016 in belang afgenomen. Dit is in het bijzonder het geval voor coronaire hartziekte en verkeersongevallen, die bij beide geslachten met meer dan 50% zijn afgenomen. Uitzonderingen op deze algemene tendens zijn longkanker en chronisch obstructief longlijden (COPD) bij vrouwen, die de afgelopen jaren stelselmatig zijn toegenomen.

2. Achtergrond

Het kader dat hier gebruikt wordt om doodsoorzaken te analyseren is de Internationale Classificatie van Ziekten, 10de editie (ICD-10) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). In dit rapport wordt sterfte geanalyseerd op basis van de onderliggende doodsoorzaak, zoals aangegeven op de overlijdensakte. De onderliggende doodsoorzaak heeft in de regel de voorkeur boven de onmiddellijke doodsoorzaak en de bijdragende doodsoorzaken, omdat vanuit een volksgezondheidsperspectief het doel is om de keten van gebeurtenissen die tot de dood leiden te doorbreken en de onderliggende oorzaak te voorkomen [1].

In een eerste stap worden de oorzaken van algemene sterfte (alle leeftijden) beschreven volgens de ICD-10-hoofdstukken; met andere woorden, op basis van de eerste letter van de ICD-10 codes. In een tweede stap worden de 10 belangrijkste specifieke doodsoorzaken voor België en voor de gewesten besproken.

Vroegtijdige sterfte verwijst naar sterfgevallen die te vroeg plaatsvinden, dat wil zeggen op elke leeftijd lager dan de levensverwachting. Verschillende drempels kunnen worden gebruikt bij de definitie van deze indicator. In dit rapport wordt de vroegtijdige sterfte vóór de leeftijd van 75 jaar beschouwd. Het verminderen van vroegtijdige sterfte is een belangrijke doelstelling van de volksgezondheid aangezien een groot aandeel van de vroegtijdige sterfgevallen vermeden worden door acties op het gebied van het gezondheidszorgsysteem en de volksgezondheid. De rangschikking van de oorzaken van vroegtijdige sterfte is bijgevolg een zeer belangrijk instrument om prioriteiten voor het gezondheidsbeleid vast te kunnen stellen.

De vroegtijdige sterfte naar oorzaak kan worden gemeten met behulp van:

  • Vroegtijdige sterftecijfers, die de frequentie van sterfgevallen voor de leeftijd van 75 meten als gevolg van een specifieke aandoening, per 100.000 mensen jonger dan 75. Deze indicator maakt het mogelijk om de frequentie van verschillende doodsoorzaken te vergelijken.
  • Verloren Potentiële Levensjaren (VPLJ), die sterfgevallen wegen in functie van de leeftijd van sterfte. VPLJ maken het mogelijk om doodsoorzaken te vergelijken op basis van hun ziektelast, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de frequentie als de leeftijd van overlijden [2]. In een rangschikking op basis van VPLJ zullen bvb uitwendige oorzaken hoger scoren, omdat deze meestal op jongere leeftijd voorkomen dan sterfgevallen als gevolg van chronische ziekten.

In deze sectie zijn beide indicatoren gecorrigeerd voor leeftijd, met de Europease standaardpopulatie 2010 als referentie. Hierdoor wordt het effect van verschillen in leeftijdsstructuur tussen populaties en over tijd geëlimineerd.

3. België

De meeste vroegtijdige sterftes worden veroorzaakt door nieuwvormingen, hart- en vaatziekten, en uitwendige oorzaken

Bij zowel mannen als vrouwen worden bijna 70% van alle vroegtijdige sterftes veroorzaakt door dezelfde drie groepen van doodsoorzaken:

  • Nieuwvormingen, voornamelijk kankers
  • Hart- en vaatziekten
  • Uitwendige oorzaken, voornamelijk zelfmoord en verkeersongevallen.

Het aandeel van nieuwvormingen onder alle vroegtijdige sterfgevallen is hoger bij vrouwen dan bij mannen. Omgekeerd is het aandeel van hart- en vaatziekten en uitwendige oorzaken hoger bij mannen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verdeling van de oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*), België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie


Verdeling van de oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*), België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Top 10 van de specifieke oorzaken van vroegtijdige sterfte

In termen van vroegtijdige sterftecijfers, zijn de meest frequente oorzaken van vroegtijdige sterfte:

  • bij mannen: longkanker, coronaire hartziekte, en zelfmoord
  • bij vrouwen: longkanker, borstkanker, en cerebrovasculaire aandoeningen

In termen van VPLJ wordt de hoogste ziektelast door vroegtijdige sterfte veroorzaakt door:

  • Bij mannen: zelfmoord, longkanker, coronaire hartziekte, en verkeersongevallen
  • Bij vrouwen: borstkanker, longkanker, zelfmoord, en cerebrovasculaire aandoeningen
  • Mannen
  • Vrouwen

Top 10 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Top 10 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

 

  • Mannen
  • Vrouwen

Top 10 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerde (*) Verloren Potentiële Levensjaren, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Top 10 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerde (*) Verloren Potentiële Levensjaren, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Trends: Verbeteringen voor de meeste doodsoorzaken, verergering van longkanker bij vrouwen

Alle oorzaken van vroegtijdige sterfte nemen in de loop van de tijd af (of blijven minstens stabiel). Bijvoorbeeld:

  • de vroegtijdige sterfte door coronaire hartziekte daalde spectaculair bij beide geslachten tijdens de periode 2000-2016, met een afname van meer dan 50% van de voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers
  • hetzelfde werd waargenomen voor cerebrovasculaire aandoeningen
  • vroegtijdige sterftecijfers voor longkanker zijn ook aanzienlijk gedaald bij mannen (afname van 39%).

Sinds 2000 is de vroegtijdige sterfte door longkanker echter met 55% toegenomen bij vrouwen. Het is hierdoor gestegen van de vierde naar de eerste plaats in de rangschakking van doodsoorzaken, net na borstkanker. Er werd daarnaast bij vrouwen ook een lichte toename waargenomen voor chronisch obstructief longlijden (COPD).

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij mannen, België, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij vrouwen, België, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

4. Gewesten

Aanhoudende verschillen tussen gewesten, met lagere vroegtijdige sterftecijfers voor de meeste doodsoorzaken in Vlaanderen

Bij mannen zijn de vroegtijdige sterftecijfers voor de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte hoger in het Waalse Gewest dan in het Vlaamse Gewest. De verhouding Wallonië versus Vlaanderen (W / F) van de sterftecijfers is in het bijzonder hoog voor chronische leverziekten (verhouding 1,7), coronaire hartziekte (1,6) en COPD (1,5). De verschillen tussen Brussel en Vlaanderen (Bx / F) zijn minder uitgesproken, met de hoogste verhouding voor COPD (1,5) en chronische leverziekten (1,4). De verhouding Bx / F is echter hoger dan de verhouding W / F voor cerebrovasculaire aandoeningen en arteriële hypertensie (1,4). De lage zelfmoordsterfte in Brussel is waarschijnlijk een artefact, te wijten aan vertragingen in de bevestiging van zelfmoordgevallen.

Bij vrouwen, net als bij mannen, zijn de vroegtijdige sterftecijfers hoger in Wallonië dan in Vlaanderen voor de 6 belangrijskte oorzaken van vroegtijdige sterfte, behalve voor borstkanker. De hoogste W / F verhoudingen worden waargenomen voor coronaire hartziekte (1,9) en COPD (1,5). De Bx / F verhoudingen zijn minder uitgesproken, en de hoogste verhoudingen worden waargenomen voor coronaire hartziekten (1,5) en cerebrovasculaire aandoeningen (1,2). Net als voor mannen is het zelfmoordsterftecijfer in Brussel onderschat.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verhoudingen tussen de gewesten van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (met het Vlaamse Gewest als referentie), bij mannen, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
Noot: De sterftecijfers voor zelfmoord in Brussel zijn onderschat, en daarom niet weergegeven

Verhoudingen tussen de gewesten van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (met het Vlaamse Gewest als referentie), bij vrouwen, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
Noot: De sterftecijfers voor zelfmoord in Brussel zijn onderschat, en daarom niet weergegeven

Rangschikking

Longkanker is de meest voorkomende oorzaak van vroegtijdige sterfte in alle gewesten, en sinds 2015 is dit ook het geval voor beide geslachten afzonderlijk (in termen van sterftecijfer). De doodsoorzaken op de tweede plaats zijn eveneens dezelfde in alle gewesten: coronaire hartziekte bij mannen en borstkanker bij vrouwen. De derde belangrijkste doodsoorzaak is:

  • bij mannen: zelfmoord in Wallonië en Vlaanderen, en COPD in Brussel
  • bij vrouwen: cerebrovasculaire aandoeningen in Vlaanderen en Brussel, en coronaire hartziekte in Wallonië.

In termen van Verloren Potentiële Levensjaren (VPLJ):

  • bij mannen: zelfmoord staat op de eerste plaats in Vlaanderen en Wallonië, gevolgd door longkanker en coronaire hartziekte; in Brussel staat longkanker op de eerste plaats, gevolgd door zelfmoord en coronaire hartziekte
  • bij vrouwen: borstkanker staat op de eerste plaats in Vlaanderen en Brussel, gevolgd door longkanker en zelfmoord; in Wallonië staat longkanker op de eerste plaats, gevolgd door borstkanker en zelfmoord

Het is interessant om op te merken dat verkeersongevallen vrij hoog scoren bij mannen, zelfs al is het vroegtijdig sterftecijfer vrij laag.

De zelfmoordsterftecijfers in Brussel zijn onderschat door vertragingen in de bevestiging van zelfmoordgevallen.

Rangschikking van de belangrijkste oorzaken van sterfte volgens vroegtijdig sterftecijfer en verloren potentiële levensjaren (VPLJ), volgens geslacht en gewest, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
Mannen Rangschikking volgens vroegtijdig sterftecijfer Rangschikking volgens VPLJ
Doodsoorzaak Vlaanderen Brussel Wallonië Vlaanderen Brussel Wallonië
Longkanker 1 1 1 2 1 2
Coronaire hartziekte
2 2 2 3 3 3
Zelfmoord 3 5 3 1 2 1
Cerebrovasculaire aandoeningen en hoge bloeddruk 4 4 6 5 5 7
Chronisch obstructief longlijden (COPD) 5 3 4 10 6 6
Colorectale kanker 6 8 7 8 8 8
Chronische leverziekten
7 6 5 6 4 5
Verkeersongevallen 13 23 11 4 12 4
             
Vrouwen Rangschikking volgens vroegtijdig sterftecijfer Rangschikking volgens VPLJ
Doodsoorzaak Vlaanderen Brussel Wallonië Vlaanderen Brussel Wallonië
Longkanker 1 1 1 2 2 1
Borstkanker 2 2 2 1 1 2
Cerebrovasculaire aandoeningen en hoge bloeddruk 3 3 4 4 4 4
Chronisch obstructief longlijden (COPD) 4 5 5 8 7 6
Zelfmoord 5 10 6 3 3 3
Colorectale kanker 6 6 7 5 11 10
Coronaire hartziekte 7 4 3 11 5 5
Chronische leverziekten 10 9 11 6 6 9

Trends

Voor de meeste doodsoorzaken zijn de vroegtijdige sterftecijfers hoger in Wallonië dan in Vlaanderen. De evoluties van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte zijn gelijkaardig in de drie gewesten. We concentreren ons daarom hier op een aantal regionale bijzonderheden.

1. Het vroegtijdig sterftecijfer voor longkanker is in de drie gewesten in de periode 2000-2016 gedaald bij mannen (-40% in Brussel en Vlaanderen en -33% in Wallonië). Die sterftecijfers zijn de hele periode hoger gebleven in Wallonië dan in Vlaanderen. Voor vrouwen zijn de sterftecijfers echter gestaag gestegen in Vlaanderen en Wallonië, terwijl ze sinds 2006 stabiel gebleven zijn in Brussel. Vrouwen in Brussel hadden eerder de hoogste vroegtijdige sterftecijfers voor longkanker, maar worden sinds 2010 ingehaald door Wallonië.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van longkanker bij mannen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van longkanker bij vrouwen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

2. Het vroegtijdig sterftecijfer voor coronaire hartziekte is sneller gedaald in Vlaanderen (-65% bij mannen en -71% bij vrouwen) dan in Wallonië (-52% bij beide geslachten). Dit heeft geleid tot een toenemende kloof tussen beide gewesten.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van coronaire hartziekte bij mannen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van coronaire hartziekte bij vrouwen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

3. Het vroegtijdig sterftecijfer voor zelfmoord is zowel in Vlaanderen als in Wallonië gedaald bij mannen (vanaf 2008). Bij vrouwen bleef het zelfmoordsterftecijfer in beide gewesten eerder stabiel, maar dan wel op een veel lager niveau dan bij mannen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van zelfmoord bij mannen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie
Noot: de lage zelfmoordcijfers in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn artefacten en worden daarom niet weergegeven

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van zelfmoord bij vrouwen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie
Noot: de lage zelfmoordcijfers in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn artefacten en worden daarom niet weergegeven

4. Het vroegtijdig sterftecijfer voor COPD is bij mannen in de periode 2000-2016 met 42% gedaald in Vlaanderen en Wallonië en met 30% in Brussel. De sterftecijfers voor COPD bij vrouwen zijn in dezelfde periode daarentegen gestegen in Vlaanderen en Wallonië.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van COPD bij mannen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van COPD bij vrouwen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

5. Het vroegtijdig sterftecijfer voor colorectale kanker was vroeger hoger in Vlaanderen dan in de andere gewesten. Het sterftecijfer is echter sneller gedaald in Vlaanderen (-46% voor mannen en -37% voor vrouwen) dan in Wallonië (-10% bij mannen en -7% bij vrouwen), waardoor Wallonië in 2016 het hoogste vroegtijdig sterftecijfer kende.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van colorectale kanker bij mannen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie


Voor leeftijd gecorrigeerd (*) vroegtijdig sterftecijfer van colorectale kanker bij vrouwen, volgens gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie


5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Statbel: Doodsoorzaken

Sciensano: Standardized Procedures for Mortality Analysis (SPMA)

WHO: ICD-10

Definities

Bruto sterftecijfer
Het bruto sterftecijfer geeft het aantal geregistreerde sterfgevallen in een land weer gedeeld door de overeenkomstige populatiegrootte.
Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer
De voor leeftijd gecorrigeerde sterfte geeft het volgens leeftijd gewogen gemiddelde sterftecijfer weer en kan zo de verschillen te wijten aan de leeftijdsstructuur van de bevolking opvangen.
International Classification of Disease, 10th edition (ICD-10)
De Internationale Classificatie van Ziekten is een internationaal coderingssysteem voor ziekten en voor een zeer grote verscheidenheid aan tekenen, symptomen, letsels, vergiftigingen, sociale omstandigheden en externe oorzaken van letsel of ziekte.
Verloren potentiële levensjaren (VPLJ)
Verloren potentiële levensjaren (VPLJ) meten het aantal verloren levensjaren als gevolg van vroegtijdig overlijden. VPLJ geven een hoger gewicht aan sterfgevallen die voorkomen bij jongere dan bij oudere mensen. De berekening van VPLJ bestaat uit het optellen van sterfgevallen op elke leeftijd en het vermenigvuldigen ervan met het aantal resterende jaren tot een bepaalde leeftijd (hier, 75 jaar). Leeftijdsspecifieke VPLJ (per 100.000) worden berekend door het aantal VPLJ in een bepaalde leeftijdsgroep te delen door het aantal personen in die leeftijdsgroep. De voor leeftijd gecorrigeerde VPLJ (per 100.000) worden vervolgens berekend als het gewogen gemiddelde van de leeftijdsspecifieke VPLJ tot de leeftijd van 75 jaar.
Vroegtijdig sterftecijfer
Vroegtijdige sterfte wordt hier gedefinieerd als sterfgevallen vóór de leeftijd van 75. Het voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdig sterftecijfer wordt berekend als het gewogen gemiddelde van leeftijdsspecifieke sterftecijfers voor de leeftijd van 75.
Onderliggende doodsoorzaak
De ziekte of verwonding die de keten van ziektegebeurtenissen heeft veroorzaakt die rechtstreeks tot de dood heeft geleid, of de omstandigheden van het ongeval of geweld dat de dodelijke verwonding heeft veroorzaakt.
Nieuwvormingen
Ook gekend als "tumoren". De groep van nieuwvormingen bestaat voor 95% uit kwaadaardige nieuwvormingen of kankers; de rest zijn tumoren van goedaardige of onbepaalde aard.

Referenties

  1. World Health Organization. International statistical classification of diseases and related health problems 10th. 2016.
  2. Gardner JW, Sanborn JS. Years of Potential Life Lost (YPLL). What Does it Measure? Epidemiol 1990;1:322-9.

Vroegtijdige sterfte

1. Kernboodschappen

In 2016 bedroeg het vroegtijdig sterftecijfer (voor 75 jaar) in België 350 per 100.000.
Tussen 2000 en 2016 is het vroegtijdig sterftecijfer met 27% gedaald. België heeft echter een slechte positie binnen de EU-15, met een totaal aan verloren potentiële levensjaren dat 8% hoger is dan het EU-15-gemiddelde bij mannen en 13% bij vrouwen. Vroegtijdige sterfte is 1,8 keer hoger bij mannen dan bij vrouwen.
Het vroegtijdig sterftecijfer is lager in het Vlaamse Gewest dan in de twee andere gewesten, met cijfers die respectievelijk 40% en 20% hoger liggen in het Waalse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dan in het Vlaamse Gewest. Vroegtijdige sterfte neemt af in alle gewesten, maar de ongelijkheden persisteren.

2. Achtergrond

Vroegtijdige sterfte verwijst naar sterfgevallen die te vroeg plaatsvinden, dat wil zeggen op elke leeftijd lager dan de levensverwachting. Verschillende drempels kunnen worden gebruikt bij de definitie van deze indicator. In dit rapport wordt de vroegtijdige sterfte vóór de leeftijd van 75 jaar beschouwd. Het verminderen van vroegtijdige sterfte is een belangrijke doelstelling van de volksgezondheid aangezien een groot aandeel van de vroegtijdige sterfgevallen vermeden worden door acties op het gebied van de volksgezondheid.

Het bruto sterftecijfer is het aantal sterfgevallen in een bepaald jaar gedeeld door de populatiegrootte. Deze indicator is echter niet zo geschikt om de gezondheid op te volgen, omdat sterfte sterk gerelateerd is met leeftijd. Bruto sterftecijfers in verouderende populaties kunnen daarom toenemen, ook al zou de gezondheidstoestand verbeteren. Om vergelijking van sterfte-indicatoren tussen verschillende populaties of tijdsperioden mogelijk te maken, dient bijgevolg gebruik gemaakt te worden van schatters die gecorrigeerd zijn voor de leeftijdssamenstelling van de betrokken populaties. In dit rapport worden daarom ook voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers gebruikt, waarbij de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie werd gebruikt.

Naast het leeftijdsspecifieke sterftecijfer, kan de vroegtijdige sterfte ook beschreven worden aan de hand van het verlies aan potentiële levensjaren (VPLJ). Deze indicator weegt elk overlijden in functie van de leeftijd waarbij een groter gewicht wordt toegekend aan jongere leeftijden (het gewicht wordt berekend door 75 te verminderen met de leeftijd bij overlijden). In dit rapport wordt het VPLJ gebruikt om een vergelijking met andere landen mogelijk te maken. Deze indicator wordt gecorrigeerd op basis van leeftijd om de impact van verschillende leeftijdsstructuren op te vangen.

3. België

In 2016 bedroeg het bruto vroegtijdige sterftecijfer (0-75 jaar) 331 / 100.000 en het voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdige sterftecijfer 350 / 100.000. Het voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfer was 1,8 keer hoger bij mannen (452) dan bij vrouwen (254). De sterftecijfers nemen in de loop van de tijd af; de daling is meer uitgesproken bij mannen (-31% tussen 2000 en 2016) dan bij vrouwen (-22%).

4. Gewesten

Er bestaan belangrijke verschillen in vroegtijdige sterfte tussen de drie gewesten. In vergelijking met het Vlaamse Gewest, worden de volgende verschillen waargenomen:

  • 44% hoger bij mannen en 36% hoger bij vrouwen in het Waalse Gewest
  • 27% hoger bij mannen en 14% hoger bij vrouwen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De vroegtijdige sterftecijfers nemen in alle drie de gewesten in dezelfde mate af, waardoor de verschillen tussen Vlaanderen en de twee andere gewesten blijven bestaan.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (*) bij mannen, in België en per gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (*) bij vrouwen, in België en per gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

5. Districten

Kijkend naar een lager geografisch niveau, is het vrij duidelijk dat de meeste Vlaamse districten voor beide geslachten (hoewel minder uitgesproken bij vrouwen) een lager vroegtijdig sterftecijfer ervaren dan het Belgische gemiddelde. Het omgekeerde wordt waargenomen in Brussel en alle Waalse districten (behalve Nijvel voor beide geslachten). De hoogste vroegtijdig sterftecijfers bij mannen worden waargenomen in drie districten van de provincie Henegouwen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (°) bij mannen, volgens district, 2010-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(°) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie; (*) significant verschillend van het gemiddelde (p<0.05); (***) significant verschillend van het gemiddelde (p<0.05) na Bonferroni-correctie

Premature mortality in men BE 2010 2016

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (°) bij vrouwen, volgens district, 2010-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(°) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie; (*) significant verschillend van het gemiddelde (p<0.05); (***) significant verschillend van het gemiddelde (p<0.05) na Bonferroni-correctie

Preamture mortality women BE 2010 2016

6. Internationale vergelijking

Voor de internationale vergelijking van de vroegtijdige sterfte werd het verlies aan potentiële levensjaren (VPLJ) als indicator gebruikt. België scoort op dit gebied slecht binnen de EU-15, en dit zowel voor mannen als voor vrouwen. In België was het VPLJ in 2016 (of dichtstbijzijnde jaar) 6% hoger dan het EU-15-gemiddelde bij mannen en 12% bij vrouwen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verlies aan potentiële levensjaren (0-75) bij mannen, EU-15, 2016 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: Eigen berekeningen op basis van de sterftegegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie

Verlies aan potentiële levensjaren (0-75) bij vrouwen, EU-15, 2016 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: Eigen berekeningen op basis van de sterftegegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie

7. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Statbel: Algemene sterfte

Sciensano: Standardized Procedures for Mortality Analysis (SPMA)

WHO: Mortality database

Definities

Bruto sterftecijfer
Het bruto sterftecijfer geeft het aantal geregistreerde sterfgevallen in een land weer gedeeld door de overeenkomstige populatiegrootte.
Voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfer
De voor leeftijd gecorrigeerde sterfte geeft het volgens leeftijd gewogen gemiddelde sterftecijfer weer en kan zo de verschillen te wijten aan de leeftijdsstructuur van de bevolking opvangen.
Vroegtijdige sterfte
Vroegtijdige sterfte wordt hier gedefinieerd als sterfgevallen vóór de leeftijd van 75.
Verloren potentiële levensjaren (VPLJ)
Verloren potentiële levensjaren (VPLJ) meten het aantal verloren levensjaren als gevolg van vroegtijdig overlijden. VPLJ geven een hoger gewicht aan sterfgevallen die voorkomen bij jongere dan bij oudere mensen. De berekening van VPLJ bestaat uit het optellen van sterfgevallen op elke leeftijd en het vermenigvuldigen ervan met het aantal resterende jaren tot een bepaalde leeftijd (hier, 75 jaar).

Algemene sterfte naar doodsoorzaak

1. Kernboodschappen

Nieuwvormingen en hart- en vaatziekten zijn de belangrijkste doodsoorzaken in België. Ze vertegenwoordigen meer dan de helft van alle sterfgevallen, en dit voor beide geslachten.
Hun relatieve belang is in de loop van de tijd echter geëvolueerd: sterfte door nieuwvormingen (waarvan 95% kankers zijn) is bij mannen progressief belangrijker geworden dan sterfte door hart- en vaatziekten. Dit komt door een aanzienlijke daling van de sterfte door coronaire hartziekte.
Ondanks het belang van nieuwvormingen als groep, staan cerebrovasculaire aandoeningen en coronaire hartziekten in de top 3 van de specifieke doodsoorzaken, aangevuld met dementie (inclusief de ziekte van Alzheimer) voor vrouwen en longkanker voor mannen.

2. Achtergrond

Het kader dat hier gebruikt wordt om doodsoorzaken te analyseren is de Internationale Classificatie van Ziekten, 10de editie (ICD-10) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). In dit rapport wordt sterfte geanalyseerd op basis van de onderliggende doodsoorzaak, zoals aangegeven op de overlijdensakte. De onderliggende doodsoorzaak heeft in de regel de voorkeur boven de onmiddellijke doodsoorzaak en de bijdragende doodsoorzaken, omdat vanuit een volksgezondheidsperspectief het doel is om de keten van gebeurtenissen die tot de dood leiden te doorbreken en de onderliggende oorzaak te voorkomen [1].

In een eerste stap worden de oorzaken van algemene sterfte (alle leeftijden) beschreven volgens de ICD-10-hoofdstukken; met andere woorden, op basis van de eerste letter van de ICD-10 codes. In een tweede stap worden de 10 belangrijkste specifieke doodsoorzaken voor België en voor de gewesten besproken.

Om rekening te houden met de variaties in de leeftijdsopbouw van de Belgische bevolking over tijd en om vergelijkingen tussen periodes te faciliteren, wordt de oorzaakspecifieke sterfte beschreven met voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers sterftecijfers (met de structuur van de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie).

3. Oorzaken van algemene sterfte volgens ICD-10 hoofdstuk

Verdeling

Nieuwvormingen (of "tumoren") en hart- en vaatziekten waren de belangrijkste doodsoorzaken in 2016, samen goed voor meer dan de helft van alle sterftegevallen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verdeling van doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*), België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel

Verdeling van doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*), België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel

Trends

Bij mannen is de sterfte door hart- en vaatziekten en door aandoeningen van de luchtwegen tussen 2000 en 2016 aanzienlijk gedaald (respectievelijk met 45% en 42%). Sterfte door nieuwvormingen neemt af in een langzamer tempo (daling met 25%), en is hierdoor relatief belangrijker geworden dan sterfte door hart- en vaatziekten.

Ook bij vrouwen is sterfte door hart- en vaatziekten en door aandoeningen van de luchtwegen afgenomen. De meeste andere belangrijke doodsoorzaken bleven echter stabiel. Sterfte door nieuwvormingen is nu bijna net zo belangrijk als sterfte door hart- en vaatziekten.

Het is de moeite waard om de specifieke evolutie van psychische en neurologische aandoeningen te vermelden: de overeenkomstige sterftecijfers zijn zowel onder vrouwen (met 23%) als onder mannen (24%) sinds het jaar 2000 gestegen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) van de 5 belangrijkste doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, België, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) van de 5 belangrijkste doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, België, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

4. Specifieke oorzaken van algemene sterfte

De tien belangrijkste doodsoorzaken zijn gerangschikt in functie van hun voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers, afzonderlijk voor mannen en vrouwen. De drie belangrijkste doodsoorzaken zijn:

  • bij mannen: coronaire hartziekten, longkanker, en cerebrovasculaire aandoeningen (gegroepeerd met arteriële hypertensie (HTA))
  • bij vrouwen: cerebrovasculaire aandoeningen (gegroepeerd met HTA), dementie (inclusief de ziekte van Alzheimer), en coronaire hartziekten.

De rangschikkingen zijn redelijk vergelijkbaar voor de verschillende gewesten. Hartfalen is in Vlaanderen echter de vierde doodsoorzaak bij mannen en de derde bij vrouwen, wat veel hoger is dan in de andere gewesten. Een deel van deze verschillen kan te wijten zijn aan verschillen in de codering van doodsoorzaken tussen de gewesten.

  • Mannen
  • Vrouwen

Rangschikking van de belangrijkste oorzaken van algemene sterfte volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) bij mannen, volgens gewest, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Rangschikking van de belangrijkste oorzaken van algemene sterfte volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) bij vrouwen, volgens gewest, België, 2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Statbel: Doodsoorzaken

Sciensano: Standardized Procedures for Mortality Analysis (SPMA)

Wereldgezondheidsorganisatie: ICD-10

Definities

International Classification of Disease, 10th edition (ICD-10)
De Internationale Classificatie van Ziekten is een internationaal coderingssysteem voor ziekten en voor een zeer grote verscheidenheid aan tekenen, symptomen, letsels, vergiftigingen, sociale omstandigheden en externe oorzaken van letsel of ziekte.
Onderliggende doodsoorzaak
De ziekte of verwonding die de keten van ziektegebeurtenissen heeft veroorzaakt die rechtstreeks tot de dood heeft geleid, of de omstandigheden van het ongeval of geweld dat de dodelijke verwonding heeft veroorzaakt.
Onmiddellijke doodsoorzaak
De uiteindelijke ziekte, verwonding of complicatie die direct de dood veroorzaakt.
Bijdragende doodsoorzaak
Alle andere belangrijke ziekten, aandoeningen of verwondingen die hebben bijgedragen aan de dood maar die niet hebben geleid tot de onderliggende doodsoorzaak.
Nieuwvormingen
Ook gekend als "tumoren". De groep van nieuwvormingen bestaat voor 95% uit kwaadaardige nieuwvormingen of kankers; de rest zijn tumoren van goedaardige of onbepaalde aard.
Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer
De voor leeftijd gecorrigeerde sterfte geeft het volgens leeftijd gewogen gemiddelde sterftecijfer weer en kan zo de verschillen te wijten aan de leeftijdsstructuur van de bevolking opvangen.

Referenties

  1. WHO. ICD-10: International statistical classification of diseases and related health problems: Instruction manual. Geneva: World Health Organization; 2011.

Algemene sterfte

1. Kernboodschappen

Het aantal sterfgevallen in België is de voorbije 15 jaar redelijk stabiel gebleven, met ongeveer 105.000 sterfgevallen per jaar.
Het bruto sterftecijfer is sinds het jaar 2000 nauwelijks gedaald (daling van 6%). Na standaardisatie voor leeftijd wordt echter wel een langzame daling van het algemene sterftecijfer vastgesteld (daling van 23% sinds 2000). Dit weerspiegelt het feit dat de leeftijdsverdeling van de bevolking in de loop van de tijd verandert en dat de leeftijd bij overlijden toeneemt.
De algemene sterfte is bij mannen 1,5 keer hoger dan bij vrouwen, maar deze kloof wordt kleiner.
Er bestaan geografische verschillen in algemene sterfte, met lagere sterftecijfers in het Vlaamse gewest. De algemene sterfte is in de loop van de tijd afgenomen in alle drie de gewesten, maar de regionale verschillen blijven bestaan.

2. Achtergrond

Het sterftecijfer is een klassieke gezondheidsindicator, of beter gezegd een indicator voor "slechte gezondheid". Niettegenstaande hierbij een onomkeerbare gebeurtenis wordt gemeten, geeft het sterftecijfer unieke informatie over de volksgezondheid, zoals het belang en evolutie in de tijd van ernstige gezondheidsproblemen, evenals bepaalde inzichten in de gezondheidsdeterminanten (bvb, verkeersveiligheid of tabaksgebruik). Het sterftecijfer wordt traditioneel al langer als gezondheidsindicator gebruikt en kan met grotere betrouwbaarheid gemeten worden dan andere indicatoren. De dood is inderdaad een ondubbelzinnige gebeurtenis, die sinds meer dan een eeuw systematisch wordt geregistreerd in vitale registratiesystemen van de meeste landen.

Het bruto sterftecijfer is het aantal sterfgevallen in een bepaald jaar gedeeld door de populatiegrootte. Deze indicator is echter niet zo geschikt om de gezondheid op te volgen, omdat sterfte sterk gerelateerd is met leeftijd. Bruto sterftecijfer in verouderende populaties kunnen daarom toenemen, ook al zou de gezondheidstoestand verbeteren.

Om vergelijking van sterfte-indicatoren tussen verschillende populaties of tijdsperioden mogelijk te maken, dient bijgevolg gebruik gemaakt te worden van schatters die gecorrigeerd zijn voor de leeftijdssamenstelling van de betrokken populaties. In dit rapport worden daarom ook voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers gebruikt, waarbij de Europese standaardpopulatie 2010 (ESP 2010) [1] als referentie werd gebruikt.

Alle sterftecijfers in dit hoofdstuk zijn berekend op basis van de gegevens van het Nationale Sterfteregister, dat beheerd wordt door Statistiek België (Statbel).

Hier beschrijven we de algemene sterfte (i.e., sterfte op alle leeftijden). De specifieke doodsoorzaken worden beschreven op de pagina over algemene sterfte naar doodsoorzaak.

3. België

Het bruto sterftecijfer bedroeg 955 per 100.000 in 2016.

In de periode 2000-2016 waren de bruto sterftecijfers vrij gelijkaardig voor mannen en vrouwen. Na standaardisatie voor leeftijd wordt in 2016 echter een 50% hoger sterftecijfer geobserveerd voor mannen (1202 per 100.000) dan voor vrouwen (794 per 100.000).

De bruto sterftecijfers zijn nauwelijks gedaald tussen 2000 and 2016. De voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers daarentegen vertoonden voor dezelfde periode een daling van 28% voor mannen en 22% voor vrouwen.

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) volgens geslacht, België, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

4. Gewesten

In vergelijking met het Vlaamse Gewest, was het sterftecijfer 18% hoger in het Waalse Gewest, en 8% hoger in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het sterftecijfer vertoonde in de periode 2000-2016 een gelijkaardige daling in de drie gewesten als voor België in zijn geheel.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) bij mannen, in België en per gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) bij vrouwen, in België en per gewest, 2000-2016
Bron: Eigen berekeningen op basis van de gegevens van Statbel
(*) met de Europese standaardpopulatie 2010 als referentie

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Statbel: algemene sterfte

Sciensano: Standardized Procedures for Mortality Analysis (SPMA)

Definities

Bruto sterftecijfer
Het bruto sterftecijfer geeft het aantal geregistreerde sterfgevallen in een land weer gedeeld door de overeenkomstige populatiegrootte.
Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer
De voor leeftijd gecorrigeerde sterfte geeft het volgens leeftijd gewogen gemiddelde sterftecijfer weer en kan zo de verschillen te wijten aan de leeftijdsstructuur van de bevolking opvangen.

Referenties

  1. Pace M, Giampaolo L, Glickman M, Zupanic T. Revision of the European Standard Population Report of Eurostat's Task Force. Luxembourg; 2013.

Zuigelingensterfte

1. Kernboodschappen

In 2016 bedroeg het kindersterftecijfer 3,2 per duizend levendgeborenen, wat overeenkomt met het EU-15-gemiddelde. De kindersterfte is de afgelopen decennia in België sterk gedaald. De huidige cijfers en trends zijn vrij gelijkaardig in de drie gewesten.

2. Achtergrond

De zuigelingensterfte is een maat voor de sterfte van kinderen jonger dan 1 jaar. Het weerspiegelt zowel de gevolgen van perinatale gebeurtenissen als de sterfte na de perinatale periode, dewelke vaak te voorkomen zijn. De zuigelingensterfte hangt sterk samen met het ontwikkelingsniveau van het land, de kwaliteit van de medische zorg, preventieve diensten en gezondheidsbevorderende interventies.

In bijna alle landen ter wereld zijn lange tijd hogere kindersterftecijfers waargenomen bij jongens dan bij meisjes [1]. De verklaring is complex, en omvat belangrijke biologische en genetische factoren, evenals omgevings- en gedragsfactoren die resulteren in een blijvend verschil in sterfte gedurende de kindertijd en zelfs later [2,3].

Op regionaal niveau worden grote schommelingen in het jaarlijks sterftecijfer waargenomen als gevolg van het lage aantal sterfgevallen bij zuigelingen. Betekenisvolle vergelijkingen van het sterftecijfer en van de trends per regio worden daarom het best gemaakt op basis van het uitgemiddelde cijfers. In dit overzicht hebben we gebruik gemaakt van een voortschrijdend gemiddelde over de laatste 5 jaar.

Zuigelingensterftecijfers worden soms eerder gepubliceerd door internationale organisaties dan op nationaal niveau, omdat deze organisaties alleen de nationale cijfers publiceren en dus geen regionale geboorte- en sterftecijfers nodig hebben.

3. Zuigelingensterfte

België

In 2016 bedroeg het zuigelingensterftecijfer 3,2 per duizend levendgeborenen. De zuigelingensterftecijfers zijn tussen 1998 en 2016 met 40% gedaald (van 5,3‰ naar 3,2‰).

Het zuigelingensterftecijfer in 2016 was 2,4 per duizend levendgeborenen bij meisjes en 3,9‰ bij jongens, wat overeenkomt met een absolute kloof van 1,6‰ en een geslachtsverhouding van 1,7. De genderkloven in sterftecijfers fluctueren in de loop van de tijd als gevolg van het kleine aantal sterfgevallen onder zuigelingen en zijn bijzonder hoog voor 2016.

Na uitmiddeling blijven de mortaliteitsverschillen tussen meisjes en jongens bestaan (respectievelijk 2,9‰ en 3,9‰).

  • Jaarlijks
  • Uitgemiddeld

Zuigelingensterfte volgens geslacht, 1998-2016
Bron: Statbel [4]

Uitgemiddeld zuigelingensterftecijfer (5-jaar voortschrijdend gemiddelde) volgens geslacht, 2002-2016
Bron: Eigen berekening op basis van Statbel [4]

Trends en regionale verschillen

De zuigelingensterfte in de drie gewesten was vergelijkbaar in 2016: 3,1‰ in Vlaanderen en Brussel en 3,3‰ in Wallonië.

Na het afvlakken waren de zuigelingensterftecijfers in 2016 vergelijkbaar in Vlaanderen en Wallonië (3,5‰) en iets lager in Brussel (2,9‰); dit zou echter over een langere periode bevestigd moeten worden, gezien het aantal sterfgevallen onder zuigelingen in Brussel erg klein is.

In de loop van de tijd is in alle gewesten een sterke daling geconstateerd. In Brussel was het zuigelingensterftecijfer tot 2009 hoger dan in de andere gewesten, maar is daarna sterk gedaald.

  • Jaarlijks
  • Uitgemiddeld

Zuigelingensterfte volgens gewest, 1998-2016
Bron: Statbel [4]

Uitgemiddeld zuigelingensterftecijfer (5-jaar voortschrijdend gemiddelde) volgens gewest, 2002-2016
Bron: Eigen berekening op basis van Statbel [4]

Internationale vergelijking

In 2016 was de zuigelingensterfte in België gelijk aan het gemiddelde van het EU-15 sterftecijfer (3,2‰).

Zuigelingensterfte per geboorteland, EU-15, 2016
Bron: OECD Health Data [5]

4. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

SPMA: Standardized Procedures for Mortality Analysis in Belgium

Definities

EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Zuigelingensterfte
De zuigelingensterfte is het aantal sterfgevallen van kinderen onder de leeftijd van 1 jaar per 1000 geboortes in hetzelfde jaar.

Referenties

  1. UN IGME. United Nations Interagency Group for Child Mortality Estimation; 2018. https://childmortality.org/data
  2. Drevenstedt GL, Crimmins EM, Vasunilashorn S, Finch CE. The rise and fall of excess male infant mortality. Proc Natl Acad Sci U S A 2008 Apr 1;105(13):5016-21.
  3. Sidebotham P, Fraser J, Covington T, Freemantle J, Petrou S, Pulikottil-Jacob R, et al. Understanding why children die in high-income countries. Lancet 2014 Sep 6;384(9946):915-27.
  4. Statbel, 1998-2016. https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/sterfte-en-levensverwachting/foeto-infantiele-sterfte
  5. OECD Health Data, 2016. http://stats.oecd.org