Andere informatie en diensten van de overheid : www.belgium.be  belgium

Mortality and Causes of Death

Ischemic heart disease is the main cause of death, while suicide is the main cause of potential years of life lost.

Samenvatting

To be developed.

Sterftecijfer

1. Kernboodschappen

Het sterftecijfer is de voorbije 15 jaar redelijk stabiel gebleven met ongeveer 105.000 sterfgevallen per jaar. Het bruto sterftecijfer daalt geleidelijk, maar omdat de mensen op latere laaftijd sterven, is de leeftijdsspecifieke sterfte in de laatste 15 jaar met 19% gedaald.
Vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar) neemt algemeen gezien af in Europa. In België is vroegtijdige sterfte met 22% gedaald tussen 2001 en 2005. België scoort echter slecht binnen de landen van de EU-15, met een overmatig verlies aan potentiële levensjaren (VPLJ) van 8% bij mannen en 13% bij vrouwen in vergelijking met het EU-15 gemiddelde in 2015.
Het sterftecijfer is hoger bij mannen dan bij vrouwen (het algemene sterftecijfer is 1,5 keer hoger en vroegtijdige sterfte is 1,7 keer hoger).
Het sterftecijfer vertoont geografische verschillen met een lager sterftecijfer in het Vlaamse gewest ten opzichte van de andere gewesten. De regionale verschillen zijn meer uitgesproken voor vroegtijdige sterfte met 40% meer sterfgevallen in het Waals gewest en 19% meer sterfgevallen in het Brussels hoofdstedelijk gewest in vergelijking met het Vlaams gewest. Het sterftecijfer neemt af in elk van de regio’s maar de regionale verschillen blijven behouden.

2. Achtergrond

Het sterftecijfer is een gezondheidsindicator of beter gezegd een indicator voor “slechte gezondheid”. Niettegenstaande hierbij een onomkeerbare gebeurtenis wordt gemeten, geeft het sterftecijfer unieke informatie over de volksgezondheid, zoals het belang en evolutie in de tijd van ernstige gezondheidsproblemen, evenals bepaalde inzichten in de gezondheidsdeterminanten. Het sterftecijfer wordt traditioneel al langer als gezondheidsindicator gebruikt en kan met grotere betrouwbaarheid gemeten worden dan andere indicatoren.

In dit rapport beschrijven we het bruto sterftecijfer (alle leeftijden inbegrepen) en de vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar). Met vroegtijdige sterfte wordt verwezen naar voortijdige overlijdens (op een leeftijd jonger dan de levensverwachting). Voor het definiëren van vroegtijdige sterfte kunnen verschillende grenswaarden aangenomen worden. In dit rapport worden overlijdens voor de leeftijd van 75 jaar als vroegtijdige sterfte gedefinieerd. Het terugdringen van voortijdige sterfte is een belangrijke doelstelling voor de volksgezondheid: in termen van maatschappelijk en menselijk verlies is het belangrijk om te voorkomen dat burgers te vroeg sterven. Bovendien is veel van de vroegtijdige sterfte te voorkomen door het volksgezondheidsbeleid.

Het bruto sterftecijfer (dit is het aantal sterfgevallen in een bepaald jaar gedeeld door de populatiegrootte) is niet zo geschikt als gezondheidsindicator omdat sterfte sterk gerelateerd is met leeftijd en het bruto sterftecijfer in oudere populaties toeneemt niettegenstaande een betere gezondheidsstandaard. Om vergelijking van sterfte-indicatoren mogelijk te maken, dient bijgevolg gebruik gemaakt te worden van schatters die gecorrigeerd worden volgens de leeftijdssamenstelling van de populatie. In dit rapport wordt het voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfer gebruikt waarbij de samenstelling van de Belgische populatie in 2010 als referentie werd beschouwd. Naast het leeftijdsspecifieke sterftecijfer, kan de vroegtijdige sterfte beschreven worden aan de hand van het verlies aan potentiële levensjaren (VPLJ). Deze indicator weegt elk overlijden in functie van de leeftijd waarbij een groter gewicht wordt toegekend aan jongere leeftijden (het gewicht wordt berekend door 75 te verminderen met de leeftijd bij overlijden). In dit rapport wordt het VPLJ gebruikt om een vergelijking met andere landen mogelijk te maken. Deze indicator wordt gecorrigeerd op basis van leeftijd en vergeleken met de OESO 2010 populatie als referentie.

3. Bruto sterftecijfer

Het bruto sterftecijfer is de laatste 15 jaar nauwelijks gedaald en was nagenoeg gelijk voor mannen en vrouwen met ongeveer 980 sterfgevallen per 100.000 inwoners in 2015. Na correctie volgens leeftijd, wordt bij mannen een 50% hogere sterftecijfer dan bij vrouwen waargenomen (respectievelijk 1118 en 748 per 100.000 inwoners in 2015). Tussen 2001 en 2015 daalde het sterftecijfer bij mannen met 24% en bij vrouwen met 16%. 

In 2015, was het sterftecijfer in Wallonië en Brussel 22% respectievelijk 8% hoger dan in Vlaanderen.  Het sterftecijfer daalt zowel bij mannen als bij vrouwen en dit zowel voor België als de drie gewesten.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) bij mannen, in België en de gewesten, 2001-2015
Bron: SPMA, op basis van de gegevens van Statbel [1]
(*) met de Belgische populatie 2010 als referentie

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (*) bij vrouwen, in België en de gewesten, 2001-2015
Bron: SPMA, op basis van de gegevens van Statbel [1]
(*) met de Belgische populatie 2010 als referentie

4. Vroegtijdige sterfte

België

In 2015 was de voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdige sterfte (0-75 jaar) in België 325,1/100.000 inwoners. De voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdige sterfte voor mannen (414,8) was 1,7 keer hoger dan voor vrouwen (240,7). Het voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdig sterftecijfer neemt over de jaren heen sneller af voor mannen dan voor vrouwen met een vermindering van respectievelijk 26% en 16% tussen 2001 en 2015.

Geografische verschillen

De vroegtijdige sterfte toont belangrijke geografische verschillen: de vroegtijdige sterfte is het laagst in Vlaanderen, en is in Wallonië en Brussel, respectievelijk, 41% en 23% hoger bij mannen en 41% en 18% hoger bij vrouwen. De vroegtijdige sterfte neemt af in de drie gewesten maar de verschillen tussen Vlaanderen en de twee andere gewesten blijven gelijk.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (*) bij mannen, in België en de gewesten, 2001-2015
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van Statbel [2]
(*) met de Belgische populatie 2010 als referentie


Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (*) bij vrouwen, in België en de gewesten, 2001-2015
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van Statbel [2]
(*) met de Belgische populatie 2010 als referentie

 

Op niveau van de districten zien we in de meeste Vlaamse districten een lagere vroegtijdige sterfte in vergelijking met het Belgische gemiddelde sterftecijfer terwijl in de Brusselse en Waalse districten het omgekeerde wordt waargenomen (met uitzondering van Nijvel voor zowel mannen als vrouwen). Het hoogste vroegtijdige sterftecijfer werd waargenomen in Henegouwen, dat als een van de meest achtergestelde provincies van België wordt beschouwd (volgens de graad van werkloosheid en het inkomensniveau).

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (*) bij mannen, volgens district, 2001-2014
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van Statbel [2]
(*) met de Belgische populatie 2010 als referentie

 premature mortality district men

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (*) bij vrouwen, volgens district, 2001-2014
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de gegevens van Statbel [2]
(*) met de Belgische populatie 2010 als referentie

premature mortality district women

Internationale vergelijkingen

Voor de internationale vergelijking van de vroegtijdige sterfte werd het verlies aan potentiële levensjaren (VPLJ) als indicator gebruikt. In de EU-15 landen is de vroegtijdige sterfte in de laatste decennia continu afgenomen. Op vlak van vroegtijdige sterfte scoort België slecht binnen de EU-15 en dit zowel voor mannen als voor vrouwen. In België nam het VPLJ in 2015 (of dichtstbijzijnde jaar) toe ten opzichte van het EU-15 gemiddelde met 8% bij mannen en 13% bij vrouwen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verlies aan potentiële levensjaren (0-75) bij mannen, per land, Europa, 2015 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de sterftegegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie [3]

Verlies aan potentiële levensjaren (0-75) bij vrouwen, per land, Europa, 2015 of dichtstbijzijnde jaar
Bron: Eigen berekeningen gebaseerd op de sterftegegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie [3]

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

SPMA: Standardized Procedures for Mortality Analysis

Definities

EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Verlies aan potentiële levensjaren
Het verlies aan potentiële levensjaren (VPLJ) is een maat voor het aantal verloren levensjaren ten gevolge van een vroegtijdige sterfte. Bij het VPLJ wegen sterfgevallen op jongere leeftijd zwaarder door dan sterfgevallen op oudere leeftijd. Voor de berekening van het VPLJ wordt de som berekend van het aantal sterfgevallen vermenigvuldigd met het overgebleven aantal niet geleefde jaren berekend tot een zekere leeftijdslimiet (hier 75 jaar).
Voor leeftijd gecorrigeerde sterfte
Het sterftecijfer geeft het aantal geregistreerde sterfgevallen in een land weer gedeeld door de overeenkomstige populatiegrootte. De voor leeftijd gecorrigeerde sterfte geeft het volgens leeftijd gewogen gemiddelde sterftecijfer weer en kan zo de verschillen te wijten aan de leeftijdsstructuur van de bevolking opvangen.
Vroegtijdige sterfte
De vroegtijdige sterfte wordt hier gedefinieerd als het aantal geregistreerde sterfgevallen jonger dan 75 jaar gedeeld door de overeenkomstige populatiegrootte. De vroegtijdige sterfte is gecorrigeerd volgens leeftijd.

Referenties

  1. Standardized Procedures for Mortality Analysis. https://spma.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx
  2. Statbel. https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/sterfte-levensverwachting-en-doodsoorzaken
  3. World Health Organization, mortality database http://www.who.int/healthinfo/statistics/mortality_rawdata/en/

Doodsoorzaken

1. Kernboodschappen

Nieuwvormingen en hart- en vaatziekten zijn de belangrijkste doodsoorzaken in België. Ze vertegenwoordigen meer dan de helft van alle sterfgevallen, en dit voor beide geslachten. Hun relatieve belang is in de loop van de tijd echter geëvolueerd: sterfte door nieuwvormingen (waarvan 95% kankers zijn) is bij mannen progressief belangrijker geworden dan sterfte door hart- en vaatziekten. Dit komt door een aanzienlijke daling van de sterfte door coronaire hartziekte.
Wat betreft de impact op het aantal verloren potentiële levensjaren, worden de eerste plaatsen ingenomen door zelfmoord, longkanker en coronaire hartziekte bij mannen, en borstkanker, longkanker en zelfmoord bij vrouwen. De meeste oorzaken van vroegtijdige sterfte zijn in de loop van de tijd afgenomen, met bijvoorbeeld een afname van meer dan 50% van de vroegtijdige sterfgevallen door coronaire hartziekte tussen 2001 en 2015. Een belangrijke uitzondering op deze trend zijn echter de longkankersterfgevallen bij vrouwen, die aanzienlijk zijn toegenomen.

2. Achtergrond

In deze sectie wordt sterfte geanalyseerd op basis van de onderliggende doodsoorzaak, zoals aangegeven op de overlijdensakte. Het kader dat hiervoor wordt gebruikt is de Internationale Classificatie van Ziekten, 10de editie (ICD-10), van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) [1].

De oorzaken van algemene sterfte (alle leeftijden) worden eerst beschreven; ze zijn gegroepeerd volgens de ICD-10-hoofdstukken.

De algemene sterfte per doodsoorzaak wordt beschreven door voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers, die het effect van variaties in de leeftijdsstructuren van populaties elimineren.

De volgende stap is de analyse van de oorzaken van vroegtijdige sterfte, dit is sterfte voor de leeftijd van 75 jaar. We beschrijven eerst de oorzaken van vroegtijdige sterfte volgens ICD-10-hoofdstuk en analyseren ze vervolgens in detail om bruikbare conclusies te kunnen trekken. De meeste oorzaken van vroegtijdige sterfte zijn te vermijden via het gezondheidszorgsysteem of via het volksgezondheidsbeleid. De vermindering van vroegtijdige sterfte is daarom een cruciale doelstelling op het gebied van de volksgezondheid. De rangorde van de oorzaken van vroegtijdige sterfte is dan ook een zeer belangrijk hulpmiddel om prioriteiten te stellen.

De vroegtijdige sterfte volgens oorzaak kan worden gemeten met behulp van:

  • Voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdige sterftecijfers: vergelijkt de oorzaken op basis van hun frequentie.
  • Verloren Potentiële Levensjaren (VPLJ), die sterfgevallen wegen in functie van de leeftijd van sterfte. VPLJ maken het mogelijk om doodsoorzaken te vergelijken op basis van hun ziektelast, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de frequentie als de leeftijd van overlijden.

In deze sectie zijn beide indicatoren gecorrigeerd voor leeftijd, met de Belgische populatie 2010 als referentie. Hierdoor wordt het effect van verschillen in leeftijdsstructuur tussen populaties en over tijd geëlimineerd.

3. Oorzaken van algemene sterfte

België

Belangrijkste oorzaken van algemene sterfte (volgens ICD-10 hoofdstuk)

Voor beide geslachten waren nieuwvormingen (of "tumoren") en hart- en vaatziekten de belangrijkste doodsoorzaken in 2015, samen goed voor meer dan de helft van alle sterftegevallen. De groep van nieuwvormingen bestaat voor 95% uit kwaadaardige nieuwvormingen of kankers; de rest zijn tumoren van goedaardige of onbepaalde aard.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verdeling van doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer, België, 2015
Bron: Standardized Procedures for Mortality Analysis [2]

Verdeling van doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer, België, 2015
Bron: Standardized Procedures for Mortality Analysis [2]

Evolutie van de belangrijkste oorzaken van algemene sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk)

Bij mannen is de sterfte door hart- en vaatziekten sneller gedaald dan die door andere doodsoorzaken. Sterfte door nieuwvormingen (voornamelijk kankers) is hierdoor relatief belangrijker geworden dan sterfte door hart- en vaatziekten.

Bij vrouwen is sterfte door hart- en vaatziekten en door aandoeningen van de luchtwegen afgenomen. De meeste andere belangrijke doodsoorzaken bleven echter stabiel. Sterfte door nieuwvormingen is nu bijna net zo belangrijk als sterfte door hart- en vaatziekten.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000)  van de 5 belangrijkste doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, België, 2001-2015
Bron: Standardized Procedures for Mortality Analysis [2]

Voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000)  van de 5 belangrijkste doodsoorzaken (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, België, 2001-2015
Bron: Standardized Procedures for Mortality Analysis [2]

4. Oorzaken van vroegtijdige sterfte

België

Belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk)

Voor beide geslachten worden 70% van alle vroegtijdige sterfgevallen (voor de leeftijd van 75) veroorzaakt door de drie zelfde groepen van doodsoorzaken:

  • de nieuwvormingen (in de bevolking jonger dan 75 bestaan deze bijna uitsluitend uit kankers)
  • de hart- en vaatziekten
  • de uitwendige oorzaken (voornamelijk zelfmoord en transportongevallen)

Het relatieve belang van nieuwvormingen is hoger bij vrouwen dan bij mannen, terwijl het relatieve belang van hart- en vaatziekten en uitwendige oorzaken hoger is bij mannen.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verdeling van de oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Verdeling van de oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Top 6 van de belangrijkste specifieke oorzaken van vroegtijdige sterfte

Het belang van de oorzaken van vroegtijdige sterfte kan worden uitgedrukt in sterftecijfers (hetgeen de frequentie van de doodsoorzaak weerspiegelt) of in verloren potentiële levensjaren (VPLJ) (hetgeen de "ziektelast" van de doodsoorzaak weerspiegelt). Uitwendige doodsoorzaken (dwz ongevallen, zelfmoord, of moord) scoren doorgaans hoger in termen van VPLJ dan in termen van sterftecijfer, omdat ze meestal op een jongere leeftijd voorkomen dan sterfgevallen als gevolg van chronische ziekten.

In termen van sterftecijfers (frequentie) zijn de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte:

  • Bij mannen: longkanker, coronaire hartziekte, en zelfmoord
  • Bij vrouwen: longkanker, borstkanker, en coronaire hartziekte

In termen van VPLJ (ziektelast) zijn de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte:

  • Bij mannen: zelfmoord, longkanker, en coronaire hartziekte
  • Bij vrouwen: borstkanker, longkanker, en zelfmoord
  • Mannen
  • Vrouwen

Top 6 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar) bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Top 6 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar) bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

 

  • Mannen
  • Vrouwen

Top 6 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar) bij mannen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerde verloren potentiële levensjaren, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Top 6 van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (voor 75 jaar) bij vrouwen, gerangschikt volgens voor leeftijd gecorrigeerde verloren potentiële levensjaren, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Evolutie van de belangrijkste oorzaken van algemene sterfte

Met uitzondering van longkanker en chronische obstructieve longziekte (COPD) bij vrouwen, hebben alle oorzaken van vroegtijdige sterfte de neiging af te nemen of minstens stabiel te blijven.

De vroegtijdige sterfte door coronaire hartziekte is dramatisch gedaald in de afgelopen 15 jaar, met een daling van meer dan 50% van de voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfers voor beide geslachten. Hetzelfde geldt voor de vroegtijdige sterfte door cerebrovasculaire aandoeningen.

Het vroegtijdige sterftecijfer voor longkanker daalde ook aanzienlijk bij mannen (37,5% relatieve afname), terwijl het significant toenam bij vrouwen (53,3% relatieve toename) de afgelopen 15 jaar (waarmee het van de vierde naar de eerste plaats geschoven is, net boven borstkanker).

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (per 100.000) van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij mannen, België, 2000-2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (per 100.000) van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (volgens ICD-10-hoofdstuk) bij vrouwen, België, 2000-2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Gewesten

Verhoudingen van vroegtijdige sterftecijfers

Voor 5 van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte bij mannen, zijn de vroegtijdige sterftecijfers hoger in het Waalse Gewest dan in het Vlaamse Gewest. De verhouding Wallonië versus Vlaanderen (W / F) van de sterftecijfers zijn bijzonder hoog voor coronaire hartziekte en COPD (verhouding 1,6). Enkel voor colorectale kanker is het sterftecijfer hoger in Vlaanderen dan in Wallonië, maar dit verschil is niet significant. De verschillen tussen Brussel en Vlaanderen (Bx / F) zijn gematigder met de hoogste verhouding voor cerebrovasculaire aandoeningen (1,4). De lage zelfmoordsterfte in Brussel is waarschijnlijk een artefact, te wijten aan vertragingen in de bevestiging van zelfmoordgevallen.

Ook voor vrouwen is de vroegtijdige sterfte voor 5 van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte hoger in het Waalse Gewest dan in het Vlaamse Gewest. Voor borstkanker zijn de sterftecijfers vergelijkbaar in de drie gewesten. De hoogste verhoudingen W / F bij vrouwen worden waargenomen voor COPD (1,88) en coronaire hartziekte (1,74). De verhoudingen Bx / F zijn meer gematigd: de hoogste verhoudingen worden hier waargenomen voor COPD (1,55) en cerebrovasculaire aandoeningen (1,49). Net als bij mannen is het lage zelfmoordcijfer in Brussel waarschijnlijk een artefact.

  • Mannen
  • Vrouwen

Verhoudingen tussen de gewesten van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (met het Vlaamse Gewest als referentie), bij mannen, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Verhoudingen tussen de gewesten van de 6 belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte (met het Vlaamse Gewest als referentie), bij vrouwen, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

Belangrijkste specifieke oorzaken van vroegtijdige sterfte per gewest

Longkanker is de meest voorkomende oorzaak van vroegtijdige sterfte in alle gewesten, en sinds 2015 is dit ook het geval voor beide geslachten afzonderlijk (in termen van sterftecijfer). De doodsoorzaken op de tweede plaats zijn eveneens dezelfde in alle gewesten: ischemische hartziekte bij mannen en borstkanker bij vrouwen. Bij mannen komen COPD en cerebrovasculaire aandoeningen vaker voor in het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dan in het Vlaamse Gewest, terwijl colorectale kanker vaker voorkomt in het Vlaamse Gewest.

In termen van verloren potentiële levensjaren (VPLJ), is longkanker de belangrijkste oorzaak van vroegtijdige sterfte bij mannen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en de tweede belangrijkste oorzaak in het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest, waar zelfmoord de eerste plaats inneemt. Longkanker staat op de eerste plaats voor vrouwen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest, en op de tweede plaats in het Vlaamse Gewest na borstkanker.

Het is interessant om op te merken dat transportongevallen ook verantwoordelijk zijn voor vele verloren potentiële levensjaren bij mannen, ook al is het vroegtijdig sterftecijfer niet bijzonder hoog.

De schijnbare daling van het aantal zelfmoorden in Brussel is waarschijnlijk een artefact, te wijten aan vertragingen in de bevestiging van zelfmoordgevallen.

Rangschikking van de belangrijkste oorzaken van sterfte volgens vroegtijdig sterftecijfer en verloren potentiële levensjaren (VPLJ), volgens geslacht en gewest, België, 2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

  Rangschikking volgens vroegtijdig sterftecijfer Rangschikking volgens VPLJ
Doodsoorzaak Vlaanderen Brussel Wallonië Vlaanderen Brussel Wallonië
  Mannen
Longkanker 1 1 1 2 1 2
Ischemische hartziekte 2 2 2 3 2 3
Zelfmoord 3 6 3 1 3 1
Colorectale kanker 4 11 7 6 14 10
Cerebrovasculaire aandoeningen en hoge bloeddruk 5 3 5 7 5 6
Chronisch obstructief longlijden (COPD) 6 4 4 10 6 7
Chronische leverziekten 7 5 6 5 4 5
Transportongevallen 11 17 9 4 9 4
  Vrouwen
Longkanker 1 1 1 2 1 1
Borstkanker 2 2 2 1 2 3
Cerebrovasculaire aandoeningen en hoge bloeddruk 3 3 5 4 4 4
Ischemische hartziekte 4 6 3 6 10 6
Zelfmoord 5 11 6 3 3 2
Colorectale kanker 6 5 8 7 5 9
Chronisch obstructief longlijden (COPD) 7 4 4 10 8 7
Chronische leverziekten 10 8 7 8 6 5

Evolutie van de specifieke oorzaken van vroegtijdige sterfte per gewest

De evoluties van de belangrijkste oorzaken van vroegtijdige sterfte zijn gelijkaardig in de drie gewesten. We concentreren ons daarom hier op een aantal regionale bijzonderhende.

1. Vroegtijdig sterftecijfer voor longkanker bij vrouwen: in 2000 had het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de hoogste vroegtijdige sterftecijfers voor longkanker bij vrouwen van het land; de sterftecijfers zijn daarna gestaag gestegen in het Vlaamse en Waalse Gewest terwijl ze in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest stabiel bleven (sinds 2006); sinds 2010 worden de hoogste sterftecijfers waargenomen in het Waalse Gewest.

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (voor 75 jaar) voor longkanker bij vrouwen (per 100.000), volgens gewest, België, 2000-2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

2. Vroegtijdig sterftecijfer voor colorectale kanker bij mannen: in de vroege jaren 2000 was het vroegtijdig sterftecijfer voor colorectale kanker bij mannen in het Vlaamse Gewest hoger dan in andere gewesten. Het sterftecijfer is vervolgens gedaald in het Vlaamse Gewest, wat resulteert in vergelijkbare waarden in het Vlaamse en Waalse Gewest sinds 2006. Sinds 2011 is het ook gedaald in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, wat zich sinds 2013 vertaalt in een lager sterftecijfer in Brussel dan in de twee andere gewesten.

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (voor 75 jaar) voor colorectale kanker bij mannen (per 100.000), volgens gewest, België, 2000-2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

3. Vroegtijdig sterftecijfer voor zelfmoord: de vroegtijdige sterftecijfers voor zelfmoord onder mannen zijn hoger in het Waalse dan in het Vlaamse Gewest. Een afname (die pas in 2008 in Wallonië begon) wordt in beide gewesten waargenomen, waardoor het regionale verschil verkleint. Bij vrouwen zijn de zelfmoordcijfers vergelijkbaar tussen de gewesten; ze bleven stabiel op een veel lager niveau dan mannen. De zelfmoordcijfers in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn op dit moment niet interpreteerbaar.

  • Mannen
  • Vrouwen

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (voor 75 jaar) voor zelfmoord bij mannen (per 100.000), volgens gewest, België, 2000-2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
Noot: De lage zelfmoordcijfers in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn artefacten 

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (voor 75 jaar) voor zelfmoord bij vrouwen (per 100.000), volgens gewest, België, 2000-2015
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel
Noot: De lage zelfmoordcijfers in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn artefacten

4. Vroegtijdig sterftecijfer voor borstkanker bij vrouwen: aan het begin van de jaren 2000 was het vroegtijdig sterftecijfer voor borstkanker bij vrouwen in het Waalse Gewest iets lager dan in de andere twee gewesten. Sinds 2011 zijn de sterftecijfers in het Vlaamse en Waalse Gewest vergelijkbaar, met een iets hogere sterfte in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Sinds 2014 zijn de sterftecijfers in alle drie de gewesten vergelijkbaar.

Voor leeftijd gecorrigeerd vroegtijdig sterftecijfer (voor 75 jaar) voor borstkanker bij vrouwen (per 100.000), volgens gewest, België, 2000-201 5
Bron: Eigen berekeningen op basis van het databestand sterftecertificaten van Statbel

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicatoren

SPMA: Standardized Procedures for Mortality Analysis

Statbel, Doodsoorzaken

Definities

Bruto en voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer
Het bruto sterftecijfer is het aantal sterfgevallen in een populatie gedeeld door het aantal mensen in die populatie. Sterftecijfers per leeftijdsgroep zijn het aantal sterfgevallen in een bepaalde leeftijdsgroep gedeeld door de bevolking in die leeftijdsgroep. Het voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfer  is het gewogen gemiddelde van de leeftijdsspecifieke sterftecijfers, met als gewicht de relatieve grootte van elke leeftijdsgroep in een referentiepopulatie. Het doel van standaardisatie is om variaties als gevolg van verschillen in leeftijdsstructuur tussen populaties of na verloop van tijd te elimineren.
International Classification of Disease, 10th edition (ICD-10)
De Internationale Classificatie van Ziekten is een internationale codificatie van ziekten en een breed scala aan symptomen, verwondingen, vergiftigingen, sociale omstandigheden en uitwendige oorzaken van letsel of ziekte.
Verloren potentiële levensjaren (VPLJ)
Verloren potentiële levensjaren (VPLJ) meten het aantal verloren levensjaren als gevolg van vroegtijdig overlijden. VPLJ geven een hoger gewicht aan sterfgevallen die voorkomen bij jongere dan bij oudere mensen. De berekening van VPLJ bestaat uit het optellen van sterfgevallen op elke leeftijd en het vermenigvuldigen ervan met het aantal resterende jaren tot een bepaalde leeftijd (hier, 75 jaar). Leeftijdsspecifieke VPLJ (per 100.000) worden berekend door het aantal VPLJ in een bepaalde leeftijdsgroep te delen door het aantal personen in die leeftijdsgroep. De voor leeftijd gecorrigeerde VPLJ (per 100.000) worden vervolgens berekend als het gewogen gemiddelde van de leeftijdsspecifieke VPLJ tot de leeftijd van 75 jaar.
Vroegtijdig sterftecijfer
Vroegtijdige sterfte wordt hier gedefinieerd als sterfgevallen vóór de leeftijd van 75. Het voor leeftijd gecorrigeerde vroegtijdig sterftecijfer wordt berekend als het gewogen gemiddelde van leeftijdsspecifieke sterftecijfers voor de leeftijd van 75.

Referenties

  1. ICD-10, International Classification of Diseases (WHO, 1992). http://apps.who.int/classifications/icd10/browse/2016/en
  2. SPMA (Standardized Procedures for Mortality Analysis), Sciensano. https://spma.wiv-isp.be/SitePages/Home.aspx

Zuigelingensterfte

1. Kernboodschappen

In 2015 bedroeg de zuigelingensterfte 3,3 per duizend levendgeborenen; dit ligt dicht bij het gemiddelde van de EU-15.
De zuigelingensterfte is de laatste decennia sterk gedaald in België. De huidige cijfers en trends zijn vergelijkbaar voor de 3 regio’s.

2. Achtergrond

De zuigelingensterfte is een maat voor de sterfte van kinderen jonger dan 1 jaar. Het weerspiegelt zowel de gevolgen van perinatale gebeurtenissen als de sterfte na de perinatale periode, dewelke vaak te voorkomen zijn. De zuigelingensterfte hangt sterk samen met het ontwikkelingsniveau van het land, de kwaliteit van de medische zorg, preventieve diensten en gezondheidsbevorderende interventies.

Op regionaal niveau worden grote schommelingen in het jaarlijks sterftecijfer waargenomen als gevolg van het lage aantal sterfgevallen bij zuigelingen. Betekenisvolle vergelijkingen van het sterftecijfer en van de trends per regio worden daarom het best gemaakt op basis van het uitgemiddelde cijfers. In dit rapport hebben we gebruik gemaakt van een voortschrijdend gemiddelde over de laatste 5 jaar.

Zuigelingensterftecijfers worden soms eerder gepubliceerd door internationale organisaties dan op nationaal niveau, omdat deze organisaties alleen de nationale cijfers publiceren en dus geen regionale geboorte- en sterftecijfers nodig hebben.

3. Zuigelingensterfte

België

In 2015 bedroeg de zuigelingensterfte 3,3 per duizend levendgeborenen. Er werden geen verschillen tussen de geslachten waargenomen.

Trends en regionale verschillen

In 2015 was het voortschrijdend gemiddelde van de zuigelingensterfte ongeveer gelijk in Vlaanderen en Wallonië (ongeveer 3,5‰) en iets lager in Brussel (zelfs na uitmiddeling); dit zou over een langere periode bevestigd moeten worden, aangezien de aantallen in Brussel zeer klein zijn.

Op nationaal niveau is de zuigelingensterfte tussen 1998 en 2015 met bijna 40% gedaald (respectievelijk 5,3‰ en 3,3‰). In alle regio's werd een sterke afname vastgesteld, maar in Vlaanderen leek de afname trager te verlopen.

Tussen 2002 en 2013 was de zuigelingensterfte in Wallonië iets lager dan in Vlaanderen, nadien werd ze vergelijkbaar. In Brussel lag het sterftecijfer tot 2009 hoger dan in de andere regio’s en daalde het vervolgens sterker.

  • Jaarlijks
  • Uitgemiddeld

Zuigelingensterfte per regio, 1998-2015
Bron: Statbel, 1998-2015 [1]

Uitgemiddeld zuigelingensterftecijfer (5-jaar voortschrijdend gemiddelde) per regio, 2002-2015
Bron: Eigen berekening op basis van Statbel, 1998-2015 [1]

Internationale vergelijkingen

In 2016 was de zuigelingensterfte in België gelijk aan het gemiddelde van het EU-15 sterftecijfer (3.2).

Zuigelingensterfte per geboorteland, Europa, 2016
Bron: OECD Gezondheidsgegevens, 2016 [2]

4. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Definities

EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden hebben.
Zuigelingensterfte
De zuigelingensterfte is het aantal sterfgevallen van kinderen onder de leeftijd van 1 jaar per 1000 geboortes in hetzelfde jaar.

Referenties

  1. Statbel, 1998-2015. https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/sterfte-en-levensverwachting/foeto-infantiele-sterfte
  2. OECD Gezondheidsgegevens, 2016. http://stats.oecd.org/index.aspx?queryid=30116#