Andere informatie en diensten van de overheid : www.belgium.be  belgium

Laatste nieuws

Corona

11.03.2020 Uitbraak COVID-19

Na China en andere Aziatische landen, is Europa nu getroffen.

Hiv en andere seksueel overdraagbare aandoeningen

1. Kernboodschappen

Ondanks een recente daling blijft het totale aantal nieuwe hiv-diagnoses hoog. Dit vraagt ​​om een ​​intensievere implementatie van de gecombineerde preventieve strategieën die in België beschikbaar zijn.

De hiv-epidemie in België treft voornamelijk twee populaties: mannen die seks hebben met mannen (MSM), voornamelijk van Belgische of andere Europese nationaliteit, en mannen en vrouwen die het virus hebben opgelopen door heteroseksuele relaties, en voornamelijk afkomstig zijn uit Sub-Sahara-Afrika. Het percentage nieuwe hiv-diagnoses ligt in Brussel hoger dan in de andere gewesten, in lijn met het feit dat hiv vooral een stedelijk fenomeen is. 69% van de nieuwe hiv-gevallen werd gediagnosticeerd bij mannen. De meeste hiv-gevallen werden gediagnosticeerd in de leeftijdsgroep van 25-49 jaar.

Chlamydia is de meest voorkomende seksueel overdraagbare infectie (soa) in België, gevolgd door gonorroe en syfilis. Het aantal gemelde gevallen van deze drie soa's is de afgelopen tien jaar bijna verdrievoudigd, voornamelijk door een toename van test- en screeningspraktijken dan door een toename van de incidentie. Er is echter een toename van onveilige seksuele praktijken, die meer uitgesproken is bij bepaalde groepen zoals MSM, wat mogelijk kan leiden tot een zekere toename van het aantal soa-gevallen.

2. Achtergrond

Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) worden voornamelijk verspreid door seksueel contact. Sommige soa's, met name hiv, kunnen ook worden overgedragen via bloedproducten en weefseloverdracht, en van moeder op kind tijdens de zwangerschap.

Verschillende soa's, zoals hiv, chlamydia en syfilis, kunnen zonder symptomen aanwezig zijn, wat de overdracht kan vergemakkelijken. Soa's kunnen echter ook tot ernstige langetermijnsgevolgen leiden: hiv is een van de ernstigste overdraagbare ziekten in Europa. Het is een infectie die kan leiden tot ernstige morbiditeit (aids) en hoge kosten van preventieve behandeling en zorg. Chlamydia en gonorroe kunnen leiden tot complicaties zoals onvruchtbaarheid, chronische ontstekingen en buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Onbehandelde syfilis kan elk orgaan beschadigen en ernstige neurologische complicaties veroorzaken.

Hiv en andere soa's zijn vermijdbare infecties, omdat de overdracht grotendeels te voorkomen is door gedragsmaatregelen (veilige seks, veilige injectie). Daarom is hun incidentie in een gedefinieerde populatie een indicator voor het slagen of falen van controlestrategieën. Sinds 2017 wordt het gebruik van profylaxe vóór blootstelling aan hiv ("pre-exposure prophylaxis", PrEP) terugbetaald in België. Hoewel dit een positief effect kan hebben op de incidentie van hiv, kan het leiden tot een toename van de incidentie van andere soa's als gevolg van het verminderen van waakzaamheid.

De wijzen van epidemiologische surveillance van hiv en de andere soa's zijn verschillend en worden daarom afzonderlijk beschreven.

De epidemiologische surveillance van hiv en aids in België dateert van 1985 en wordt uitgevoerd door Sciensano op basis van de registratie van de nieuwe hiv- en aids-diagnoses. Deze gegevens zijn afkomstig uit twee bronnen: enerzijds de registratie en rapportage van de aids-patiënten door de clinici, en anderzijds de registratie van de hiv-diagnoses door een van de zeven aids-referentielaboratoria die de bevestigingstests uitvoeren. Naast het aantal nieuw gediagnosticeerde hiv-positieve patiënten, verzamelen de laboratoria ook elementaire epidemiologische gegevens over geslacht, leeftijd, nationaliteit, mogelijke infectieroute en klinische fase op het moment van diagnose.

Het traag voortschrijdende karakter van de ziekte maakt het mogelijk dat er een "verborgen" epidemie bestaat die bestaat uit niet-gediagnosticeerde mensen met hiv. Sciensano schat daarom ook het aantal mensen met hiv, inclusief degenen bij wie de diagnose nog niet is gesteld [1]. Hiervoor gebruikt het een instrument dat is ontwikkeld door het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), de ECDC HIV Modeling Tool [2].

Het ECDC en het Regionale Bureau van de WHO voor Europa coördineren gezamenlijk de surveillance van hiv/aids in Europa. De surveillancegegevens over hiv- en aids-diagnoses worden jaarlijks verzameld en door de nationale hiv/aids-surveillanceprogramma's in de lidstaten ingediend bij het Europese surveillancesysteem TESSy. De internationale vergelijkbaarheid is echter slecht, aangezien de nationale bewakingssystemen in verschillende landen kunnen verschillen in niveaus van onderrapportering en rapporteringsvertraging.

De surveillance van andere soa's in België gebeurt voornamelijk via het Sciensano-peilnetwerk van medische laboratoria, dat ongeveer 50% van alle laboratoria beslaat. Aangezien de bewaking van soa's is gebaseerd op gerapporteerde gevallen, vertegenwoordigen de trends niet de werkelijke incidentie: aangezien soa's vaak asymptomatisch zijn, wordt slechts een deel ervan gedetecteerd en gemeld. Als gevolg hiervan kunnen veranderingen in meldingscijfers worden beïnvloed door veranderingen in zowel de onderliggende incidentie als het aantal opgespoorde gevallen (door intensivering van de screening of door meer performante tests). Om deze trends te helpen interpreteren, vergelijkt Sciensano de evolutie van het aantal gemelde gevallen van chlamydia en gonorroe met dat van het totale aantal tests voor deze soa's dat wordt vergoed door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV).

De routinematige surveillance via het laboratoriumnetwerk wordt aangevuld door een klinisch peilnetwerk om de belangrijkste gedragsrisicofactoren te identificeren en de impact van preventiecampagnes te evalueren. Dit klinische netwerk is niet geschikt om de evolutie van het aantal gevallen van de overheersende soa's te volgen, maar kan helpen om factoren te beschrijven die de overdracht van soa's beïnvloeden.

3. Hiv

Toestand in 2018

België

In 2018 werden in België 882 nieuwe hiv-diagnoses gesteld (7,8 nieuwe diagnoses per 100.000 inwoners, of gemiddeld 2,4 gevallen per dag). Daarvan was 69% man. 68% van de hiv-gevallen werd gediagnosticeerd bij mensen van 25-49 jaar.

In 2018 werden 49 nieuwe aids-gevallen gemeld. Tevens werden 59 overlijdens gemeld bij mensen die leven met hiv. Dit aantal omvat sterfgevallen door welke oorzaak dan ook (niet alleen gerelateerd aan hiv); uit het doodsoorzakenregister blijkt dat bij ongeveer tweederde van de sterfgevallen waarbij een hiv-infectie werd genoemd, hiv ook als onderliggende doodsoorzaak werd aangeduid.

Aantal nieuwe gemelde hiv-diagnoses volgens leeftijd en geslacht, België, 2018
Bron: Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]
Regionale verschillen

In 2018 werden van de 882 nieuwe hiv-diagnoses er 235 gemeld in Brussel, 414 in Vlaanderen, 170 in Wallonië. Van 63 nieuwe gevallen was de verblijfplaats onbekend.

Ten opzichte van het aantal inwoners zijn de meldingscijfers in Vlaanderen en Wallonië redelijk vergelijkbaar, terwijl dat in Brussel veel hoger is. Dit verschil is niet verrassend, aangezien een hoge hiv-prevalentie typisch een stedelijk fenomeen is. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan inderdaad worden beschouwd als een grote stad - met de sociaal-culturele kenmerken van een stedelijke context - terwijl de twee andere gewesten landelijke, semi-stedelijke en stedelijke contexten combineren.

Nieuwe hiv-diagnoses per 100.000 inwoners volgens gewest, België, 2018
Bron: Eigen berekeningen op basis van Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]

Trends

België

In 2018 is het aantal nieuwe hiv-diagnoses met 2% gedaald ten opzichte van 2017 en met 28% ten opzichte van 2012.

Tussen het begin van de uitbraak, begin jaren tachtig en eind 2018, werden in totaal 31.695 personen met hiv gediagnosticeerd, in totaal 5091 gevallen van aids gemeld en zijn 2751 mensen gestorven met hiv. Niet al die sterfgevallen waren te wijten aan hiv. Uit het doodsoorzakenregister blijkt dat sinds 1998 ongeveer 1000 sterfgevallen werden geregistreerd met hiv als directe doodsoorzaak (de doodscode voor hiv bestond voorheen niet).

Aantal nieuwe gemelde hiv-diagnoses, aids-diagnoses, en hiv-sterfgevallen, België, 1982-2018
Bron: Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]
Regionale verschillen

Tussen 2012 en 2018 daalde het aantal nieuwe hiv-diagnoses in Vlaanderen en Wallonië, maar bleef het redelijk stabiel in Brussel. Er moet echter worden opgemerkt dat de beschikbaarheid van informatie over de woonregio van hiv-gevallen de afgelopen jaren sterk is verbeterd, van 75% in 2015 tot 93% in 2018. Het grote aantal gevallen met een onbekende woonplaats in het verleden heeft geresulteerd in een onderschatting van het aantal gevallen in elk gewest, wat de interpretatie van trends bemoeilijkt.

Aantal nieuwe hiv-diagnoses volgens gewest, België, 2009-2018
Bron: Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]

Infectieroutes

De hiv-epidemie in België treft voornamelijk twee populaties: mannen die seks hebben met mannen (MSM), voornamelijk van Belgische of andere Europese nationaliteit, en mannen en vrouwen die het virus hebben opgelopen door heteroseksuele relaties (95% van de hiv-geïnfecteerde vrouwen en 28% van de mannen), voornamelijk afkomstig uit Sub-Sahara-Afrika.

In beide belangrijke populaties trad een daling op van het aantal nieuwe hiv-diagnoses. Het aandeel nieuwe infecties bij injecterende drugsgebruikers (ID's) is beperkt en neemt verder af. Ten slotte is het ook belangrijk op te merken dat er een aanzienlijk deel van de nieuwe infecties is waarvan de wijze van overdracht onbekend is (25% in 2018).

Aantal nieuwe hiv-diagnoses volgens meest waarschijnlijke infectieroute, België, 1999-2018
Bron: Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]
Nationaliteit volgens infectieroute

In 2018 had 50% van de hiv-gevallen onder MSM de Belgische nationaliteit. Dit aandeel is de afgelopen jaren sterk afgenomen (73% in 2009 en 62% in 2016 en 2017). Van de mensen die besmet zijn door heteroseksueel contact, had in 2018 43% een Sub-Saharaanse nationaliteit (vergeleken met 61% in 2009 en 50% in 2017).

  • MSM
  • Heteroseksuelen

Aantal nieuwe hiv-diagnoses bij MSM volgens nationaliteit, België, 1995-2018
Bron: Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]

Aantal nieuwe hiv-diagnoses bij heteroseksuelen volgens nationaliteit, België, 1995-2018
Bron: Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België, Sciensano, 2019 [1]

Schatting van de hiv-prevalentie in België

Sciensano schat de prevalentie van hiv in België in op basis van een door het ECDC ontwikkeld model [1,2]. Het aantal mensen met hiv in België werd in 2018 geschat op 19.213. Onder hen werden 1747 niet gediagnosticeerd. Dit betekent dat 9,1% van alle mensen met hiv in België niet op de hoogte is van hun seropositiviteit.

Opmerking: de door het model geschatte prevalentie is lager dan het totale aantal mensen met de diagnose van hiv sinds het begin van de epidemie (31.695). Dit verschil is vooral te wijten aan sterfgevallen en mensen die het grondgebied hebben verlaten. Bovendien kan enige duplicatie niet worden uitgesloten vanwege de oude persoonlijke identificatie. Ten slotte moet worden opgemerkt dat deze schattingen zijn berekend op basis van beschikbare gegevens en dat ontbrekende gegevens de nauwkeurigheid kunnen beïnvloeden.

4. Overige seksueel overdraagbare aandoeningen

Toestand in 2018

België

Chlamydia is de meest voorkomende soa in België met 80 gemelde gevallen per 100.000 in 2018. Chlamydia-infecties komen vaker voor bij vrouwen, met het hoogste aantal meldingen onder vrouwen van 20-24 jaar.

Gonorroe en syfilis komen minder vaak voor, met respectievelijk 19 en 14 gemelde gevallen per 100.000 in 2018. De meeste gevallen van gonorroe en syfilis worden geregistreerd bij mannen, vooral bij mannen die seks hebben met mannen (MSM). Het hoogste aantal gevallen van gonorroe en syfilis wordt gemeld bij mannen van respectievelijk 25-29 jaar en 30-39 jaar.

  • Chlamydia
  • Gonorroe
  • Syfilis

Aantal gemelde gevallen van chlamydia volgens leeftijd en geslacht, België, 2016
Bron: Surveillance van seksueel overdraagbare aandoeningen, Sciensano, 2020 [4]

Aantal gemelde gevallen van gonorroe volgens leeftijd en geslacht, België, 2016
Bron: Surveillance van seksueel overdraagbare aandoeningen, Sciensano, 2020 [4]

Aantal gemelde gevallen van syfilis volgens leeftijd en geslacht, België, 2016
Bron: Surveillance van seksueel overdraagbare aandoeningen, Sciensano, 2020 [4]

Trends

Tussen 2002 en 2018 zijn de meldingscijfers voor chlamydia gestegen van 9,5 gevallen per 100.000 in 2002 tot 80,2 gevallen per 100.000 in 2018, terwijl de meldingscijfers voor gonorroe en syfilis in mindere mate zijn gestegen.

Een vergelijkbare toename wordt waargenomen in de testintensiteit voor chlamydia en voor gonorroe (behalve in 2015, waar de testintensiteit van gonorroe sneller evolueerde dan het gerapporteerde aantal gevallen). Deze vergelijkbare evoluties in zowel de testintensiteit als de gerapporteerde infecties suggereren dat de schijnbare toename in gerapporteerde gevallen eerder het gevolg zou kunnen zijn van een intensievere mate van testen, dan van een toename van de incidentie. Voor chlamydia wordt inderdaad algemeen aangenomen dat de feitelijke incidentie in de loop van de tijd stabiel is gebleven. Ook voor gonorroe lijkt de incidentie niet te zijn toegenomen op het niveau van de algemene bevolking. Uit aanvullende informatie van het soa klinische netwerk blijkt echter dat onveilige seksuele praktijken vaker voorkomen in bepaalde bevolkingsgroepen (vooral MSM), wat leidt tot een gefocaliseerde toename van de incidentie en herinfecties met gonorroe en syfilis in deze groep.

5. Meer informatie

Bekijk de metadata voor deze indicator

Sciensano: Hiv/aids-surveillance

Sciensano: Soa-surveillance

Sciensano Epistat: Determinants of Sexually Transmitted Infections 

Definities

Hiv/aids
Hiv en aids zijn de afkortingen van "Human Immunodeficiency Virus" en "Acquired Immune Deficiency Syndrome" (AIDS). Een hiv-infectie is initieel meestal asymptomatisch, hoewel mensen soms griepachtige symptomen kunnen ervaren. Dit wordt gevolgd door een langdurige periode zonder symptomen. Als de infectie voortschrijdt, verstoort dit meer het immuunsysteem, waardoor het risico op het ontwikkelen van infecties zoals tuberculose, evenals andere opportunistische infecties en tumoren die zeldzaam zijn bij mensen met een normale immuunfunctie, toeneemt. Deze late symptomen van infectie worden aids genoemd. Sinds het einde van de jaren negentig bestaat er efficiënte antiretrovirale behandeling die de progressie van de ziekte kan afremmen.

Referenties

[1] Epidemiologie van aids en hiv-infectie in België. Toestand of 31 december 2018. Brussel: Sciensano; 2019. https://doi.org/10.25608/5c9n-4t26

[2] European Centre for Disease Prevention and Control. HIV Modelling Tool. 2015. https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/hiv-modelling-tool

[3] European Centre for Disease Prevention and Control/WHO Regional Office for Europe. HIV/AIDS surveillance in Europe 2019 – 2018 data. Stockholm: ECDC; 2019. https://www.ecdc.europa.eu/sites/default/files/documents/HIV-annual-surveillance-report-2019.pdf

[4] Surveillance van seksueel overdraagbare aandoeningen. Gegevens voor de periode 2014-2016. Brussel: Sciensano; 2020. https://www.sciensano.be/sites/www.wiv-isp.be/files/surv_sti_1416_nl.pdf

Griep en griepaal syndroom

1. Kernboodschappen

Gemiddeld worden in België jaarlijks ongeveer 600.000 mensen getroffen door griepachtige aandoeningen, d.w.z. ongeveer 5% van de totale bevolking. Ongeveer 50-60% van deze gevallen zijn echte griepgevallen.
Hoewel het griepaal syndroom in de meeste gevallen een goedaardige ziekte is, vereist ongeveer 2% tot 3% van de griepgevallen ziekenhuisopname. Van de gehospitaliseerde gevallen ontwikkelt 13% ernstige complicaties, die bij 6% van de gehospitaliseerde gevallen zelfs fataal zijn; meer dan 80% van deze sterfgevallen komt doorgaans echter voor bij mensen van 65 jaar en ouder.
De Belgische griepepidemie van het seizoen 2018-19 duurde 8 weken, wat gemiddeld was in vergelijking met voorgaande seizoenen. Naar schatting 506.000 Belgen raadpleegden hun huisarts voor griepachtige symptomen. De ernstindicatoren gaven aan dat deze griepepidemie niet ernstiger was dan de voorgaande griepseizoenen.

2. Achtergrond

Het griepaal syndroom is een medische diagnose van mogelijke griep of andere ziekte die een reeks gelijkaardige symptomen veroorzaakt. Deze symptomen omvatten meestal koorts, koude rillingen, malaise, droge hoest, verlies van eetlust, lichaamspijnen en misselijkheid, en kennen meestal een plots begin. In de meeste gevallen is griepaal syndroom een goedaardige ziekte, maar voor ouderen, zwangere vrouwen en mensen met chronische ziekten kunnen de complicaties van griep gevaarlijk zijn.

Griepaal syndroom wordt veroorzaakt door verschillende respiratoire pathogenen, waaronder het influenzavirus, het parainfluenzavirus, adenovirus, RSV en Mycoplasma pneumoniae. De influenza A(H1N1) en A(H3N2) virussen evenals het influenza B-virus zijn de oorzaak van seizoensgriepepidemieën in België en circuleren elk jaar in verschillende mate. Vaccinatie blijft de beste manier om overdracht, complicaties en ziekenhuisopname van griep te voorkomen.

Sciensano coördineert peilnetwerken van huisartsen en ziekenhuizen om de permanente bewaking van de incidentie van griep/griepaal syndroom en de intensiteit en ernst van griepepidemieën te waarborgen. De epidemische drempel is het minimum aantal huisartsenconsulten voor griepachtige symptomen per 100.000 inwoners per week dat nodig is om officieel van een epidemie te spreken. Dit aantal wordt berekend door het European Centre for Disease prevention and Control (ECDC) en varieerde in de afgelopen 5 jaar tussen 135 en 157 huisartsenbezoeken per 100.000 inwoners. Sciensano herbergt ook het Nationaal Referentiecentrum (NRC) voor het influenzavirus.

Op internationaal niveau wordt griepbewaking en paraatheid voor pandemieën gecoördineerd door ECDC en de Wereldgezondheidsorganisatie.

3. Griepseizoen 2018-19

Incidentie

De Belgische griepepidemie van het seizoen 2018-19 duurde 8 weken, wat gemiddeld was in vergelijking met voorgaande seizoenen. De epidemiologische drempel werd overschreden van week 4/2019 (21 januari tot 27 januari 2019) tot week 11/2019 (11 maart tot 17 maart 2019). De epidemie was van gemiddelde activiteit.

Aantal huisartsenconsulten voor griepaal syndroom per 100.000, België, 2014-19
Bron: Sciensano netwerk van huisartsenpeilpraktijken [1]

Van week 40/2018 tot week 18/2019 werden respiratoire monsters van patiënten met de diagnose van griepaal syndroom verzameld door het netwerk van huisartsenpeilpraktijken en geanalyseerd in het Nationaal Referentiecentrum voor influenzavirus. Van deze monsters was 53% positief voor griepvirussen.

Op basis van surveillance via het het netwerk van huisartsenpeilpraktijken werd geschat dat ongeveer 506.000 Belgen hun huisarts raadpleegden voor griepachtige symptomen en, als ze allemaal systematisch werden getest, ongeveer 307.000 van hen daadwerkelijk met het griepvirus zouden zijn besmet.

Alle leeftijdsgroepen werden getroffen in ongeveer dezelfde weken tijdens de epidemie, met piekincidenties in weken 7/2019 en 8/2019.

Aantal huisartsenconsulten voor griepaal syndroom per 100.000 volgens leeftijd, België, 2019
Bron: Sciensano netwerk van huisartsenpeilpraktijken [1]

Ernst

Hoewel er veel ziekenhuisopnames waren voor een ernstige acute luchtweginfectie (severe acute respiratory tract infection, SARI) tijdens dit intense seizoen, gaven de ernstindicatoren van de bevestigde griepgevallen (geschat via het netwerk van 6 peilziekenhuizen) aan dat deze griepepidemie niet ernstiger was dan de voorgaande griepseizoenen.

De gemiddelde verblijfsduur voor een ernstige griepinfectie tijdens dit seizoen was 8,8 dagen (variërend in leeftijd van 3,6 dagen in de leeftijd van 0-4 tot 13,3 dagen bij personen van 85 jaar en ouder). Dit was vergelijkbaar met de andere seizoenen.

Ongeveer 2% tot 3% van de mensen met griep werd in het ziekenhuis opgenomen. Hiervan ontwikkelden 13% ernstige complicaties, die bij 6% van de gehospitaliseerde patiënten fataal bleken; deze cijfers zijn echter vergelijkbaar met die van de voorgaande griepseizoenen. De overgrote meerderheid van de patiënten met ernstige complicaties had reeds bestaande comorbiditeit (91%).

Sterfgevallen werden alleen waargenomen bij mensen van 54 jaar en ouder en 90% van deze sterfgevallen waren bij patiënten met een of meer comorbiditeiten. De mediane leeftijd van overlijden van patiënten zonder comorbiditeit was 87 jaar (spreiding: 71-90 jaar) en de mediane leeftijd van overlijden van patiënten met comorbiditeit was 79 jaar (spreiding: 54-97 jaar).

Internationale vergelijking

De waarnemingen in België waren in lijn met die in de rest van Europa.

Op Europees niveau begon de griepactiviteit in week 49/2018, piekte in week 7/2019 en keerde terug naar basisniveau in week 17/2019. Influenzavirussen begonnen op hoge niveaus te circuleren in week 52/2018 tot week 12/2019.

Patiënten die intensieve zorg vereisten, waren voornamelijk 65 jaar en ouder, maar in bepaalde landen was er een aanzienlijk aantal ziekenhuisopnames bij personen van 40-64 jaar.

Influenzaintensiteit gerapporteerd tijdens het griepseizoen 2018-19, Europa
Bron: European Centre for Disease Prevention and Control [2]

4. Vergelijking van de voorgaande griepseizoenen

Incidentie

Elk jaar bezoeken tussen 300.000 en 900.000 mensen hun huisarts vanwege griepaal syndroom in België. Hiervan wordt het jaarlijkse aantal griepinfecties geschat tussen 116.000 en 472.000.

Aantal huisartsenconsulten voor griepaal syndroom volgens leeftijd, België, 2008-19
Bron: Sciensano netwerk van huisartsenpeilpraktijken [1]

Ernst

Sinds 2012 heeft 11% à 15% van de gehospitaliseerde patiënten met een bevestigde griepinfectie ernstige complicaties ontwikkeld. Bij 4% tot 9% van de gehospitaliseerde patiënten zijn deze complicaties fataal gebleken.

Indicatoren van ernst bij patiënten met bevestigde griepinfectie, België, 2011-19
Bron: Sciensano netwerk van peilziekenhuizen [1]

5. Meer info

Bekijk de metadata voor deze indicator

Influenza monitoring

Resultaten van de surveillance van griep en griepaal syndroom in België

Laboratoriumsurveillance van griep in België

Definities

Griepaal syndroom
Griepaal syndroom kan worden veroorzaakt door het influenzavirus maar ook door een verscheidenheid aan andere microbiële agentia. Influenza-infectie veroorzaakt een klinisch syndroom dat bijgevolg niet gemakkelijk te onderscheiden is van andere infecties van de luchtwegen. Griepaal syndroom wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie gedefinieerd als een acute luchtweginfectie met gemeten koorts van ≥38°C, met hoest, en met een aanvang binnen de laatste 10 dagen.
Severe acute respiratory tract infection (SARI)
SARI wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie gedefinieerd als een acute infectie van de luchtwegen met een geschiedenis van koorts of gemeten koorts van ≥38°C, met hoest, met een aanvang binnen de laatste 10 dagen, en met een nood aan ziekenhuisopname. De SARI-definitie is bedoeld om zowel de griepgerelateerde pneumonie als griepgerelateerde exacerbaties van chronische ziekten zoals astma of hartaandoeningen vast te leggen.

Referenties

  1. Bossuyt N, Bustos Sierra N, Thomas I, Barbezange C. Surveillance of influenza-like illness in season 2018-2019. Brussels: Sciensano; 2020. Available from https://epidemio.wiv-isp.be/ID/diseases/Pages/Influenza.aspx.
  2. Infographic: Influenza in Europe, Season 2018-2019. Stockholm: ECDC; 2019. Available from https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/infographic-influenza-europe-season-2018-2019

Tuberculose

1. Kernboodschappen

In 2017 werden 972 nieuwe gevallen van tuberculose gerapporteerd.
België is een laagincidentieland voor tuberculose, met 8,6 nieuwe gevallen per 100.000 inwoners. Er zijn echter belangrijke geografische verschillen: de incidentie is 3,9 en 4,7 keer hoger in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest (27,8 gevallen / 100.000), vergeleken met Wallonië (7,1 gevallen / 100.000) en Vlaanderen (5,9 gevallen / 100.000). Grote steden melden meer gevallen omdat er een hogere concentratie van risicogroepen is. Brussel is de stad met de hoogste incidentie.
De incidentie van tuberculose is hoger bij mannen, ongeacht leeftijd, gewest of nationaliteit.
In België vond in 2017 52,1% van de tuberculosegevallen plaats onder mensen die geen Belgische nationaliteit hadden. Dit aandeel was hoger in Brussel (63,8%) dan in de twee andere gewesten.

2. Achtergrond

Tuberculose is een ziekte veroorzaakt door een bacterie genaamd Mycobacterium tuberculosis die meestal de longen aantast.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waren er in 2017 10 miljoen nieuwe gevallen van tuberculose. De ziekte behoort tot de top 10 van belangrijkste doodsoorzaken wereldwijd. België is een laagincidentieland voor tuberculose, met minder dan 10 nieuwe gevallen per 100.000 inwoners per jaar [1].

Tuberculose kan tegenwoordig effectief worden behandeld met een succespercentage van 83,7% in 2016. In België is de behandeling gratis voor de hele bevolking (zelfs voor mensen zonder ziekteverzekering). 8,7% van de tuberculosepatiënten sterft echter nog voor het einde van de behandeling (de helft van deze sterfgevallen is te wijten aan comorbiditeit) [2].

De belangrijkste risicofactoren voor tuberculose zijn contacten van besmette mensen, armoede, slechte voedingsstatus en immunodeficiëntie. Sommige mensen lopen meer kans om met tuberculose te worden besmet, omdat ze meer worden blootgesteld aan risicofactoren, zoals beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en kwetsbare bevolkingsgroepen zoals daklozen, gevangenen en migranten uit landen met een hoge prevalentie van tuberculose.

De gegevens in dit hoofdstuk zijn ontleend aan het rapport 2017 van het Belgische tuberculoseregister geschreven door het Fonds des Affections Respiratoires (FARES) [2] en de Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding (VRGT) [3].

3. Incidentie van tuberculose

België

  • In 2017 werden 972 nieuwe gevallen van tuberculose gemeld in België (8,6 gevallen / 100.000 inwoners).
  • Mannen worden vaker getroffen door de ziekte dan vrouwen, met 65,5% van de nieuwe gevallen bij mannen in 2017. De geslachtsverhouding is 1,9.
  • 40% van de in 2017 gediagnosticeerde tuberculosepatiënten was 25-44 jaar oud.

Trends en regionale verschillen

40% van de gevallen van tuberculose is geregistreerd in Vlaanderen (n = 386), 34% in Brussel (n = 331) en 26% in Wallonië (n = 255). In verhouding tot het aantal inwoners is de incidentie 3,9 keer hoger in Brussel (27,8 gevallen / 100.000) in vergelijking met Wallonië (7,1 gevallen / 100.000) en 4,7 keer hoger in vergelijking met Vlaanderen (5,9 gevallen / 100.000).

Het aantal nieuwe gevallen van tuberculose neemt sinds meer dan 30 jaar af, hoewel de afname sinds de jaren negentig vertraagt en de laatste jaren neigt te stagneren. De incidentie daalde in 2007 voor het eerst onder het niveau van 10 gevallen / 100.000 inwoners, waardoor België de classificatie van laagincidentieland kreeg.

Sinds 1981 daalt de incidentie in alle drie de gewesten, met meer variaties in Brussel als gevolg van migratiestromen. In Wallonië is het aantal gevallen sinds 1987 onder het nationale gemiddelde gedaald, behalve in 1991 en 1999. Het aantal gevallen in Vlaanderen is iets lager dan in Wallonië.

Incidentie van tuberculose per 100.000, België en gewesten, 1981-2017
Bron: Belgisch tuberculoseregister 2017, VRGT/FARES vzw, maart 2019

Incidentie in grote steden

Tuberculose komt vaker voor in grote steden waar er relatief meer mensen zijn met een verhoogd risico:

  • de incidentie in Brussel is het hoogst (27,8 / 100 000 in 2017); het is meer dan 3 keer hoger dan het Belgische gemiddelde (8,6 / 100 000).
  • de incidentie is ook vrij hoog in Antwerpen en Luik (meer dan 20 nieuwe gevallen / 100.000 in 2017), gevolgd door Charleroi en Namen (meer dan 15 nieuwe gevallen / 100.000).

De incidentie van tuberculose is daarentegen lager in de steden Gent en Brugge, waar de cijfers onder het nationale gemiddelde liggen (respectievelijk 8,5 en 5,1 nieuwe gevallen / 100 000 in 2017).

Incidentie van tuberculose per 100.000 in steden met >100.000 inwoners, België, 2017
Bron: Belgisch tuberculoseregister 2017, VRGT/FARES vzw, maart 2019

Voorkomen van tuberculose volgens nationaliteit

In 2017 vond in België 52,1% van de nieuwe gevallen van tuberculose plaats onder mensen met een vreemde nationaliteit: 91,5% daarvan kwam uit landen met een hoge prevalentie van de ziekte (meestal uit Oost-Europa, Afrika en Zuid-Aziatische landen). Dit aandeel is hoger in Brussel (63,8% van de nieuwe gevallen van tuberculose onder mensen van buitenlandse oorsprong) dan in Wallonië en Vlaanderen (respectievelijk 47,5% en 45,1%).

Onder Belgen is de incidentie meer dan 4 keer hoger in Brussel vergeleken met Vlaanderen en 3,8 keer hoger dan in Wallonië.

Onder niet-Belgen is de incidentie van tuberculose ook hoger in Brussel in vergelijking met de twee andere gewesten, maar is het verschil minder uitgesproken: de incidentie is respectievelijk 1,6 en 1,5 keer hoger dan in Vlaanderen en in Wallonië.

Vlaanderen heeft de laagste incidentie, ongeacht de nationaliteit.

  • Incidentie
  • Aantal gevallen

Incidentie van tuberculose per 100.000 volgens nationaliteit en gewest, België, 2017
Bron: Belgisch tuberculoseregister 2017, VRGT/FARES vzw, maart 2019

Nieuwe gevallen van tuberculose volgens nationaliteit en gewest, België, 2017
Bron: Belgisch tuberculoseregister 2017, VRGT/FARES vzw, maart 2019

De verdeling van de incidentie naar leeftijd en geslacht is verschillend naargelang de nationaliteit:

  • onder Belgen is de incidentie hoger in de leeftijdsgroepen 30-44 jaar en 60-74 jaar.
  • onder niet-Belgen is de incidentie hoger in de leeftijdsgroep 15-29 jaar en lager in de hogere leeftijdsgroepen.

Onder Belgen is de geslachtsverhouding 1,7. Deze neemt toe met de leeftijd: de incidentie is 4 keer hoger bij mannen onder mensen ouder dan 75 jaar.

Terwijl het aantal nieuwe gevallen bij mannen toeneemt met de leeftijd, is dit niet het geval bij vrouwen: de incidentie is hoger in de leeftijdsgroep van 15-29 jaar en neemt geleidelijk af na 29 jaar.

Onder niet-Belgen is de geslachtsverhouding 2. De incidentie is meer dan 2 keer hoger bij mannen in leeftijdsgroepen van 15-29 jaar, 30-44 jaar en ouder dan 75 jaar.

  • Belgen
  • Niet-Belgen

Incidentie van tuberculose per 100.000 volgens leeftijd en geslacht, Belgen, 2017
Bron: Belgisch tuberculoseregister 2017, VRGT/FARES vzw, maart 2019

Incidentie van tuberculose per 100.000 volgens leeftijd en geslacht, niet-Belgen, 2017
Bron: Belgisch tuberculoseregister 2017, VRGT/FARES vzw, maart 2019

Internationale vergelijking

Volgens de WHO [4] ligt de geschatte incidentie in België in 2017 boven het gemiddelde van de EU-15 en staat het land op de derde plaats van de landen met de hoogste incidentie na Portugal en Spanje.

Internationale vergelijkingen van gerapporteerde gegevens moeten echter met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, omdat methoden voor het verzamelen van gegevens sterk kunnen verschillen, afhankelijk van het land. Dat is de reden waarom de WHO Global Task Force on TB Impact Measurement [1] een methode heeft ontwikkeld om rekening te houden met onderrapportage, en over- en onderdiagnose in schattingen van tuberculose. Dit verklaart waarom de incidentie voor België die in deze internationale vergelijking wordt gepresenteerd, verschilt van de incidentie uit de publicatie van het Belgische tuberculoseregister.

Tuberculosis incidence per 100,000, EU-15 countries, 2017
Bron: WHO/ECDC 2019

4. Meer info

Bekijk de metadata voor deze indicator

Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding (VRGT)

Definities

Geval van tuberculose
Volgens de door de WHO aanbevolen definities [5] wordt een geval van tuberculose gedefinieerd door een geval van actieve tuberculose dat klinisch wordt gediagnosticeerd door een arts of andere gezondheidswerker, of dat bacteriologisch wordt bevestigd. Klinisch gediagnosticeerde gevallen omvatten "gevallen gediagnosticeerd op basis van röntgenafwijkingen of suggestieve histologie en extrapulmonale gevallen zonder laboratoriumbevestiging" [5].
EU-15
De EU-15 komt overeen met alle landen die tussen 1995 en 2004 tot de Europese Unie behoorden: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. We vergelijken de Belgische gezondheidsstatus met die van de EU-15 omdat deze landen vergelijkbare sociaaleconomische omstandigheden hebben.

Referenties

  1. Global tuberculosis report 2018. Geneva: World Health Organization; 2018. https://www.who.int/tb/publications/global_report/en/
  2. Registre belge de la tuberculose 2017, FARES asbl, mars 2019. https://www.fares.be/static/front/upload/1/upload/files/tuberculose/registres/Regtbc2017.pdf
  3. Tuberculoseregister België 2017, Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding VRGT vzw. https://tuberculose.vrgt.be/sites/default/files/Tuberculoseregister%20België%202017.pdf
  4. WHO Regional Office for Europe/European Centre for Disease Prevention and Control.
    Tuberculosis surveillance and monitoring in Europe 2019 – 2017 data. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe; 2019. https://ecdc.europa.eu/sites/portal/files/documents/tuberculosis-surveillance-monitoring-Europe-2019-20_Mar_2019.pdf
  5. Definitions and reporting framework for tuberculosis – 2013 revision, updated December 2014. Geneva: World Health Organization; 2015. https://www.who.int/tb/publications/definitions/en/